Interview met Nik Christensen

‘Optimisme komt niet vanzelf’

Nik Christensen houdt niet zo van vragen over de betekenis van zijn werk. Hij heeft nooit getwijfeld over wat hij wilde doen in het leven: tekenen. ‘Die ezel, dat is geen profeet.’

Het is een van de eerste warme lentedagen van het jaar. De hoge ramen van de studio van beeldend kunstenaar Nik Christensen (Bromley, Engeland, 1973) in de Amsterdamse Pijp staan wijd open. Het rumoer van buiten stroomt met het zonlicht mee de grote, hoge ruimte in: het geroezemoes van de bezoekers van de Albert Cuyp-markt even verderop, het vrolijke gepraat en geroep op het caféterras op de hoek, het opgewonden gekoer van duiven, een driftig claxonnerende auto, hondengeblaf, uit een raam driehoog aan de overkant een stem die iets dringends naar beneden roept, kinderstemmen, het aanzwellende gedreun van een verkeersvliegtuig.

Uit een gettoblaster op de vloer onder het raam klinkt hiphop. ‘Ja, hiphop, daar luister ik veel naar’, zegt Christensen. ‘Het meer obscure werk dan. Niet wat je op radio en tv hoort. Ik ben vooral geïnteresseerd in de teksten.’

Tekst in het algemeen inspireert hem meer dan beeldende kunst. In New York, waar hij verbleef van 2002 tot 2004, maakte hij voor het eerst poetry slams mee.

Nik Christensen: ‘Dat was geweldig, echt een eye-opener. Dat directe, die energie, dat geen-blad-voor-de-mond-nemen, dat hup! voor de dag ermee, dat helemaal in het moment zijn, zo moest… zo wilde ik het ook met mijn werk, realiseerde ik me. Ik voel met dat soort podiumdichters een grote verwantschap.’ Hij zet de muziek uit, vertelt wat hem verder inspireert: de hoorspelen van Samuel Beckett bijvoorbeeld, Antonin Artauds Theater van de wreedheid. Toch komen in zijn eigen tekeningen geen teksten voor.

Hij kijkt verbaasd op bij deze constatering, alsof hem iets verweten wordt. ‘Het gaat me om de beelden, om de poëzie dáárvan.’

Aan de twee lange wanden hangen vier werken waar hij mee bezig is. Eén dat klaar is, ligt opgerold in een hoek. In een andere hoek liggen verscheurde tekeningen: details van mislukkingen die hij denkt te kunnen gebruiken als sjablonen voor volgend werk. Verscholen onder een tafeltje naast de gettoblaster staan een stuk of twintig aandoenlijke, bijna levensgrote konijnen van wit cement. ‘Nee, nee’, lacht Christensen, ‘die hebben niks met mijn werk te maken. Die zijn over van mijn huwelijk een jaar geleden. Daarvan heb ik er toen een groot aantal gemaakt, om na afloop aan de gasten mee te geven.’

Christensens tekeningen – drie bij drie meter is niet ongewoon – zijn een stuk duisterder: naargeestige, apocalyptische landschappen in sumi-inkt en ecoline: kaal hooggebergte, zompige vlaktes, ontboste heuvels, amfitheaters van brokkelig steen. Hevige regen komt in stromen loodrecht omlaag uit onheilspellend donkere wolkenpartijen, grote zwermen vleermuizen verduisteren de horizon, dikke rookwolken kolken omlaag langs kaalgeslagen hellingen. Als er al begroeiing is, dan zijn het hoge, dunne bomen met kaarsrechte, gladde stammen, meedogenloos strak in het gelid. Nergens beschutting.

De menselijke figuren in deze verlatenheid schuilen onder paraplu’s of hebben lakens over hun hoofd gedrapeerd. Van geen is het gezicht te zien, beter gezegd: geen ervan heeft van Christensen een gezicht gekregen. Er zijn er zelfs wier hoofd letterlijk in rook is opgegaan. Eén enkele figuur springt eruit: ontegenzeggelijk een mens, een man, gekleed in keurig pak of nette regenjas, maar met een ezelskop, de oren recht omhoog, de snuit verborgen in een emmer. Hij doet ook denken aan een haas, zo met die oren overeind, of aan een wolvenjong, als hij wijdbeens gehurkt zit, steunend op zijn vingertoppen als een welp. Soms is hij kruipend afgebeeld, als in wanhoop, met handen klauwend in de aarde, soms fier rechtop, met geheven rechterarm, de wijsvinger vermanend in de lucht gestoken: orerend tegen dovemansoren.

‘Nee’, zegt Christensen, ‘die ezel, dat is geen profeet, zo moet je het niet zien. Of zo mag je het wel zien, maar voor mij is hij neutraler. Het is een verslaggever, een getuige. En nee, dat ben ik niet zelf. Ik zou het eerder een goeie vriend willen noemen.’

Op vragen waar zijn motieven vandaan komen, waarom hij juist deze somber stemmende beelden kiest, waarom hij maakt wat hij maakt, reageert Christensen ontwijkend. Natuurlijk, veel mensen vinden de wereld die hij hun voorschotelt eng en sinister, maar het gaat net zo goed over hoop, benadrukt hij, over optimisme: ‘Dat optimistische leg ik mezelf op, natuurlijk. Optimisme komt niet vanzelf.’ Hij zwijgt, zoekt naar woorden, steekt een sigaret op, kijkt uit het raam. ‘Er zitten twee kanten aan het verhaal. Daarom wil ik geen categorische uitspraken doen over mijn werk. Natuurlijk, je kunt zeggen dat al dat water… die neerstromende regen, die emmers overal om het in op te vangen, de paraplu’s die je overal ziet… dat water een thema van me is… water is ook belangrijk in de wereld en wordt steeds belangrijker… het is een essentieel gegeven… maar je moet er niet te ingewikkeld over doen. Ik maak geen politieke kunst, mijn werk gaat niet over natuurrampen. Ik hoop dat mijn werk onbepaalder is, poëtischer. Die regen is niet per se zure regen, het kan ook drinkwater zijn.’

