Essay: De eeuwige crisis

Optimisme als morele plicht

In de westerse wereld domineert de gedachte dat de geschiedenis een doel heeft. Dit vooruitgangsgeloof wordt telkens verstoord door haperingen die wij ‘crises’ noemen. Doch: leven ís crisis.

Medium groene crisis 233

Google meldt het woord ‘crisis’ niet zo vaak als ‘sex’ of ‘love’, maar wel zo vaak dat het ernstig aan het denken zet: ruim honderd miljoen keer. Twitter biedt een permanente stroom berichten met het woord: grofweg één per twee seconden. LexisNexis, de krantendatabank, toont dat het alleen al door Nederlandse periodieken zo’n tweeduizend keer per week wordt gebruikt. Worldcat, de verzamelde catalogus van elfduizend bibliotheken met een totaal bezit van twee miljard boeken, artikelen, films en muziekstukken, heeft vermoedelijk de meest interessante statistiek en meldt dat het in meer dan 750.000 titels voorkomt. Interessant is die melding vooral omdat ze ruim twee eeuwen bestrijkt en uitgesplitst is naar jaren. Daarmee laat ze, kanttekeningen over dubbeltellingen en dergelijke ten spijt, over de tendens geen twijfel bestaan. Die is zeer progressief.

In het eerste kwart van de twintigste eeuw komt het woord ‘crisis’ per jaar in zo’n tweehonderd titels voor, kort na de Tweede Wereldoorlog is dat aantal meer dan verdubbeld naar vijfhonderd titels, in de jaren zestig naar meer dan duizend, in de jaren zeventig naar vier- tot vijfduizend, in de jaren tachtig naar achtduizend, in de jaren negentig naar vijftienduizend, aan het begin van de 21ste eeuw naar meer dan twintigduizend en in de afgelopen jaren naar maar liefst vijftigduizend. Kortom, het is overal, altijd en steeds vaker crisis. Het zal dan ook niet verbazen dat Barack Obama bij zijn aantreden in januari 2009 betoogde: ‘That we are in the midst of crisis is now well understood.’

Maar wat betekent dat? Dat het slecht gaat met de economie, aldus de meest gehoorde uitleg van het begrip, slechter dan voorheen? Dat we worstelen met aanbodoverschot, oplopende werkloosheid, dalend consumentenvertrouwen, afnemende groei, recessie, depressie? In dat geval luidt de volgende vraag of deze crisis is als de vele die haar voorgingen en dus niet meer dan een zoveelste dip in een jojoënde conjunctuur. Als dat klopt, is er weinig aan de hand, want dan wordt de oude, stijgende lijn weldra weer opgepakt. Het zou de teneur van een opmerkelijk groot deel van de berichtgeving verklaren, gespitst als zij is op die ene vraag: wanneer zet het herstel weer in?

***

Of ligt het anders en staan we, zoals het woord ‘crisis’ eigenlijk zegt, op een keerpunt? Zo ja, op welke gebieden: financiën, media, arbeidsmarkt, identiteit, internationale verhoudingen? Of betreft dat keerpunt ‘heel de maatschappij’? In dat geval: waar hebben we het over? Is crisis dan niet zoiets als wat lucht is voor vogels, water voor vissen of god voor gelovigen: alles en dus niets? Of ligt het nog ingewikkelder en is crisis vooral een gevoel (‘is now well understood’) en zegt het begrip niet zozeer iets over een maatschappelijke situatie als wel over onze inschatting daarvan plus de daarbij passende stemming?

In 99,9 procent van de crisisberichten wordt over dergelijke zaken niet gesproken. Zij gaan over afzonderlijke, liefst persoonlijke onderwerpen en brengen het ene slechte nieuwtje na het andere, treurverhaal op treurverhaal en een onophoudelijke stroom sombere cijfers. Vaak lijkt de berichtgeving speciaal gemaakt voor scrabbelende treurpieten: vertrouwenscrisis, identiteitscrisis, regeringscrisis, huwelijkscrisis, landbouwcrisis, kabinetscrisis, voedselcrisis, energiecrisis, midlifecrisis, geloofscrisis, milieucrisis, wereldcrisis, valutacrisis, dollarcrisis, gezagscrisis, beurscrisis.

