De Werdegang van de klassieke retorica

Optimale leerprocessen

De Werdegang van de klassieke retorica laat zien hoe het onderwijs eraan toe is. Voor de school van de 21ste eeuw rest slechts een sprankje hoop, want goed schrijven en mooi spreken leer je niet in een module van zes weken.

Er waart een spook door Europa. Zoals alle spoken kent het vele namen en vele gedaanten en verschijnt het slechts aan wie het willen zien. Het wordt vooral waargenomen in scholen, die fossiele instellingen die binnen enkele generaties van de aardbodem verdwenen zullen zijn. Het is het spook van de Vaardigheid. De samenleving is dermate veranderd dat «gerichte vakkennis minder relevant» is geworden, aldus een publicatie van de Hengelose Carmelstichting, een katholieke moloch waaronder twintig scholen in het oosten des lands ressorteren. Wat de maatschappij van schoolverlaters verlangt is multifunctionaliteit en flexibiliteit, eigenschappen die uitsluitend in een «digitale leeromgeving» ontwikkeld kunnen worden. Leraren? Die sukkels hebben we gelukkig niet meer nodig. De klassen, die met de tribale term «stamgroepen» worden aangeduid, krijgen geen les, maar worden begeleid door «facilitatoren» die, mede dankzij een totaal gebrek aan diepgaande kennis van welke aard dan ook, geen vakken meer doceren, maar «leergebieden». Want, om de chef van de Carmel stichting te citeren: «Onze core business bestaat uit het realiseren van optimale leerprocessen». Voor deze ultramoderne vorm van onderwijs voorspelt de firma Deloitte & Touche dan ook een «positief financieel saldo».

Wie mocht denken dat hier een grapje wordt gemaakt, vergist zich. Weliswaar is het ideaal van de stichting nog niet gerealiseerd, maar staatssecretaris Adelmund heeft al laten weten dat ze echt op zo'n school zit te wachten. Hoe komt het toch dat volwassen mensen die in het dagelijks leven een tamelijk normale indruk wekken, in zulke onzin geloven? Bij beleidsmakers van alle niveaus heeft het didactisch waanidee postgevat dat kennis veroudert en dus zinloos is. Je zit niet op school om kennis te verwerven, maar om Vaardigheden aan te leren. Hoewel ieder verstandig mens weet dat je, tenzij het om elementaire bezigheden als lopen, paren en voetballen gaat, iets moet weten voordat je iets kunt, menen de verlichte despoten in Zoetermeer en Hengelo dat kennis vanzelf wel komt als je eenmaal achter de computer zit. Frans leren? Gewoon wat e-mailen met Waalse leeftijdgenootjes. Waar Roodeschool ligt? Sinds de privatisering van de Spoorwegen kun je daar toch niet meer komen. Vermenigvuldigen? Zakmachines van Texas Instruments maken toch geen fouten!

Wat hier in kekke flyers en rapporten met olijk allitererende titels wordt voorgesteld is een doelbewuste poging onze humanistische traditie van tweeëneenhalf millennium om zeep te helpen. Nu wil ik best toegeven dat deze traditie ook minder fraaie kanten heeft, maar dat neemt niet weg dat het de enige traditie is die we hebben. En onderscheidt beschaving zich niet van barbarij doordat ze gebaseerd is op eeuwenoude, vaak geheel nutteloze kennis? Het feit dat u mijn eerste zin als citaat herkende heeft geen enkel nut, niemand wordt er rijker of gezonder van, toch maakt het ons tot bondgenoten, al is het maar voor de duur van een alinea.

Misschien is het juist de Werdegang van de klassieke retorica die ons laat zien hoe we eraan toe zijn. Wat Romeinse jongens zich in de studiehuisleeftijd eigen maakten, viel uiteen in vijf basisvaardigheden. Allereerst ging de aspirant-redenaar op zoek naar materiaal. Natuurlijk verschafte de fictieve zaak waarover hij moest spreken hem de kale feiten, maar daar ging het niet om. Of hij nu het woord moest voeren over moord of burengerucht, erfpacht of bloedschande, de redenaar werd geacht al zijn culturele bagage paraat te houden om er een huiveringwekkend verhaal van te maken. Juridische, historische en letterkundige kennis was onontbeerlijk en de student werd tot vervelens toe getraind in argumentatieleer. En had hij eenmaal zijn houding in de zaak bepaald, dan zorgde hij ervoor dat alle argumenten in een zo effectief mogelijke volgorde werden geplaatst. Deze twee vaardigheden, die men «vinding» en «ordening» noemde, stonden borg voor de inhoudelijke basis van iedere redevoering.

Was de lijn van het betoog vastgesteld, dan kwam het aan op een zorgvuldige verwoording. Van jongs af aan leerden de kinderen de hoogtepunten uit de Griekse en Latijnse literatuur van buiten, schreven ze opstellen, lazen ze hardop redevoeringen van Demosthenes en Cicero en stonden ze stil bij grammatica en stijltheorie om het treffen van de juiste toon tot een tweede natuur te maken. Fraai formuleren was een kwestie van beleefdheid, slordig taalgebruik gold als belediging van het geschoold publiek.

