Interview met John Gray

‘Optimisme helpt ons ook niet verder’

Er is geen vooruitgang. Maar dat is nog geen zwartkijkerij. ‘Ik beweer slechts dat de toekomst niet anders zal zijn dan het verleden.’ Een interview met de Britse politiek filosoof John Gray, de keynote speaker op De Avond van De Groene Amsterdammer.

Zelfs nog voor er sprake kan zijn van een vraag, laat staan een interview, komt John Gray ter zake. En passant toont hij de gave zijn eigen werk in een enkele zin samen te vatten: ‘Ik heb proberen uit te leggen dat de meest invloedrijke en uiteindelijk destructief gebleken seculiere ideologieën uit de moderne tijd gevormd zijn door onderdrukte religieuze beleving.’ Ook vandaag de dag ziet Gray de veroorzakers van veel twintigste-eeuwse ellende opnieuw aan het werk in Irak, Afghanistan en in westerse hoofdsteden, waar een verbond van ‘verlichtingsfundamentalisten’, lompe vrije-marktprotagonisten en religieus geïnspireerde utopisten tevergeefs bevestiging zoekt – gewapenderhand of achter het toetsenbord – voor een rotsvast geloof in menselijke vooruitgang. ‘Tegenslag lijkt ze nauwelijks van slag te brengen’, zegt hij met gespeelde verbazing.

Maar van tegengeluiden kijken zijn vijanden wel op. Gray is ook niet de eerste de beste kamergeleerde. De hoogleraar ‘Europees denken’ aan de prestigieuze London School of Economics manifesteert zich in het publieke debat vooral als schrijver van een onophoudelijke stroom politieke en filosofische analyses die de huidige wereldsituatie met schroeiende tegendraadsheid onder de loep nemen. Hij schreef meer dan twintig boeken waarin hij zijn blikveld van het politieke discours – en daarbinnen vooral het liberale denken – gaandeweg uitbreidde tot de cultuurfilosofie en de culturele antropologie.

Hij heeft fans en vijanden. Na verschijning van de Engelse versie van zijn jongste boek, Black Mass: Apocalyptic Religion and the Death of Utopia, kreeg Gray er in enkele Britse kranten genadeloos van langs. Van enige afstand gezien is dat begrijpelijk: juist door te laten zien hoe de luidste protagonisten van de Verlichting schatplichtig zijn aan christelijk geïnspireerd eindtijdsdenken creëert hij woede aan twee kanten van het debat: christelijke denkers boos (hoe kunnen wij verantwoordelijk zijn voor communisme, nazisme en liberaal imperialisme?) en zelfverklaarde verdedigers van de Verlichting boos (wij geloven in de rede, niet in een duizendjarig rijk of wat voor andere obscurantistische onzin dan ook). De recensent van de Daily Telegraph noemde de centrale these van Grays boek zelfs een ‘load of bollocks’, een hoop kletspraat, opgediend door een ‘silly man’, zeker niet ‘de belangrijkste levende denker’, zoals de Britse schrijver Will Self hem noemt.

Van dichterbij gezien is de kritiek niet erg sterk. Want Grays belangrijkste en richtinggevende inzicht is weliswaar weinig spectaculair, het is belangrijk – en had eindeloos veel ellende kunnen voorkomen. ‘Niet één type regering’, vat Gray dat inzicht samen in een Amsterdamse hotellobby, ‘kan overal de beste zijn. Het gaat erom instituties te creëren die zo goed mogelijk de identiteit reflecteren van hen die erdoor worden geregeerd. Vaak slaagt een liberale democratie daar beter in dan beschikbare alternatieven. Maar niet altijd: er bestaat geen universele regel.’ Want: ‘Menselijke kwesties, human affairs, zijn te ingewikkeld voor een enkele vorm van regering om universeel begeerlijk of wenselijk te zijn.’

In Zwarte mis (de Nederlandse vertaling van Black Mass) richt Gray daarom zijn pijlen voornamelijk op westerse machthebbers als Blair en Bush die als echte gelovigen ‘logen voor de waarheid’. Al bekend met de uitkomst van de geschiedenis, de waarheid, baseren zij hun beslissingen daarom zonder enige scrupules op ‘faith-based intelligence’. Gray: ‘Met hun eschatologische verwachtingen geloven zij in de gevaarlijke mythe dat de geschiedenis een doel heeft.’ Die mythe kan geverifieerd noch gefalsificeerd worden met rationele argumenten. ‘Je hebt er niets aan.’ Maar politici van de twintigste en 21ste eeuw laten zich er wel door leiden. In zijn afgrijzen daarvan schuwt Gray de grote vergelijkingen niet. ‘Als er een historisch precedent bestaat voor Blairs systematische veronachtzaming van de waarheid, dan is het de sovjettijd, toen een generatie van westerse intellectuelen de ussr voorstelde als een volgende stap op de weg naar universele democratie.’

