Opzij! een kat in nood!

HET REGENT. Natuurlijk regent het. Op dagen als deze regent het altijd. Deze dag is te grijs - donker donkergrijs - om een naam te hebben. Het is zo'n dag zonder gezicht, zonder wat dan ook. Het is zo'n dag die je ogenblikkelijk vergeet als er niet iets gebeurt dat het herinneren waard is.

Het openen van de ogen, na te lang treuzelen, wordt begeleid door een documentaire (de radio stond nog aan toen ik wakker werd) over een dierencrematorium in Het Gooi. (Crematie vogel, cavia of konijn, Ÿ35,-; crematie kat of zeer kleine hond: Ÿ92,50; kleine hond: Ÿ115,-; middelgrote hond: Ÿ145,-; grote hond: Ÿ165,-; crematie zeer grote hond: Ÿ199,-.)
Een medewerker - suppoost? directeur? grafdelver? ovenstoker? koffiemeneer? - vertelt over mensen die daar hun huisdier komen brengen als het de laatste adem heeft uitgeblazen. Er zijn veel mensen die dat doen. Slechts weinigen opteren voor biobak of stortkoker na het overlijden van het beminde beest. Natuurlijk wordt op gezette tijden een gup of goudvis door het toilet gespoeld, jawel, maar waar het serieuze dieren aangaat, ‘en dan spreken we van een hond, een kat, een hangbuikzwijn of wurgslang’, is het dierencrematorium steeds gewilder geraakt in de afgelopen jaren. Als je ziet, zegt de man, hoeveel verdriet mensen hebben om de dood van hun huisdier! Verschrikkelijk, soms. Het klinkt raar, zegt de man, maar vaak vraag ik me af of die mensen ook zo hard hebben gehuild toen hun moeder doodging.
Maar de omgeving is prachtig, hier. Natuur zo ver het oog reikt, bomen en struiken (groen) alom. Geen auto- of anderszins ronkend verkeer. Diepe, diepe stilte.
OP DE RADIO vertelt een mevrouw: 'Nee, ik ben vreselijk blij dat ik hem hierheen kon brengen. Stel je voor. Hij is mijn beste vriend. Ik zal u eerlijk zeggen, en ik meen het echt waar, dat ik liever dieren heb dan mensen. Ja, echt waar. Hij was alles voor me. Toen mijn man doodging heeft hij me erdoorheen gesleept. Hij was mijn allerbeste kameraad. En zo'n beestje gun je dan toch een mooie begrafenis? Het kost een paar centen, maar dat is het dubbel en dwars waard. Het allermooiste is dat Vlekkie nu hier is. Het is hier prachtig. Als je dat vergelijkt met Amsterdam… Die mooie bossen hier, al die natuur. Ja, het klinkt misschien gek, maar Vlekkie was net als ik écht een natuurmens. Ja. Een echt natuurmens.’
Zouden alle dieren die in Amsterdam wonen diep in hun hart een natuurmens zijn? Zouden ze niet vanaf het eerste moment in deze stad volkomen verknipt zijn? Het kan toch bijna niet anders of Amsterdamse huisbeesten zijn totaal krankzinnig? Voor mensen is het wonen in onze hoofdstad vaak al zenuwslopend, laat staan voor een gezelschapsdier.
Je bent een golden retriever en je woont driehoog achter in de Kinkerstraat. Of je bent een leguaan in Buikslotermeer. Logisch dat er tegenwoordig psychiaters voor dieren zijn. En cursussen hondevoer. En workshops Siamees & Pers. En verenigingen voor bejaarde woelmuizen. Logisch dat er opvangcentra zijn voor doorgedraaide knaagdieren, of de Stichting Babydier, of Stichting Knabbel & Babbel.
Logisch dat er een dierenambulance is.
VROEG OF LAAT komt elk Amsterdams dier in aanraking met de dierenambulance. En ze laten daar geen enkel dier links liggen. Uit het rittenoverzicht 1997 (zo'n 15.000 ritten per jaar) blijkt dat in de eerste tien maanden van dit jaar werd uitgerukt voor onder andere: zwerfhond (levend), 99 maal; zwerfhond (dood), 54 maal; zwerfkat (levend), 896 maal; zwerfkat (dood) 690 maal. Hond (overleden) afstand, 95 maal; kat (overleden) afstand, 239 maal. Hond (zw) i.o.v. politie, 150 maal; kat (zw) i.o.v. politie, 73 maal. Kat (vangen), 18 maal. Anders (klinisch), 74 maal.
Maar niet alleen voor honden en katten staat de ambulance 24 uur paraat!
