Opwaarts gekleurd

De nieuwe sierlijke Rothschild Bank in Londen van Rem Koolhaas doet denken aan de ranke dozen van Donald Judd.

De onvergetelijke Donald Judd is binnenkort alweer achttien jaar dood, maar de klare rijkdom van zijn kunst is nog steeds voorbeeldig - ook al zie je zijn werk niet meer zo vaak. In de kunst gaat het, net als in de wereld, nerveuzer toe dan ooit. In de context van onophoudelijke nieuwigheid lijkt de stabiele kracht van Judds werken, en de wonderlijke onverzettelijkheid ervan die mij zo bevalt als de stevige muziek van Bach, nu onbruikbaar en ouderwets. Want wat moet je met een abstracte sculptuur als Untitled als je ook de veel lolliger inventies hebt van bijvoorbeeld Maurizio Cattelan die dezer dagen in de oudjaarbijlagen alom werd bejubeld?
De genoemde Judd bestaat uit zes dozen van roestbruin cortenstaal van 50 x 25 x 25 centimeter die met regelmatige tussenruimtes, gelijk aan de hoogte van zo'n element, van beneden naar boven op de wand zijn bevestigd. Dat is de vorm van het werk. Maar dan is er nog de kleur. Tegen de achterwand van elke doos zit een dunne plaat plexiglas in, van onder naar boven, de kleuren blauw, geel, zwart, groen, wit, rood. Omdat hun materiaal zo glad is en licht weerkaatst hebben de kleuren een wat dunne, ijle glans. De dozen zelf zijn een mat fluwelig roestbruin dat niet straalt maar licht absorbeert. Hun intieme interieur bestaat daarom vooral uit schaduw - en in die stille schemer zien we dan die kleuren zacht glanzen. Elk van hen glanst anders: het helderst zijn geel, wit en rood. Blauw en groen glanzen donkerder, hoewel groen koeler is dan blauw. Het licht van zwart is raadselachtig. Als ik naar het werk kijk, zie ik een gestage geometrische regelmaat van zes geometrische vormen en de intervallen daartussen. Maar ook zie ik de geheimzinnige melodie van de gloedvolle kleuren in hun schemering.
De strakke beslistheid van de term minimal art die vaak voor Judd wordt gebruikt, doet in ieder geval geen enkel recht aan de fijnzinnigheid van de kleur in zijn werk. Omdat de vormgeving van Untitled er zo afgemeten uitziet, heb ik toch ook gekeken of er enig systeem in de ritmiek van de kleurgeving was te ontdekken. Dat was niet zo. De sculptuur is trouwens uit zijn late jaren toen hij veel minder streng aan het worden was. Ik weet ook dat Judd (misschien om sentiment te vermijden) bij voorkeur gebruik maakte van materialen en ook kleuren die gewoon in de handel voorhanden waren. Maar niet zomaar: in zijn werkplaats lagen op grote tafels allerlei stalen, bijvoorbeeld van gekleurd plexiglas dat niet alleen in allerlei kleurvarianten verkrijgbaar was maar ook in verschillende dikte en doorzichtigheid. Die werden uitgeprobeerd. Op multiplex gebruikte hij meestal een lichter soort omdat dan de warme oppervlakte van het hout nog meespeelde in het coloristisch effect. Het perspex in Untitled is vrij stevig, want in de donkerbruine ruimte van de dozen wilde hij eerder krachtige kleuren. Dat komt omdat er in dit werk volgens mij nog een andere esthetische overweging een rol speelde: ik denk dat Judd iets wilde maken dat er vooral rank en sierlijk slank zou uitzien. Dat was zijn idee. Zo werken de kleuren ook. Tussen het donkere blauw van de nacht onderaan naar het stralende rood van de middag bovenin, met de glanzende kleuren daartussen, ontstaat er een luchtige opwaartse beweging in het werk. Die rankheid is het effect van de kleuren en vooral van hun lichtheid. Ze tillen de rechthoekige vormen op.
Ik dacht weer aan deze mooie sculptuur van Judd toen ik een foto zag van een nieuw werk van Rem Koolhaas (en zijn bureau OMA) in Londen - het nieuwe gebouw van de Rothschild Bank, op de oude plek in de City. Het gebouw van Koolhaas is, net als de Judd, vooral ook erg slank. Dat heeft te maken met de kleur ervan en met de smalle, rechthoekige, bijna frêle geleding van de glazen gevel. Die is zo licht dat het gebouw sierlijk naar boven gaat en, met die rankheid, gaat fungeren als een nieuwe versie van de toren van St Stephen Walbrook, een klein juweel (1672-77) van Sir Christopher Wren, de architect ook van de beroemde St Paul’s Cathedral, met veel andere kerken door hem ontworpen na de Grote Brand van Londen in 1662. Toen Koolhaas bezig was met zijn ontwerp, dat kun je zien, hield de sierlijkheid en de kwaliteit van de oude kerktoren hem bezig. Om een antwoord te vinden van gelijke slankheid in een modern idioom kwam ook hij, in zijn rondkijken, denk ik, uit bij zulke verticale werken van Donald Judd - omdat je daar niet omheen kunt. Koolhaas heeft zijn hoge toren, in die stedelijke omgeving, gedacht als zo'n voorname sculptuur, en wie weet ook getekend met potlood.