We praten met Gray over deze vergelijking. Dat mensen er niet van zijn geschrokken komt, beweert hij, door het geheugenverlies van de huidige generatie politici. ‘Vaak hoor ik mensen, en niet de minsten’, zegt hij verontwaardigd, ‘die doen alsof de twintigste eeuw vergeten en begraven is! Het is van de zotte dat recente gebeurtenissen aan moeten tonen dat de geschiedenis niet tot een einde komt. Dat hadden we uit historische ondervinding nu wel kunnen weten. Er komt geen apocalyptische eindstrijd waarin “vrijheid wint” of “vrijheid verliest”, zoals Bush zijn publiek voorhoudt. Dat het idee toch nog bij een miljoenenpubliek aanslaat komt omdat het appelleert aan een westers concept dat heel diep zit. Het werd geboren in christelijke manieren van denken en kreeg momentum met de Verlichting. Neem Fukuyama. Al is het inmiddels populair zijn essay Het einde van de geschiedenis belachelijk te maken, we begrijpen waar hij het over had. Het haakte aan bij een bekende manier van denken. Want niet alleen de neoconservatieve verdwazing van het moment, alle massabewegingen van de twintigste eeuw beloofden een nieuwe wereld, zonder staat. Zelfs het liberaal-humanistische geloof in langzame, incrementele vooruitgang heeft zijn wortels in christelijke narratieven. Het is een westers concept. Mensen in China, India of Japan weten niet waar je het over hebt. Het einde van de geschiedenis? Dan moet je gek zijn. Ook als je met mensen had kunnen praten van vóór de christelijke wereld, de Romeinen, Germanen, Grieken, hadden die je verbaasd aangekeken. Seneca, Marcus Aurelius, zij hadden een cyclische opvatting van geschiedenis. Naar mijn mening een veel zinvollere opvatting. Natuurlijk, vooruitgang in technologische zin is een feit. Er vindt een accumulatie van kennis plaats, waardoor er nu zeven miljard mensen op aarde kunnen leven. Maar in politieke geschiedenis is er nauwelijks sprake van vooruitgang. De stappen voorwaarts daarin kunnen ook zo weer verloren gaan, wat bij technologische (en inmiddels geglobaliseerde) kennis een stuk lastiger is. Neem het verbod op marteling dat kort na de Tweede Wereldoorlog onderdeel werd van wereldwijde internationale verdragen. Het is nu gerehabiliteerd. “Geherformuleerd” noemen de machthebbers dat. Terwijl het verbod juist stamt uit de Verlichting wordt het met een beroep daarop overtreden, in de onzalige gedachte de duistere barbarij eronder te houden met barbaarse praktijken als waterboarding en dergelijke. Dat is een duidelijk stap terug.’

John Gray: ‘Ethische vooruitgang is fragiel en vluchtig. De geschiedenis heeft geen interne logica die de mensheid helpt. Iedere verbetering is er slechts gekomen met bloed, zweet en tranen. En is ook zo weer tenietgedaan. Mijn eerste advies aan Brown zou luiden: Prepare for a bumpy ride. De vader van Bush was, direct na de val van de Muur, nog wijs geweest. Hij zei: “Dit is geen moment van triomf.” En: “Er komen nog veel moeilijke problemen.” Maar er dachten weinig mensen zoals hij. De meeste Amerikanen zagen de val van de Sovjet-Unie als een ideologische overwinning van het westers liberalisme. Terwijl de val van de Muur het hervatten van de “gewone” geschiedenis inluidde. En die bestaat niet uit een ideologisch debat. Gewone geschiedenis gaat over etnische conflicten, strijd om natuurlijke hulpbronnen, religieuze oorlogen. Alles dat al die tijd was weggestopt onder het sovjet-ijs. Maar dat zagen de liberale triomfalisten niet, zeker niet zij die het in Amerika in 2000 voor het zeggen kregen. Die hadden de verkeerde les getrokken uit de val van de Sovjet-Unie. “We hebben toen gewonnen, dan kunnen we nu opnieuw winnen”, was hun gedachte. En al-Qaeda werd tot de nieuwe vijand gemaakt, die op eenzelfde manier moest worden bestreden als het sovjetrijk. Dat leek geen moeilijke strijd, want de moslimfundamentalisten zijn zwakker dan de Sovjet-Unie was. Maar daar is een andere kant aan. Hoewel de Sovjet-Unie een effectief-repressieve staat was, met een gigantische macht, had ze geen enkele interne steun. Al vanaf het begin van de jaren tachtig hoefde het Westen helemaal geen gevecht van ideeën meer te winnen, omdat zelfs de nomenklatoera, en alle anderen die belang hadden bij het systeem, niet langer bereid waren de Sovjet-Unie als ideologisch concept te verdedigen. Bij de politieke islam is dat anders. Haar militaire en economische apparaat is zwak, maar ze heeft een massagevolg. Bestreed het Westen eerst een staat zonder steun, nu bestrijdt het een vijand die nauwelijks enige ingang heeft bij welke staat ook, maar die toch enorme steun geniet.