Medium groene crisis 231
 

Onlangs zat ik een weekje in Griekenland en voerde ’s avonds lange gesprekken met de werknemers van een hotel. Het seizoen is voorbij dus er was tijd genoeg. De verhalen waren steeds dezelfde. Zale die achter de balie werkt – moeder van vier kinderen en echtgenote van een man die al drie jaar zonder werk zit – vertelde hoe zij met haar inkomen van zevenhonderd euro per maand (alleen uitbetaald tijdens het seizoen) probeerde rond te komen. Dankzij de kerk lukte dat – of eigenlijk ook niet. De Hongaarse ober Gergo die een half jaar geleden de hemel te rijk was omdat hij via een internationaal uitzendbureau met zijn vriendin in Griekenland een seizoensbaan had bemachtigd, vertelde hoe hij steeds weer werd belazerd. Van de vierhonderd euro die hij zou verdienen, werd iedere keer iets afgetrokken omdat hij een bord had gebroken of zogenaamd een fout had gemaakt. Erger nog was dat hij in de afgelopen drie maanden geen cent had gezien, ‘liquiditeitsproblemen’ heette dat, en doodsbenauwd was binnenkort met lege handen naar huis te moeten gaan. Niran die achter de bar stond…

Waar je ook kijkt, op straat, internet of elders, het duizelt van de verhalen, zoveel dat er (nog zo’n scrabblewoord) welhaast zoiets als een crisistekstenindustrie lijkt te bestaan. Die industrie is als een bloem in de woestijn, want levert schrijvers en vertellers een zakcentje op terwijl zij lezers en luisteraars troost biedt. Het kan, zo blijkt immers uit die verhalen, altijd nog erger. Andere variant: morgen wordt het beter en elk nadeel heeft zijn voordeel. Dat soort teksten.

***

Een van de belangrijkste en meest bekende ‘metateksten’ over crisis is van de hand van de Duitse ideeënhistoricus Reinhart Koselleck (1923-2006). Die werd voor het eerst gepubliceerd in het derde deel (1982) van een negenduizend pagina’s tellend Duits naslagwerk met, zo luidt ook de titel, Geschichtliche Grundbegriffe. Kosellecks meer dan dertig pagina’s lange analyse doet wat in dergelijke lexica gebruikelijk is en verhaalt omstandig van de etymologie en ontwikkeling van het crisisbegrip. Veel citaten, veel voetnoten, een Fundgrube voor een ieder die de woordgeschiedenis wil kennen.

Op het eerste gezicht is de geschiedenis van het begrip overigens niet zo ingewikkeld. De term ‘crisis’, van het Griekse krinien dat oordelen of (onder)scheiden betekent en oorspronkelijk gebruikt werd voor de diagnose die een arts stelt bij de ingrijpend veranderende toestand van een patiënt, verscheen aan het eind van de Middeleeuwen voor het eerst in een West-Europees medisch handboek. Het kreeg in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw ruimere betekenis en wordt sinds het eind van de achttiende eeuw gebruikt in onze betekenis van maatschappelijke ommekeer. Traditioneel in dat verband is de verwijzing naar de serie van zestien pamfletten die Thomas Paine, aartsvader van de Amerikaanse onafhankelijkheid, tussen 1776 en 1783 publiceerde: The American Crisis, veelal simpelweg The Crisis genoemd, met daarin de beroemde openingszin: ‘These are the times that try men’s souls.’

Vanaf dat moment, eind achttiende eeuw, is het begrip niet meer weg te denken, zij het dat het onder invloed van de constatering dat de economie onderhevig is aan schommelingen steeds vaker daarop betrekking heeft. In zijn overzicht geeft Koselleck citaat op citaat, titel op titel, voorbeeld op voorbeeld, zoveel dat je spoedig nauwelijks anders kunt dan verzuchten dat ‘crisis’ een onmogelijk begrip is en ‘elke tijd overgangstijd’, om het met de titel van een boek van een van mijn leermeesters, Hermann von der Dunk, te zeggen. Zo bezien heeft het crisisbegrip alleen nog in economische zin betekenis. Voor het overige is het, de populariteit ervan ten spijt, inderdaad als lucht, water, alles. Nutteloos dus.

Maar al is het containerkarakter van het crisisbegrip onmiskenbaar, daarmee is het belangrijkste niet gezegd. Alleen al niet omdat er tot diep in de achttiende eeuw zelden sprake was van zo’n radicale ommekeer in de maatschappelijke verhoudingen. Er is sinds die tijd iets gebeurd waardoor de geschiedenis ingrijpend veranderde. En getuige de Worldcat-statistiek is dat ‘iets’ in de loop van tweehonderd jaar almaar sterker geworden.