Geheugentraining vormde het vierde onderdeel van de retorica. Ellenlange redevoeringen diende men woord voor woord te kunnen reproduceren, en wel op zo'n manier dat de toehoorders de illusie kregen dat de inspiratie van het moment verantwoordelijk was voor de stortvloed aan ronkende volzinnen. Anderzijds werd de redenaar geacht zo'n voorraad aan standaardargumentaties en stilistische verfijndheden in huis te hebben dat hij zonder haperen een fors betoog kon improviseren. Ten slotte oefende de student zich in de voordracht, met alle gebaren die daarbij hoorden. Het optreden van een goede redenaar, of het nu bij het kantongerecht plaatsvond, bij de notaris of bij de senaat, was een culturele gebeurtenis van de eerste orde.

Het was deze wetenschap die tot in de negentiende eeuw het fundament van de Europese intellectuele vorming uitmaakte. Toen kwam er de klad in, waarschijnlijk niet geheel ten onrechte: in gelul kan men immers niet wonen. Hoewel geschoolde arbeiders als Herman Gorter en Ferdinand Domela Nieuwenhuis wel wisten hoe je een voluptueuze volzin neerzet, was het woord in toenemende mate aan de werkende massa’s, die geen energie over hadden om zich aan casuïstiek en stilistische finesses te wijden. Sindsdien doet de vaderlandse politicus vooral zo gewoon mogelijk.

De intrede van de televisie heeft er echter voor gezorgd dat zowel politici als burgers zich bewust werden van een gemis. Kijken naar mensen die gewoon doen is immers totaal oninteressant. Wij willen brood en spelen, en dus ook politici in dure maatpakken die tot verbaal vuurwerk in staat zijn. Als we geen Berlusconi kunnen zijn, willen we er in ieder geval één zien. Vandaar dat ook in het onderwijs van de 21ste eeuw de retorica terug is, zij het in een aangepaste versie. Van de vijf onderdelen van de retorica krijgen met name het eerste, de vinding, en het laatste, de voordracht, enige aandacht.

Iedere leerling die examen havo of vwo doet, dient zich te verdiepen in de argumentatieleer, die hij zowel actief als passief in praktijk moet kunnen brengen. Dat houdt in dat hij geacht wordt de opbouw en argumentatie van een wille keurige betogende tekst te kunnen analyseren, terwijl hij ook zelf dergelijke stukken moet kunnen schrijven. Daar komt bij dat het ouderwetse opstel is vervangen door het onderdeel «gedocumenteerd schrijven», hetgeen betekent dat de leerling zich eerst enige tijd in een onderwerp naar keuze verdiept alvorens er, met zijn documentatie onder handbereik, een pittige beschouwing aan te wijden.

Met de voordracht zit het in die zin wel goed dat vrijwel alle vakken in de Tweede Fase de zogenaamde presentatie op hun programma hebben staan. Wat vroeger spreekbeurt heette en drie maal per schoolloopbaan afgeraffeld werd, is nu uitgegroeid tot een maandelijks fenomeen waarbij, als het aan de beleidsmakers ligt, ook audiovisuele hulpstukken worden benut. Omdat de digitale netwerken van de scholen de helft van de tijd platliggen, beamers heel duur zijn en de meeste leerlingen niet kunnen filmen, bestaat de presentatie meestal gewoon uit een hakkelend voorgelezen praatje. Toch is het een feit dat kinderen na enige tijd hun drempelvrees overwinnen en met wat simpele trucs kunnen leren een verhaaltje te houden waarbij de toehoorders niet van plaatsvervangende schaamte onder hun banken kruipen.

Het probleem schuilt in de andere onderdelen van de retorica. Doordat kinderen op de basisschool, en soms ook in de eerste drie klassen van het voortgezet onderwijs, hun talen gedoceerd krijgen door leraren die zelf nauwelijks weten waarover ze het hebben, en doordat ook degelijk literatuuronderwijs niet meer bestaat, wordt elke ontwikkeling van stijlgevoel in de kiem gesmoord. Goed schrijven en mooi spreken leer je niet in een module van zes weken. Daarnaast verwerven de leerlingen in de aanloop naar het studiehuis zo ontstellend weinig parate kennis dat ze geen enkel referentiekader hebben voor de pagina’s die ze zo vlijtig downloaden en printen. Het gevolg is dat wat ze in het studiehuis beargumenteren en presenteren vaak elke grond mist.

Zullen verwoording en geheugentraining ooit weer terugkeren in het curriculum? Als het aan Adelmund en de Carmelstichting ligt, zeker niet. Hun core business is immers het realiseren van optimale leerprocessen. En daarvoor heb je geen degelijke onderwijzers nodig.