Optimale kaalheid

Al vroeg in zijn boek Met zicht op zee omschrijft Eric de Kuyper zijn beeld van de zee als een soort filmbeeld. Het is een typerende zin. De zee, althans het zien van de zee, wordt met film vergeleken om de zee onder woorden te brengen. De Kuyper heeft veel over film geschreven, maar in dit boek is de film geen onderwerp.

Niet dat de film afwezig is. De Kuyper roept hier, als in de meeste van zijn andere boeken, een verloren verleden op en daarbij worden vele middelen ingezet. Film is er daar een van. Een van de velen. En niet de belangrijkste. Hij kan terloops Antonioni in herinnering brengen om de perfect gecomponeerde leegte van het strand buiten het seizoen te bejubelen, maar je voelt dat hij het ook zonder Antonioni wel had afgekund.
Misschien begint de film uit het leven van de Kuyper te verdwijnen. Niet uit zijn verleden natuurlijk, dat permanent paraat lijkt te zijn, maar uit zijn heden. Er lijken geen nieuwe films meer aan het rijke reservoir te worden toegevoegd. Hij is daarvoor misschien te zeer op zoek naar andere ervaringen. In een flatje in Oostende zoekt hij de confrontatie met de leegte. Eenzaamheid en een minimalistisch uitzicht op een in wezen monstrueuze verschijning: de zee. De zee die bekeken wordt, maar ook terugkijkt. De zee die op het netvlies blijft plakken en meereist tot ver buiten Oostende. De zee van de Kuyper is als de planeet Solaris in het boek van Stanislaw Lem en de film van Andrej Tarkovsky. Een onmetelijke aanwezigheid die zich meester maakt van het denken en het herinneren van de mensen die zich te dicht en te lang in de buurt wagen.
Maar de Kuyper is niet bang om door de zee bezeten te worden. Hij geeft zich volledig over en schrijft zijn boek als het ware op het ritme van eb en vloed. Geleidelijk wisselend tussen heden en verleden en weer terug in een permanente maalstroom. Hoe verder hij zich door de stroming in het verleden laat zuigen, des te belangrijker wordt de film weer. Dan komen onooglijke Oostendse buurtbioscopen boven drijven waar hij onvergetelijke films zag. Dan verschijnt ook zijn geliefde tante Jeannot weer ten tonele, die hem vertelt over films die hij nog niet heeft gezien en die nog onvergetelijker lijken dan de films die hij wel zag.
Als de stroming hem terug heeft gebracht in het heden, treft men de schrijver aan op een dood punt in een tekst over de Zwitserse cineaste Jacqueline Veuve. Hij moet een paar films opnieuw bekijken, maar in zijn torenkamer in Oostende heeft hij geen video en het is niet moeilijk om te voorspellen dat die er ook niet zal komen. De maakster van zorgvuldige documentaires over het authentieke bergleven in de Alpen zal het moeten doen met de inspiratie van het platte Belgische strand. Ze zal moeten wachten tot de schrijver weer genegen is om af te reizen naar een plaats waar je gewoon naar een televisie- of computerscherm kijkt in plaats van uit het raam. Nu schrijft hij niet meer verder. Hij doet het licht uit om nog beter uit het raam te kunnen kijken. Als hij beschrijft wat hij door het raam ziet, verschijnt er geen filmbeeld, maar een schilderij.
Schilders zijn voor dit boek dan ook veel belangrijker dan filmmakers. In een boek over Oostende kon James Ensor niet helemaal worden overgeslagen, maar het gaat vooral over Léon Spilliaert. Spilliaert bracht in zijn tekeningen en schilderijen het kustlandschap van Oostende terug tot een karige essentie en het is dit weglaten van het anekdotische dat De Kuyper aanspreekt. Dat is wat hij door zijn raam wil zien. Een goede Spilliaert. De optimale kaalheid.
Het boek zelf is verre van kaal. Het zit vol herinneringen en bespiegelingen en ook anekdotes. Over de schrijver die pastelkrijt koopt en aan het tekenen slaat en over de plastic planten op zijn balkon. Een zeer charmant boek van een filmschrijver die even niet over film schrijft.