De poëziezomer van Watou

Opzij van het kijken: Watou

Het motto van de 23ste poëziezomer van Watou is «opzij van het kijken». Gwy Mandelinck verzamelde 39 dichters. Geweldenaar Jan Hoet en gastcurator Michel Dewilde selecteerden werk van veertig beeldend kunstenaars. De kern van Watou is een wereld van schoonheid waar de vergankelijkheid doorheen schemert, waar «de veerman dronken in zijn schip ligt» en onze zielen zinken als stenen.

Het motto van deze poëziezomer komt uit een versregel van Eva Gerlach. Het gedicht waaruit het afkomstig is, grijnst je in precieze handgeschreven lettertjes tegemoet in het Douviehuis, als schaduwen die door het zonlicht worden neergeworpen:

Rand

Wat je nu zegt verplaatst lucht

over een kleine afstand,

kleiner naarmate je zachter,

haastiger praat:

«tot waar het weer waait.» Een plek

opzij van het kijken.

Verwachting loopt naar de rand.

Niet te bereiken.

De poster voor Watou 2003 is een hoppeveld in de winter, kaal en erbarmelijk als een concentratiekamp vol hoge palen en op prikkeldraad gelijkend touwgerei.

Gwy Mandelinck: «De huidige poëziezomer is minder cerebraal dan vorige versies. Hij is wreder en somberder van aard. Met pastoraliteit en rust heeft dit alles niks meer te maken. Vergeet niet dat een groot deel van deze tentoonstelling is geconcipieerd terwijl de oorlog in Irak aan de gang was. Dat heeft beslist zijn sporen nagelaten. Het s.o.s., dat de laatste maanden op onze planeet te horen was, werd naar de kunstenaars toe gefluisterd. Toch wilden we niet zozeer met Irak zelf bezig zijn, als wel met thema’s die universeel zijn. De oorlogen en conflicten die woeden binnen in de mens.»

Misschien is de alomtegenwoordige grimmigheid ook een resultaat van het feit dat het voortbestaan van de poëziezomers van Watou voor de derde keer op rij aan een zijden draadje is komen te hangen. Gwy Mandelinck brak dertigduizend euro uit eigen middelen aan om daarmee de meest recente versie van «zijn zomergedicht» veilig te stellen. De problemen bleven aanhouden. Eerst waren er de biofanaten van Gaia, die de plannen dwarsboomden van een poëziezomer waarin de getatoeëerde varkens van kunstenaar Wim Delvoye een prominente rol zouden spelen. Daarna waren er de provinciale autoriteiten die dreigden het herdenkingsraam voor Eddy van Vliet af te breken omdat het illegaal zou zijn geplaatst.

De lijfelijk aanwezige poëzie associëren met plastische kunst blijft de grote uitdaging van Watou. Het gedicht wil geen illustratie zijn van het beeldende werk, en andersom al helemaal niet. Maar wie onopgesmukt kijkt, luistert, dingen aanraakt, opsnuift, stelt zich maximaal open voor zintuiglijke ervaringen die in en om het dorp voor het oprapen liggen. Vele van de door Mandelinck geselecteerde gedichten worden in handschrift en op witte vellen gepresenteerd. In enkele gevallen krijgt het gedicht extra ondersteuning van de stem van de dichter. Mandelinck: «Dat de visualisering van de poëzie dit jaar sober wordt gehouden is een bewuste optie. De werking van het licht op canvas, het handschrift dat meer prijsgeeft dan de poëet zou wensen. Om eerlijk te zijn, sommige dichters vielen bij het lezen van hun handschrift bij mij wat door de mand. Anderen verrasten me compleet…»

Conservator Jan Hoet: «Nooit is men erin geslaagd poëzie en beeldende kunst optimaal te verzoenen. Het blijft een utopie en juist daarom zo uitdagend en verleidelijk om het toch te doen.» In geen geval is er sprake van een thematisch kunstproject, waarbij gedichten en kunstwerken een bepaald thema illustreren. Eerder is er sprake van vervlechting, het afstoten of aantasten van de geschreven of visuele teksten. De expositie streelt en bruuskeert de zinnen en het verstand.

In de eerste kamer van het Douviehuis die de bezoeker binnentreedt, valt meteen op hoe het licht van buiten en van de gefractioneerde vloertegels zich mengt met de bloedrode grimmigheid van de Zuid-Afrikaanse schilder William Kentridge. Het schilderij Reeds verbeeldt, in de poel van door het witte canvas gefilterde licht, een rietkraag in een moeras achtige plas water, met daarachter in de schaduwen van een uitkijktoren prikkeldraad, een schutting… De buitenwereld en de natuur, het moeras en de dreiging.