Een opmerkelijk groot deel van de berichtgeving is gespitst op die ene vraag: wanneer zet het herstel weer in?

Koselleck en anderen in zijn voetspoor associëren dat iets vooral met tijdsbesef. Om het eenvoudig te zeggen: tot diep in de achttiende eeuw werd tijd als cyclisch ervaren. Tijd zou zijn als de natuur, met lente en herfst, zomer en winter. Daarom ook was tijd als in het bijbelboek Prediker: ‘Wat er was, zal er altijd weer zijn, wat er is gedaan, zal altijd weer worden gedaan. Er is niets nieuws onder de zon.’

Het enige ‘nieuws’, aldus een ander bijbelboek, kwam op het moment dat de menselijke geschiedenis overging in de goddelijke. Dat moment wordt in de (Griekse) grondtekst van het Nieuwe Testament aangeduid als, jawel, crisis. Het woord komt 25 keer voor, het vaakst bij Johannes, en wordt in Nederlandse teksten meestal vertaald met oordeel. Daarmee is de betekenis gegeven. Want, zoals diezelfde Johannes schrijft in het laatste en historisch gezien meest betekenisvolle bijbelboek, de Apocalyps, komt er uiteindelijk een laatste crisis of oordeel. Dan stopt de tijd en begint de eeuwigheid.

Het is moeilijk te zeggen in hoeverre dergelijke intellectuelenpraat tot de gemiddelde boer of burger doorgedrongen is. Niet of nauwelijks, vermoed ik. Maar gelovigen – en dat was tot diep in de achttiende eeuw zo goed als iedereen – waren wel doordrongen van een vage variant ervan. De tijd van het dagelijks leven was cyclisch, die van zon- en feestdagen was lineair en uiteindelijk dus metafysisch.

Het spreekt voor zich dat tegenwoordig bijna geen mens nog in zo’n goddelijke tijd gelooft. Dat wil echter niet zeggen dat ook het denkpatroon achter dat geloof verdwenen is. Het is achterhaald om tegenwoordig nog met een superintellectueel als Menno ter Braak aan te komen, maar volgens mij had hij groot gelijk toen hij aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog van oude en nieuwe christenen sprak. De oude waren degenen die geloofden in de waarheid van het bijbelboek, de nieuwe christenen hielden er eenzelfde mening op na maar dan in geseculariseerde, moderne vorm. Zij noemden zich fascisten, communisten of een variant daarvan en geloofden eveneens dat er een laatste crisis zou komen, gevolgd door de Heilstaat, het Derde Rijk, de Toekomst of een ander voortdurend en gelukzalig heden. Dat heden was als de goddelijke eeuwigheid maar dan in het hier en nu.

***

Gelukkig is zo’n moment van aardse zaligheid nooit bereikt. Maar vreemd genoeg is het denkpatroon erachter nog steeds niet verdwenen, zelfs niet nadat de laatste politieke heilsleer zijn onhoudbaarheid had bewezen en van de grote ideologieën alleen het democratisch kapitalisme was gebleven.

De ondertussen welhaast klassieke illustratie hiervan is het boek dat de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama kort na de val van de Muur publiceerde: Het einde van de geschiedenis en de laatste mens. Fraai hierin is vooral de hegeliaanse parabel in het laatste hoofdstuk. Daarin wordt de geschiedenis voorgesteld als een trein. Die trein bestaat weliswaar uit vele wagons met daarin talloze passagiers, maar het is en blijft één trein die over één spoor richting één eindstation gaat. Door breuken in de rails en andere tegenslagen komt het ding telkens tot stilstand. De wagons raken van elkaar los, vallen om, overwoekeren. De machinisten zwerven door de woestenij, passagiers verdwalen, sommigen sterven, anderen krijgen kinderen die weer kinderen krijgen en zich vestigen in de velden rond het spoor. Zo nu en dan keren enkele reizigers terug naar de plek des onheils, knappen enkele wagons op, zetten er nieuwe banken in, repareren de machinerie, herstellen de spoorlijn en gaan voort. En zo druppelen altijd weer nieuwe passagiers het station binnen waar uiteindelijk het grootste deel van de mensheid zal arriveren.