De ineenstorting van de Sovjet-Unie betekende niet de ideologische overwinning van de liberaal-kapitalistische samenleving, maar was het gevolg van enkele politieke gebeurtenissen.’ Gray somt op: ‘De plannen voor de ontwikkeling van Star Wars; de hardnekkige religiositeit van de Poolse bevolking en de steun van de paus voor Solidariteit; het nationalisme van de Balten; de fouten die het sovjetregime maakte op het einde, zoals Afghanistan. De Sovjet-Unie ging ook niet ten onder, zoals veel economen beweren, aan het gebrekkige economisch succes. Natuurlijk was hun economie van centrale planning inefficiënt, maar de Sovjet-Unie stortte er niet door in elkaar: dat was immers ook niet gebeurd tijdens de gigantische hongersnoden onder Stalin, toen de inefficiëntie nog veel groter was. Als je de bevolking voldoende geterroriseerd en ondervoed houdt, kun je het lang volhouden. Het ging pas mis toen Gorbatsjov begon aan hervormingen van het systeem – daar was dat systeem niet op voorbereid noch op gemaakt. Deze lieveling van het Westen demoraliseerde de heersende sovjetklasse onder meer door ze vrij te laten reizen. Zelfs zij die belang hadden bij het voortbestaan van de Sovjet-Unie zagen toen dat zelfs een lerares in een wijkschooltje in een probleembuurt in Engeland het beter had dan zij. Dat heeft te maken met een falende economie, zeker, maar zonder de politieke hervormingsdrift van Gorbatsjov was de nomenklatoera zich er niet bewust van geworden.

Maar omdat de val van de Muur werd gezien als een ideologische overwinning groeide het geloof in een onstuitbare opkomst van de liberaal-kapitalistische samenleving tot voorheen ongekende hoogten. Daardoor ontstonden simplistisch-hoogmoedige gedachten als: in Oost-Europa is succesvol geprivatiseerd, dan kan ook in Irak succesvol worden geprivatiseerd. Mensen vonden me te pessimistisch toen ik me aan de vooravond uitsprak tegen de invasie van Irak. Maar omdat duidelijk was dat we hier te maken hebben met gelovigen, die een religieus model van de geschiedenis hanteren, kon ik zeker weten dat het niet goed zou gaan. En dat er catastrofale fouten gemaakt zouden worden. Inmiddels blijkt het geloof even hardnekkig als dat van de eerste de beste christelijke of islamitische fundamentalist. Zo blijft de westerse wereld overtuigd van de these – in weerwil van massale falsificatie – dat economische groei altijd liberale waarden creëert en andersom. Zo blijven mensen over China zeggen: het moet wel westerse waarden gaan omarmen zolang het rijker blijft worden. Dat kan niet anders. Maar het kan wél anders. Hetzelfde hebben ze jarenlang over Rusland gezegd, en ook daar sloeg het nergens op. Een invloedrijke journalist als Thomas Friedman (auteur van de bestseller The World is Flat – pvo & hs) schaadt zijn reputatie niet meer door voortdurend te herhalen dat China zal veranderen in een liberaal-kapitalistisch land, uitgerust met westerse waarden. Je kunt nu al zien: de teleurstelling dat dit niet gaat gebeuren zal leiden tot een fel anti-Chinese stemming. Je ziet het al bij Rusland. Het geloof bleek vals en de onvermurwbare overtuiging sloeg om in morele paniek. Over twintig jaar is de grootste vijand niet de moslimwereld, maar China. Dat is makkelijk te voorspellen. Net als de voorspelling dat niet alleen Iran, maar ook de Irakezen uiteindelijk de schuld zullen krijgen van de ellende in hun land. Want het zal nooit aan onze uitgangspunten en intenties liggen.’