Wat van buiten naar binnendringt/ En wat van binnen naar buiten… — daar gaat het in Watou voor een groot deel om. Zo ook bij Red Sleeper van dezelfde Kentridge, waarop de sporen van boeien en kettingen zijn te herkennen op de polsen en benen van een onrustig slapende figuur. De talloze krassen op zijn lijf en leden verwijzen naar de buitenwereld die in het getourmenteerde lichaam is doorgedrongen. De omgeving is geschilderd als een grote plas bloed. Een vochtzuigmachine van het merk Astdri gromt machinaal door de ruimte. En mengt zich (o! zalige correspondance) met het gedicht van Anna Enquist:

Vraag niet hoe. Zwetend. Vol

aandacht voor wat stoort. Motor

op straat. Een late vogel. Geheim-

taal van de verwarming, het zuchten

van het huis. Keer op keer ruk ik

mijzelf weg voor de poort van de slaap.

Een treetje hoger, in een van de opkamers van de hoeve, vinden we een getatoeëerde romp in een glazen vitrine, een kunstwerk van Edward Lipski uit 1997. Daarnaast bevindt zich de bloedende afgerukte arm (van John Isaacs, titel: A Necessary Change of Heart), eveneens in vitrine, met op de nog altijd samengebalde knokkels het woord «HATE» getatoeëerd.

Minstens zo gruwelijk is het uitvergrote fotobeeld van Andres Serrano Dead by Drowning, waarop in bloederig detail het gezicht van een verdronken neger valt te bekijken en, ik zou zeggen, bewonderen. Opvallend zijn de vochtige, bijna smachtende lippen, alsof ze met rode lipstick zijn gestift. De schoonheid van de gruwel. Het gebed tot de Vernietiger. Toepasselijk daarbij is het gedicht Wij hebben een rozen leeuw waarmee liefde ons ving van Ibn al-Khayyaat (1058-1123), een tijdgenoot van Djalalud’ddin Rumi, vertaald door Hafid Bouazza: «Hij heeft in zijn mond een rode malse roos/ Waarmee hij lijkt te dreigen al is hij dreigingsloos/ Zoals een liebaard niet lang na een tijd met een prooi/ De resten van het slachtofferbloed zichtbaar op zijn mond…»

Enorme indruk maken de metersgrote diapositieven die zwevend aan touwtjes haaks op elkaar zijn opgehangen, en waarop de huid van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar Berni Searle (Profile 2002) te zien is. In de huid staan gestileerde foltertekens afgedrukt, als merktekens in leder. Een van de stempels die als littekens in de huid gekerfd staan, is het zegel van de Anti Riot Police Cape Town, het wapen van de oproerpolitie uit Kaapstad. De vraag die de kunstenaar oproept is duidelijk: tot hoe ver kan een repressief systeem doordringen? Tot in de huid? Of tot waar we helemaal niet kijken kunnen?

Vladimir Nabokov heeft ooit geschreven: «Beauty plus pity, that is the closest definition of art I can give, for the simple reason that all beauty must die…» In Watou zou in plaats van het woord beauty het woord horror kunnen worden ingevuld. Gastcurator Michel Dewilde: «De poëtische titel van Watou 2003 inspireerde mij de grenzen van het kijken af te tasten. Wanneer wenden mensen de blik af? Wanneer kijkt men opzij? De drijfveer achter het handelen van de doorsnee westerse mens is angst. Vrees voor de Ander werkt patriottisme in de hand, en leidt, in combinatie met het geloof dat geweld elk menselijk conflict kan beslechten, tot duizenden moorden. Kunnen we de dagelijkse portie gruwelen verdragen, of kijken we opzij? Worden we lamgeslagen, immuun of murw voor angst en agressie? Het als ‹pittoresk› afgeschilderde dorp Watou draagt een voortdurende dreiging in zich. Het quasi-idyllische dorpje riep bij mij eerder herinneringen op aan Soleil trompeur, maar ook aan de onheilspellende sfeer verwant aan Twin Peaks en Village of the Damned. Achter de verstilde dorpsmuren stelde ik me een wereld vol agressie, bandeloosheid en waanzin voor.»