Het enige wat telt is het hier en nu. Het kan niet anders. Want missen we het nieuws, dan missen we het belangrijkste

Is dit niet het beeld dat velen van ons onbewust, onbedoeld, ja zelfs tegen beter weten in eveneens koesteren: een geseculariseerde en gematigde versie van het oude bijbelverhaal waarin er impliciet vanuit wordt gegaan dat het morgen beter zal zijn en overmorgen nog beter? De vraag is onmogelijk eenduidig te beantwoorden, vooral omdat het recente en minder recente verleden zoveel tegenslagen te zien heeft gegeven dat vrijwel niemand nog onomwonden vooruitgangsoptimisme durft te verkondigen.

Toch kun je je afvragen of een vage vorm van optimisme niet alleen al bestaat omdat we kinderen hebben en, bij gebrek aan een hemel, verplicht zijn aan de toekomst een positieve kwalificatie te geven. Vanzelfsprekend heeft een dergelijke visie met feiten of argumenten niets van doen. Zij is het resultaat van een existentiële noodzaak, levenshouding, cultuur: (vooruitgangs)optimisme kortom als morele plicht.

Hoe dan ook, de grote verandering van de achttiende eeuw is een dubbele: enerzijds het afscheid van de cyclische tijd of de natuur, anderzijds de secularisering van de heilsgedachte en dus de doorbraak van het vooruitgangsdenken. De twee tijden waaruit de geschiedenis tot dan toe had bestaan smolten ineen, wat hetzelfde betekent als dat de goddelijke tijd naar beneden werd getrokken en vertaald in een aards verschiet: toekomst.

***

Als je de geschiedenis van de laatste tweehonderd jaar vanuit een adelaarsperspectief bekijkt, is het eenvoudig te begrijpen dat die toekomst van het etiket ‘beter’ werd voorzien: we leven langer, zijn gezonder, zijn rijker en vrijer, we hebben minder pijn, meer mogelijkheden, betere huizen, snellere verbindingen en ga zo maar door. Ik kan me niet voorstellen dat er, met de dagelijkse praktijk als criterium, iemand te vinden is die liever in de achttiende eeuw of nog eerder zou willen leven. Anders gezegd, de vooruitgang is onmiskenbaar en verklaart vermoedelijk ook de impliciete, hoewel onbewijsbare veronderstelling dat de ontwikkeling zal aanhouden. Daarmee is het crisisbegrip wel stilaan van betekenis veranderd. Het staat niet langer voor de overgang van de ene naar de andere tijd, maar voor twijfel dat de nieuwe tijd wellicht toch niet brengt wat wordt verwacht. Crisis appelleert aan een oergevoel, een oerangst: ‘These are times that try men’s souls.’

Een dergelijke angst wordt versterkt door een verschijnsel dat, naar de titel van een recent boek van de Amerikaanse mediatheoreticus Douglas Rushkoff, als present shock aangeduid kan worden. Die term is veelzeggend omdat hij nadrukkelijk verwijst naar het fameuze begrip dat Alvin Toffler muntte in een van de grote bestsellers van de twintigste eeuw: Future Shock, uit 1970. Volgens Toffler gingen de meeste mensen er veertig jaar geleden nog vanuit dat hun samenleving relatief stabiel was. Er veranderde wel wat, er was een verleden, er was toekomst, maar de overgang van de ene naar de andere tijd verliep geleidelijk. Aldus de veronderstelling. De werkelijkheid was volgens Toffler anders. De wereld veranderde in snel tempo, men was daar niet op voorbereid en onvermijdelijk kwam het moment dat de kloof tussen beeld en werkelijkheid duidelijk werd. Het gevolg was een schok, een toekomstschok: ‘Too much change in too short a period of time.’

Medium groene crisis 232
Hoeveel heden, hoeveel verandering, hoeveel snelheid, hoeveel informatie, wat kan een mens verdragen? Present shock

Deze constatering spoort met de bijna vijftig jaar oude voorspelling van een van de oprichters van het Amerikaanse computerhardwarebedrijf Intel, Gordon Moore. Enkele jaren voordat Tofflers boek verscheen, voorzag hij dat de capaciteit van transistors, schakelaars die elektronische signalen geleiden en versterken, elk jaar verdubbelde, oftewel dat de hoeveelheid beschikbare informatie elk jaar twee keer zo groot zou worden. Het resultaat hiervan zou net zo onvoorstelbaar zijn als in de oude legende van de graan- of rijstkorrel op het schaakbord. Een wijs man vroeg een zelfingenomen, schatrijke prins als cadeau één graankorrel op het eerste veld van het schaakbord, twee op het tweede, vier op het derde, acht op het vierde enzovoort. De prins lachte, zo’n bescheiden vraag was een belediging voor zijn rijkdom. Maar het lachen verging hem toen bleek waar het rekensommetje toe leidde. De einduitkomst is 18.446.744.073.709.551.615 korrels. Wat rijst betreft is dat volgens sommige berekeningen duizend maal de jaarlijkse wereldproductie, een berg groter dan de Mount Everest.