John Gray: ‘Ik betreur het dat de westerse opinie altijd door die volstrekt voorspelbare cycli moet gaan van onrealistische verwachtingen gevolgd door morele paniek. Kunnen we niet met realistischer verwachtingen beginnen en dan realistischer omgaan met gebeurtenissen die komen? Ik vrees het ergste. Nu word ik vaak een pessimist genoemd, maar ik ben dat slechts in één opzicht. Wat betreft de essentiële elementen van de ethiek, politiek en menselijke psychologie zal de toekomst hetzelfde zijn als het verleden. Dat inzicht is helaas te pessimistisch voor veel mensen.

En wat brengt optimisme ons? Neem het milieu. Klimaatverandering is een veel grotere bedreiging dan de politieke islam. Daarom moeten we voorzorgen nemen, inspelen op de consequenties van global warming, meer kernreactoren bouwen, minder afval produceren. Milieuactivisten zullen hun historisch bepaalde afkeer tegen nieuwe technologieën moeten laten varen en de rest van de mensheid moet ophouden in morele termen over onze impact op de natuur te praten. Moeder Aarde is totaal niet geïnteresseerd in onze morele opvattingen, onze zondes of overtuigingen. Ze is alleen maar geïnteresseerd in wat we doen, niet in wat we denken. Ik denk dat Nederland in dit aspect verder is dan Engeland en Amerika. Omdat jullie al langer de kracht van de technologie kennen om de natuur niet alleen geweld aan te doen, maar ook naar je hand te zetten. Dat geeft je kracht om te gaan met nieuwe uitdagingen, ook die de bevolkingsgroei ons stelt.

Ik ben geen historisch determinist; er is niets onvermijdelijks aan de menselijke geschiedenis. Maar terwijl ik dat zeg, bevestig ik ook dat ik niet zie hoe Amerika nog uit Irak kan komen zonder escalatie van het conflict. Met een de facto onafhankelijke Koerdische staat die Turkije zorgen baart; een sterker geworden Iran; de complete onttakeling van de Iraakse staat; de Iraakse sjiieten geëmancipeerd. Ga zo maar door. Bovendien blijkt uit de geschiedenis dat het nagenoeg onmogelijk is een counter-insurgency-oorlog te winnen.

Je kunt tegenwerpen dat Irak gewoon een groot Libanon wordt, een grote chaos, maar niet direct wereldbedreigend en geen humanitaire ramp van de hoogste orde. Maar ook dat is een te rooskleurig beeld. Want Libanon beschikt niet over een grote olievoorraad. Irak wel, waardoor de omringende landen zich direct in de binnenlandse chaos zullen mengen, voor de oorlogsbuit. Daarom gaat ook de vergelijking met Vietnam niet op. Bovendien was er in Vietnam een goed georganiseerde, zelfs meedogenloze staat in het Noorden die de zaak overnam. Dat is in Irak niet zo. Dus de Amerikanen kunnen het niet stabiliseren, maar ze kunnen er ook niet zomaar uit. Het enige uitzicht op een werkbare toekomst ontstaat als Amerikanen en Britten – of het hele Westen – erkennen dat de bezetting van Irak een zinloze onderneming was en Iran er als grote winnaar uit te voorschijn komt. Zo’n erkenning maakt het mogelijk realistisch naar het conflict te kijken. Daardoor kan er wellicht via onderhandelingen nog worden gezocht naar de minst ondraaglijke uitkomst.

Maar deze erkenning is ver weg. De neoconservatieven leven in ontkenning. Ze geven nu de schuld van de mislukking in Irak aan Iran, terwijl van tevoren duidelijk was dat Iran de grote winnaar zou worden van deze oorlog. Dat was ook de aanvankelijke reden voor de westerse politiek, Rumsfeld incluis, om Saddam Hoessein te steunen, als tegenwicht tegen Iran. De neoconservatieven houden van gokken, ze geloven in hun zaak, en met slechte kaarten zetten ze nu in op verdubbeling van de inzet. Ik denk dat er een serieuze kans bestaat op een aanval op Iran, wat een enorme escalatie van het conflict tot gevolg zal hebben.

Zo’n aanval is momenteel niet populair onder het Amerikaanse kiesvolk. Maar tegelijk zie ik in dat land nog niet de erkenning groeien dat de oorlog werkelijk volledig is mislukt. Oké, Amerikanen hebben hun vertrouwen in Bush als oorlogsleider verloren. Maar ze denken nog altijd dat Amerikaanse macht voor een goede uitkomst kan zorgen. Zelfs de realistische positie van oud-minister Baker – met diplomatie aan het werk – zal slechts werken op die ene voorwaarde. De erkenning dat Iran de winnaar is en binnenkort zelfs een olierijke nucleaire macht. Dat is voorlopig nog te vernederend voor de Amerikanen om in te zien. Nee, ik zie geen enkele hoop voor de nabije toekomst.’