Het is niet verwonderlijk dat artiesten uit de Balkan sterk vertegenwoordigd zijn in deze editie van de poëziezomer te Watou. Zo is er de video van de Macedoniër Robert Gligorov Fine Pena Mai uit het oorlogsjaar 1999, waarop te zien is hoe Gligorov naald en draad met een pincet door zijn voorhoofd en borsthuid vlecht. Gligorov kijkt erbij alsof hij een rekensom aan het maken is, terwijl de draad een steeds ingewikkelder patroon volgt van onderhuidse en bovenhuidse hechtingen. Ook is er het onrustbarende meesterwerkje van de Servische Milica Tomic uit hetzelfde rampjaar 1999, waarop te zien is hoe Tomic trots en parmantig naar de verte staart en in een twintigtal verschillende talen elke keer hetzelfde zinnetje uitspreekt: «Ik ben Milica Tomic, ik ben Servische, Montenegrijnse, Macedonische, Vlaamse, Quebecquoise, Deense… (et cetera).» Terwijl ze dat zinnetje in telkens andere talen uitspreekt (elke nieuwe mede deling ontkracht de vorige), is te zien hoe er steeds meer oppervlaktewonden op haar huid ontstaan, stigmata waaruit het bloed in dikke strepen te voorschijn komt. Het is of Milica Tomic uit haar huid gaat barsten. Tomic’ video werkt hypnotiserend, en bezoekers hebben moeite om zich los te rukken van de Servische dame met de glanzende huid, die op ondoorgrondelijke wijze toegetakeld wordt terwijl ze trots haar steeds wisselende identiteit verkondigt.

Wie kijkt, geeft zich onwillekeurig over aan wat de Sloveense filosoof Slavoj Zivek heeft omschreven als een houding van «jouissance», een houding die de ambivalentie kenmerkt waarmee mensen naar het journaal kijken.

Een van de sterkste punten van Watou 2003 is het ritme waarmee de tentoonstelling is gecomponeerd. Ondanks de vele gruwelen en verschrikkingen die worden getoond, is er steeds op het juiste moment plaatsgemaakt voor een lichtere touch. Bijvoorbeeld de hilarische video van Yoshua Okon, Cockfight uit 1998, waarin twee Amerikaanse straatmeiden tegenover elkaar staan en het haantjesgedrag van Amerikaanse machomannen imiteren. Het geluid is weggedraaid, maar de tekst verschijnt als ondertiteling in beeld. De een probeert de ander in bombast te overtroeven, en de satire werkt erg op de lachspieren. «Got a dick out my mouth or what?» «You wanna lick my asshole?» «Wanna fight or suck my dick?» Het tweespel is obscuur en grappig tegelijkertijd. Ander werk dat eveneens met een perfect gevoel voor timing is geplaatst, is de video van David Hammons Phat Free uit 1995, waarop de kunstenaar een tinnen emmertje voortschopt door de stad. En de beschilderde Vespa van Navin Rawanchaikul (titel: Fly me to Another World), waarmee de Thaise kunstenaar de wereld over is gereisd. Het verslag van die reis kan worden nagelezen in een strip- en plakboek dat naast de Vespa wordt bewaard.

Het is al vaker gezegd, maar op de een of andere manier herinnert bijna alles in en om Watou aan de dood. Het dorp in de Vlaamse Westhoek is een grensgebied met het uitzicht van een «Niemandsland», een door God vergeten gat in «de aars van het Nederlandstalige gebied». Een landschap waar talloze oorlogsverminkten onder witte kruizen liggen begraven tussen de klaprozen, cichoreivelden en «paarden die snuiven in de stallen van verval». Een wereld van weelderige, warme zomerschoonheid waar de geur van mest en hooi even onlosmakelijk mee verbonden is als de schemering der vergankelijkheid.

Watou is behalve een blijvend monument voor de Eerste Wereldoorlog ook steeds meer een eregalerij voor dode dichters aan het worden. Tussen natte aardkluiten, blubber, modder en vergane lichamen van frontsoldaten zijn er de «nenia’s» te lezen voor Herman de Coninck. Ook ligt er de as van Eddy van Vliet, bij de twaalfde wilg langs het jaagpad van het Grensland. Vorig jaar was de dichter nog lijfelijk en tekstueel aanwezig met een gedicht dat was opgedragen aan zijn korte tijd eerder overleden vader: «Voor vijf jaren ging de zomer op slot./ Ontkleurd, onder vreemd beheer. Niemand meer/ die in het fluiten van de leeuwerik,/ niet de tonen van de last post hoorde. (…)» Nu is ook deze zoon niet meer. De tijd heeft zichzelf op de hielen getrapt. Het venster op het landschap, gemaakt door Stephaan Beel, dreigt ieder moment te worden afgebroken door de provincie, ook al vormt het een prachtige rouwrand in het landschap.