Als de zogenoemde Wet van Moore, die tot op heden ongeveer juist is gebleken, voor de komende jaren eveneens opgaat, betekent dit een niet te bevatten groei. Er zijn sinds het moment dat de voorspelling werd gedaan (1965) immers pas 48 jaren verstreken, een schaakbord heeft 64 velden, als elke rijstkorrel gelijk is aan een stukje informatie zitten we op dit moment ‘nog slechts’ met een getal van vijftien cijfers. De echte groei moet dus nog komen! En dan te bedenken dat de tijd in tegenstelling tot een schaakbord oneindig is en informatie slechts één van de gebieden is waarop versnelling en vergroting plaatsvindt. Geen wonder daarom dat de Wet van Moore in actuele analyses steeds weer opduikt. Hoeveel heden, hoeveel verandering, hoeveel snelheid, hoeveel informatie, wat kan een mens verdragen? Present shock.

Terwijl we volgens Alvin Toffler veertig jaar geleden in verwarring waren omdat ons beeld van een relatief rustig heden niet rijmde met de veranderende omgeving stelt Rushkoff dat we elke poging tot rijmen hebben opgegeven en ons volledig in het heden hebben gestort. We rushen van nieuwtje naar nieuwtje, van Twitter-bericht naar Twitter-bericht, van hype naar hype, van mode naar mode. Het enige wat telt is het hier en nu. Het kan niet anders. Want missen we het nieuws, dan missen we het belangrijkste. Maar dompelen we ons onder in dat nieuws, aldus de cultuurpessimistische teneur van Rushkoffs boek, dan missen we het belangrijkste eveneens, want op het moment dat we het heden te pakken hebben, is het al weer vervangen door de toekomst. Liquid times, om het met Zygmunt Bauman te zeggen. Voort, voort, met in buik en hoofd een permanent gevoel van onrust. Crisis.

***

2500 jaar geleden beweerde Heraclites, een van de eerste denkers uit de westerse geschiedenis, eveneens dat het bestaan vloeibaar was. ‘Alles stroomt, niets blijft’, zei hij. En: ‘Je kunt niet tweemaal in dezelfde rivier stappen want er zal steeds ander water stromen.’ Aan deze opvatting is in de loop van tijden veelal een negatieve uitleg gegeven, om te beginnen door de man die nog altijd doorgaat voor een van de belangrijkste filosofen aller tijden, Plato. De kern van zijn leer is dat de wereld van de dingen inderdaad veranderlijk en vergankelijk is, maar om diezelfde reden ook onbelangrijk. Het gaat om de onveranderlijke, onvergankelijke wereld, die van de vormen, ideeën, god of, in geseculariseerde termen, heilstaat, toekomst, eindstation, het ideaal.

Met deze gedachte heeft Plato tot op de dag van vandaag zoveel furore gemaakt dat we er niet of nauwelijks van los komen. Ze zit zogezegd in ons culturele gen, onze meme om het met Richard Dawkins te zeggen, en sluit dan ook perfect aan bij de dominante ideologie van de westerse wereld zoals vormgegeven door christendom en vooruitgangsgedachte: dat de geschiedenis een doel heeft.

Heraclites en talloze vertegenwoordigers van niet-westerse levensleren bestrijden deze gedachte en beperken zich tot de simpele constatering dat alles stroomt en steeds anders is. De tijd is als water, onverschillig. Hij stroomt onwillekeurig altijd voort, nu eens in grote, dan weer in minder grote hoeveelheden. In die stroom stappen wij even in en vervolgens weer uit.

Het zijn onze cultuur en ons onvermogen die maken dat we die onverschilligheid niet aanvaarden en aan de stroom steeds weer een kwalificatie geven. Vandaar dat voortdurende gebruik van het begrip ‘crisis’. Het staat voor de overgang van de ene naar de andere situatie, van beter naar slechter, slechter naar beter, hoog naar laag, veel naar weinig. Maar een dergelijke overgang bestaat alleen in ons hoofd, niet in de werkelijkheid. Want leven is crisis, stroom. Een leven zonder crisis, dat is de dood.