Duif, 1867 maal levend, 135 maal dood Grutto, 1 maal Koperwiek, 1 maal, waarvan 1 dood Aapje, 25 Anolis, 1 Aquaria, 0 levend, 0 dood Hagedis, 0 levend, 0 dood Kaaiman, 1 levend, 0 dood
De fotograaf wil een kaaiman. Al bij de ochtendkoffie maakt hij zijn wens kenbaar. Een kaaiman voor een goeie foto. Want alleen katten en honden, daar hebben de mensen niets aan.
'HET LEUKST zijn ontruimingen’, zegt Yvonne van de dierenambulance. Net als haar collega Alga kent Yvonne veel dierenverhalen. Bij ontruimingen moet de dierenambulance het leeggehaalde pand - huurschuld (i.o.v. politie), overlijden - ontdoen van achtergebleven dieren. 'Ik kan je daar verhalen over vertellen’, meent ook Alga. En dat doet ze met verve.
Over die ene keer dat ze een aquarium vol piranha’s moesten ophalen. (Eerst koud water erbij doen, zodat de vissen verdoofd raken. Dan opscheppen.)
Over die keer dat een man van de politie met een plastic bakje in zijn hand kwam aanzetten: 'En dit? Wat is dit?’ Eigenlijk durfde niemand de schorpioen zomaar aan te pakken.
Of die keer dat ze met z'n tweeën door een huiskamer moesten banjeren waar een onwelriekend mensenlijk lag (1, dood). Niemand trok zich iets aan van de overledene, hier waren dieren in het spel!
Ja, iedereen begint hier te werken uit dierenliefde. Pure dierenliefde. Maar dat gaat er in de loop der jaren wel af.
O ja?
Ja. Het wordt gewoon werk. En je kunt niet al het leed mee naar huis nemen. Dan heb je geen leven meer.
Yvonne en Alga kunnen het wel beamen: dierenliefde gaat soms wel erg ver. ’“Positieve mishandeling” noemen wij dat. Dan kom je honden tegen die niet meer kunnen lopen omdat ze zo dik zijn. Die eten dan gewoon mee met hun baasje. Ik een koekje, de hond ook een koekje. Ik andijviestamppot, de hond ook andijviestamppot. Zo'n beest moet je dan inslapen, dat kan niet anders.’
Dat zou ik ook wel willen. Dat iemand mij inslaapt.
De fotograaf wil een kaaiman, zegt hij. Wanneer komt er nu een kaaiman? vraagt de fotograaf.
VROEGER DACHT IK wel dat Sartre het goed gezien had toen hij (in zijn toneelstuk Huis clos) de hel definieerde als: 'L'enfer, c'est les autres.’ Ha! Nou, mooi niet. L'enfer, c'est iets heel anders. L'enfer, c'est als je achter in de dierenambulance zit - de fotograaf zit voorin; hij wil een kaaiman - en net bij de spoedkliniek een kat hebt opgehaald met een doorgezakte voorvoet of zoiets.
De dierenambulance is uitgerust met een EHBO-koffer, een zuurstofinstallatie, een groene brancard (voor dieren, dood), een grijze brancard (dieren, gewond maar(levend), muilkorven, zakken (crematie, klein), teenkaartjes en touwtjes, dekens max. 3, handdoeken max. 4, een groot vangnet, een kattetang (waar ik euforische visioenen van krijg: aan het eind van de stok zit een scherpe metalen knijper; die leg je om de nek van het beest, je knijpt en…), vangstok (klein), vangstok (groot), verlengstuk, pikhaak, een aanrecht en desinfecterende zeep.
De hel is een kat met een verstuikt middenvoetsbeentje of zoiets, die niet miauwt, nee, die gilt en snerpt en merg-en-beent als een peuter in een snelkookpan. Die kat stopt alleen met krijsen om adem te halen. En ik zit daar recht boven.
Ik hou niet van katten. Ook niet van honden. Ik weet me nooit raad met huisdieren. Ik begrijp ze niet, en zij mij ook niet.
Als ik iemand ontmoet met een hond, een heel aardige hond die niks doet, dan weet ik nooit hoe ik me moet gedragen. Dan voel ik me opgelaten. Aaien vind ik hypocriet: ik heb helemaal niet de behoefte om te aaien, en als ik dat toch doe, dan heeft die hond dat vast in de gaten - want honden voelen dat - en dan bijt-ie me alsnog.
Katten vind ik nare beesten. Ze nemen iedereen in de maling. Ze voeren geen moer uit, zijn arrogant en eng. Het was een kat die mijn stervende vader de stuipen op het lijf joeg, misschien meer dan de naderende dood: het vervloekte beest kwam telkens op zijn bed zitten en staarde hem strak aan met die valse ogen van hem. Het dier overleefde mijn vader. Moge het branden in de hel.
