Hoofdcommentaar: Voetbal

Oranje über alles

Bij gebrek aan slagvelden op militair gebied wordt het nationale zelfbeeld van de Europese naties anno 2001 vooral geconstrueerd aan de hand van sport. In het geval van Nederland draait het dan vanzelfsprekend om voetbal. Wat meteen opvalt, is de stuitende zelfgenoegzaamheid. Nergens is de Nederlander zo behept met aandoeningen van nationalistische aard als binnen de krijtlijnen van het voetbalveld. Zelfs de vermaledijde oosterburen kunnen tegenwoordig nog een puntje zuigen aan de mate loze eigendunk waardoor het Nederlandse voetbal is bevangen. Het Oranje-patriottisme dat op terreinen van de internationale politiek alleen maar een verborgen rol mag spelen, bijvoorbeeld door een abortusboot naar het oerkatholieke Ierland te sturen, komt hier zonder enige interventie van de klassieke calvinistische schaamte tot uiting. Zodra het fluitsignaal klinkt, verandert die van nuances overlopende, immer wikkende en wegende, o zo bescheiden Nederlander ineens in een brullende gorilla, overlopend van de superioriteitsgevoelens, een Übermensch in het diepst van zijn gedachten.

Dat de sportieve prestaties een dergelijke waan de laatste jaren bepaald niet ondersteunen, mag geen beletsel vormen. Zelfs nadat hij in de recente match tegen het nietige Estland door het oog van de naald was gekropen, verkondigde Louis van Gaal, de verpersoonlijking van de Nederlandse voetbalarrogantie, zonder blikken of blozen dat alles zich precies volgens zijn masterplan had voltrokken en dat hij geen moment bevreesd was geweest voor de kwalificatie ten behoeve van de wereldkampioenschappen in Japan en Korea 2002. Er zit iets in de blik van deze voetbalveldheer wat herinneringen oproept aan vroegere dagen, toen de Nederlandse driekleur nog wapperde in de Oost, en generaal Van Heutsz korte metten maakte met rebellen in Atjeh. Het is diezelfde aan euforie grenzende vastberadenheid, datzelfde geloof in eigen kunnen, het besef uitverkoren te zijn boven alle andere volkeren, dat Nederland ter wereld is om te heersen over lagere creaturen als Javanen, Esten, Portugezen of Ieren.

Binnen dat concept is natuurlijk geen plaats voor twijfel of, erger nog, zelfkritiek. Nu valt dat van een trainer misschien nog wel te slikken, maar het erge is dat heel Nederland met datzelfde virus lijkt te zijn besmet. Zelfs de voetbaljournalistiek doet gretig mee aan de collectieve zelfoverschatting. Een schril staaltje van misplaatst journalistiek patriottisme wordt wekelijks geleverd door Parool-columnist Henk Spaan, die voor de Amsterdamse streekkrant een column verzorgt onder de titel Spaan geeft punten. Spaan, tevens oprichter van het literaire voetbaltijdschrift Hard Gras, is de laatste jaren uitgegroeid tot een soort nieuwe nationale voetbalprofessor, maar blijkt zich in werkelijkheid niet te kunnen meten met zijn illustere voorganger ir. A. van Emmenes. De laatste groeide uit tot een legende dankzij zijn onafhankelijke oordeel, terwijl Spaan zich keer op keer ontpopt als een ruggengraatloze meeloper, die louter met negens en achten smijt richting de nationale voetbalmiljonairs en het nooit waagt een van de geïdealiseerde voetbal gladiatoren eens fors de waarheid te zeggen over zijn wanprestaties. Als Spaan eens een keertje kritisch wil zijn, zorgt hij ervoor dat zijn gramschap een anonieme onderknuppel treft, en dan nog het liefst een Feyenoorder. Of hij valt op jakhalsachtige wijze een speler aan die toch al bij iedereen uit de gratie ligt, zoals het tragische wonderkind Seedorf, de eerste nationale specialist in het missen van penalty’s.

Dat van onafhankelijke sportjournalistiek in Nederland geen sprake is, werd de afgelopen tijd geïllustreerd door de verslag geving van het dopingschandaal rondom Edgar Davids en Frank de Boer. Beide pilaren van de nationale voetbalploeg werden betrapt met een te hoge dosis nandrolon, een spierversterkende oppepper die sinds jaar en dag op de lijst met verboden stoffen staat. Toen spelers van andere nationaliteiten met nandrolon werden betrapt, zoals de Portugees Fernando Couto, meldde de Nederlandse sportpers dat met een nauwelijks verholen gevoel van triomf. Nu de nationale helden Davids en De Boer echter in staat van beschuldiging zijn gesteld, verkondigt diezelfde sportpers bijna unaniem haar maagdelijke onschuld. Dat Davids de laatste jaren vooral opviel door als een dolle pitbull over het gras te razen en Frank de Boer er op het veld pleegt bij te lopen alsof hij zojuist de hele huisvoorraad van coffeeshop de Bulldog tot zich heeft genomen, is geen van de journalistieke observatoren opgevallen, laat staan dat er een verband wordt gelegd met de nandrolon-consumptie. Doping, dat is iets voor Argentijnen en wielrenners, daar doen onze jongens niet aan, aldus de mandarijnen van de sportpers, die al lang zijn uitgegroeid tot de vijfde colonne van de voetbal bobo’s in hun skyboxen en dagelijks een lachertje maken van de ooit zo gekoesterde journalistieke onafhankelijkheid.

Dezelfde fluwelen terughoudendheid wordt heden aan de dag gelegd ten aanzien van het Ajax-bestuur, in staat van beschuldiging gesteld door de Fiod vanwege financiële malversaties bij de handel in voetballers. Daar waar Bram Peper op grond van oneindig veel vagere beschuldigingen werd afgeslacht in vrijwel het gehele medialandschap, komen de geplaagde Ajax-bestuurders er met een minimum van kritische media-aandacht doorheen. Net als bij Davids en De Boer krijgen zij eerder te maken met solidaire geluiden dan met kritiek. In beide gevallen is hetzelfde mechanisme in werking: die van de bandeloze, schaamteloze en uiteindelijk ook behoorlijk hopeloze Nederlandse zelfoverschatting, waarvan alleen maar kan worden gehoopt dat ze geen vertaling zal krijgen buiten de voetbalsport.