Stilte. Dan: ‘Ik wil niet te veel over die dingen nadenken, over waarom ik doe wat ik doe. Op een gegeven moment wil je je niet meer van alles afvragen. Het mooiste is als al die overwegingen er niet zijn, dan ben je gewoon aan het werk, basta.’ Vandaar ook de keuze om alleen nog in zwart-wit te werken. Ooit heeft hij wel met kleur gewerkt, maar daar is hij mee opgehouden: ‘Ik raak alleen maar in de war van kleur.’ En dat je die inkt aanlengt met water, veel water vaak, heeft als voordeel dat het materiaal voor een deel zijn eigen gang gaat, dat je de controle verliest over hoe het beeld wordt. Hij zegt het nog maar eens: ‘Het enige wat ik doe is werk maken. Natuurlijk maak ik keuzes, neem ik beslissingen, maar dat gebeurt al doende. Ik ben opgehouden me steeds vragen te stellen over mijn werk. Het antwoord op al die vragen is: werken.’

Vroeger, dat wil zeggen tot zo’n twee jaar geleden, was dat anders. In 2000 studeerde hij af aan de Rietveld Academie. ‘De jaren daarna heb ik gezocht en gezocht. Ik was nooit tevreden. Veranderde voortdurend. Kon geen keuzes maken. Of koos te vaak. Steeds moest het anders. Dat had ik op de academie al. Om op één manier te werken, zogezegd “je eigen specifieke ding te doen” als kunstenaar, dat leek me verschrikkelijk. Ik moest continu dingen uitzoeken, twee maanden dit, dan weer dat, kijken hoe bepaalde dingen gemaakt werden, puur technisch soms, maar ook… ik voelde dat de beeldentaal die ik hanteerde niet van mij was. Ik heb er lang over gedaan om mijn eigen materiaal en thematiek te vinden. Maar ik heb ook nooit haast gehad. Je moet het in je eigen tempo doen, je kunt jezelf niet dwingen.

In New York ben ik veel op papier gaan werken. Heel veel kleine schetsen – de ezels zijn toen ontstaan – maar ook op grote formaten. Die keuze maakte zichzelf. Het had met snelheid te maken. Niet goed, weg ermee. Dat doe je met doek niet zo gauw. Inkt had datzelfde: snelheid. Ik was toen assistent van Pat Steir. Had ik doeken voor haar geprepareerd, kwam zij binnen, pakte een kwast, ratsj, ratsj, drie strepen, klaar. En goed werk, hoor! Terug in Amsterdam ben ik uitsluitend op papier gaan werken, kleur heb ik er al snel helemaal uitgegooid. Dat was bevrijdend, een soort erkenning van mezelf. Daarna heb anderhalf jaar alleen maar getekend, tien uur per dag.’ Het resulteerde in zijn eerste grote solopresentatie, afgelopen herfst bij Gabriel Rolt in Amsterdam.

Nik Christensen: ‘Ik heb nooit getwijfeld over wat ik wilde doen in het leven: tekenen. Dat was mijn enige zekerheid vroeger. Dat was waar ik het meeste plezier in had. Verder hoefde het voor mij niet te gaan. En dat geldt nog steeds. Dat is ook het geweldige van die inkt. Daar is zo veel in mogelijk, dat is een enorme rijkdom. Met inkt werken is puur genieten.’ Inkt gaat z’n eigen gang. Dat betekent dat hij ook toeschouwer van zijn eigen werk is: ‘Jij maakt het én het gebeurt.’ Hij is nieuwsgierig naar wat er van zijn tekeningen overblijft als hij de figuren weglaat. Of ze dan nog dezelfde kracht hebben, of misschien juist nog krachtiger zijn: ‘Ik weet dat het daar naartoe gaat.’ Het één vloeit uit het ander voort.

Hij wijst op een grote, levensechte vleermuis van zwarte kunststof die in een verre hoek van de studio hangt: ‘Dat is een model nog. Hij gaat hol gegoten worden, zodat er een container in kan. Daar komt dan inkt in, die eruit drupt. Er komt een emmer onder te staan.’ Het zullen er verscheidene worden, hoeveel kan hij niet zeggen: ‘Dat is site-specific, dat gaat afhangen van de ruimte waarin het wordt geïnstalleerd. Ja, een ruimtelijk werk, een installatie, voor het eerst. En ik ben met nóg een installatie-idee bezig.’

Zijn stem klinkt enthousiast en bezorgd tegelijk: ‘Ik moet er voorzichtig mee omgaan. Ik moet niet weer in die val lopen van vroeger, toen ik van het één naar het ander sprong.’ Dan lijkt hij zich te bedenken: ‘Ach, je hoeft natuurlijk niet te kiezen. Als je het ene doet hoef je het andere niet te laten.’

Het klinkt opgelucht: ‘Ik sluit zelfs niet uit dat ik ook nog wel weer ’s kleur ga gebruiken.’

Werk van Nik Christensen is te zien tijdens Art Amsterdam (9 tot 13 mei) bij Galerie Gabriel Rolt[. www.nikchristensen.com]( www.nikchristensen.com)