DE HEL WAAR IK me nu in bevind gaat steeds harder rijden. Toen we instapten met de krijsende kat met de gedeukte knie of zoiets kwam er een noodmelding binnen: in de Staatsliedenbuurt was er een spoedgeval. 'Rit 53, …straat 49. Er is een kat gevonden met een blikje op zijn kop.’
Yvonne zit achter het stuur. Ze start de ambulance. Nog nooit heb ik Amsterdam zo snel langs zien komen. Van de Weesperzijde tot de Van Hallstraat in een minuut of vier. Als Yvonne de verkeerslichten had gezien, had ze opgemerkt dat ze allemaal rood waren. Maar ze rijdt te hard om dat te kunnen opmerken.
Vanaf mijn zitplaats achterin - de kat met de gebroken teen zaagt mijn zenuwen aan flarden, steeds harder, steeds harder - zie ik hoe fietsers inhouden, hoe voetgangers terugdeinzen als ze ons zien en horen aankomen. Auto’s stoppen met piepende remmen. Kruisingen worden vrijgemaakt. Want hier komt de dierenambulance.
Horsepower! Hier komen wij, de dierenambulance! Harder kunnen we niet. Aan de kant! Uit de weg! Een klein meisje op een step valt om, ze dreunt met haar hoofdje op de stoeprand. Yvonne schakelt en steekt blind de kruising Bilderdijkstraat-De Clerqstraat over. In onze slipstream zie ik een pizzakoerier vertwijfeld zijn handen heffen. Zijn stuur slaat om en de jongen schuift onder tram 12.
Maar wij moeten verder. Wij zijn de dierenambulance. Maak plaats. Opzij. Er is een kat met een blikje over zijn kop! Onze hulp is nodig!
De fotograaf vraagt of we nog een kaaiman krijgen. Want alleen katten en honden, dat…
Op twee wielen door de bocht. Volgens de reglementen mag de dierenambulance niet zijn zwaailicht gebruiken. Hoe ver is het nog? Het kan een kwestie van seconden zijn. Een kat met een blikje op zijn kop kan stikken. (Waarschijnlijk was het beest hongerig, gulzig, en wilde het het onderste van de Whiskas hebben. Toen kreeg het het lid op de neus.)
Moet ik de EHBO-koffer pakken? De zuurstofinstallatie? Of hou ik de afzuigset gereed, bedoeld om de maag mee leeg te pompen?
DE FOTOGRAAF wil een kaaiman. Ik wil niks. Ik probeer niet te horen hoe de kat met de geamputeerde enkel mijn bloed aan de kook probeert te brengen. Ik probeer in gedachten Huis clos te reciteren. Ik moet me ergens aan vasthouden. L'enfer, c'est les autres. L'enfer, c'est echt waar les autres. L'enfer, c'est heus niet een kat die onophoudelijk gilt en snerpt en krijst.
Dat is het wel.
Nog een kilometer. Het autobestuurtalent van Yvonne is groot. Ze rijdt onnavolgbaar. De auto schudt en stuitert. De fotograaf en Alga hobbelen heen en weer op de voorbank. Ik word in een scherpe bocht van de bank af gezwiept, tegen de schuifdeur aan. Mijn opkrabbelen wordt gepast begeleid door het geluid van…
Piepend en schuivend komen we voor het betreffende pand tot stilstand. Deuren worden opengegooid. Ik spring naar buiten. Voor me zie ik de fotograaf naar het huis rennen, camera in de aanslag. Hij hijgt: 'Ik hoop dat we gauw een kaaiman krijgen!’
Achter hem aan stommel ik de donkere gang in. Yvonne en Alga zijn al in het benedenhuis verdwenen. Elke seconde kan de laatste zijn voor het dier dat wij nu komen redden. Maak plaats! Waar is de kat? De kat met het blikje op zijn kop?
In de deuropening van de Staatsliedenhuiskamer blijf ik staan. Vier bewoners lopen rond in ochtendjas, de haren nat. Bij de leren tweezitsbank knielen Yvonne en Alga. Ze aaien iets, zo te zien. Ze spreken kalmerende woorden. 'Ja stil maar, hoor. Stil maar.’ Als ze allebei overeind komen, zie ik op de bank een witte kat liggen. Hij kijkt me recht aan. Met een valse, arrogante, uitdagende blik kijkt hij juist míj aan, van iedereen in de kamer. Verbeeld ik me het of speelt er inderdaad een sadistische glimlach om zijn mond?
'Ja, nee, dat blikje dat heb hij daarnet losgeknipt. Niks aan de hand.’
Uit de verte, door de openstaande voordeur, hoor ik het geluid van de hel.