Dat Gwy Mandelinck en zijn curatoren niet alleen tot aan de rand maar ook tot over de rand durven gaan, blijkt wel uit de werken die te bezichtigen zijn in de strenge Bavokerk die, tussen 1150 en 1250 gebouwd in gotische stijl, nog duidelijk de sporen van het door de dood geobsedeerde jansenisme draagt (getuige het doodsbed in witmarmer van Karel van Ydeghem, de eerste graaf van Watou). Niet ver van het altaar treffen we een heuse slang aan, gemaakt van olifantenstront en rubber. Een van de karakteristieke werken die Hugo de Baere, de legendarische jonggestorven kunstenaar uit Gent, heeft nagelaten. Het is een prachtig gebaar van openheid dat juist deze vrijbuiter, gestorven tijdens een uit de hand gelopen experiment met wurgseks, in de katholieke gebedstempel van Watou de ruimte krijgt, met zijn cerebrale en symbolistische — sommigen zeggen zelfs satanistische — kunst. De slang hangt bungelend in het middenschip van de kerk, en slaat kronkelend toe vanuit de hoogte.

Het tweede werk van De Baere dat in Watou te bezichtigen valt, is zo mogelijk nog beter geplaatst. Het is een omgekeerde vrouwenborst met tepel, van vele kubieke meters, eveneens vervaardigd van olifantenmest. De tiet van stront heeft, omdat ze omgekeerd hangt, onwillekeurig de vorm van het Afrikaanse continent, en bungelt aan de hoge houten hanenbalken van een bijna geheel verduisterde stal. Een plek zo mooi dat geen museum deze plaats van expositie kan evenaren.

De Douviehoeve is de laatste post op het traject. Hij bevindt zich op de grens met Frankrijk, en met uitzicht over de Zwarte Berg waar Marguerite Yourcenar haar Oeuvre en noir schreef, en haar Memoires d’Hadrianes. Behalve het meesterwerk van De Baere, dat niet alleen op Afrika maar ook wel op een gigantische waterbuidel lijkt, bevindt zich hier in de grote tien meter hoge loods ook wat misschien wel het meest forse klapstuk van de tentoonstelling genoemd mag worden: de steigerende paarden van Berlinde de Bruyckere, die herinneringen oproepen aan de Eerste Wereldoorlog, toen ridders met stalen helmen en lansen, samen met hun paarden werden neergemaaid door machinegeweren. De paarden steigeren weg buiten je blikveld, of: opzij van het kijken. Ze steigeren de eeuwigheid tegemoet. Een apocalyptisch beeld, dat verandert van wreedheid al naar gelang de inval van het zonlicht in de duistere loods.

De kern van Watou is een wereld van schoonheid waar de vergankelijkheid doorheen schemert, waar «de veerman dronken in zijn schip ligt» en onze zielen zinken als stenen, waar we in de wuivende patronen van het korenveld en het wateroppervlak weerspiegeld zien wat we lief willen hebben en tegelijkertijd vrezen, omdat we altijd kwijtraken wat we liefhebben, waar de wereld overhelt, waar alles bloeit en geurt en omhoogschiet en voorbij trekt in splendeur, en zich voortdurend klaarmaakt voor de ondergrondse val. Daarom ook is die periscoop aan het einde van de route zo toepasselijk. Een zes meter hoog gevaarte, als in een echte onderzeeër, gemaakt door Lieva De Beuckelaer. Je kunt er het landschap mee af koekeloeren, in 360 graden. Je kunt ermee binnenkijken in huizen in de omgeving. Je kunt in een andere wereld binnendringen, een cirkel maken tussen de zandzakjes door. En toch is er veel dat buiten het blikveld blijft liggen. Veel dat onzichtbaar blijft, hoezeer we ook de ogen openen. Veel dat blijft verscholen, opzij van het kijken.

Poëziezomer van Watou 2003, 23ste editie,

van 6 juli tot 7 september, elke dag van 14 tot

19 uur, op zon- en feestdagen vanaf 11 uur