Oranjebiografie van Cees Fasseur

Oranjeklant

De auteur van de nieuwe biografie Juliana & Bernhard, historicus Cees Fasseur, was de aangewezen man om de dynastieke geschiedschrijving op te schonen. Niet alleen vanwege zijn werk, ook omdat hij zijn mond kon houden in het staatsbelang.

Medium 800px anefo 911 2035 koningin juliana

Goede biografen zijn in ons land dun gezaaid. De serieuze biografen van het Huis van Oranje zijn zelfs op de vingers van twee handen te tellen. Hofhistoricus Cees Fasseur hoort daar ongetwijfeld bij. Naar zijn nieuwe boek Juliana & Bernhard werd door historici al geruime tijd uitgekeken, te meer omdat Fasseur inzage heeft gekregen in doorgaans ontoegankelijke archiefstukken van de koninklijke familie over onder meer de Greet Hofmans-affaire.

Volgens ingewijden keek ook Beatrix ernaar uit, omdat zij hoopte dat Fasseur belangrijke correcties zou aanbrengen op het hatelijke maar doorwrochte pamflet Prins Bernhard, een politieke biografie (1979) van de stalinist Wim Klinkenberg, dat nog altijd nadreunt in de publiciteit over het koningshuis. Fasseurs voornaamste probleem als historicus is echter juist dat unieke voorrecht dat de koningin hem heeft verleend. Het Koninklijk Huisarchief is een particulier archief. Alleen de koningin beslist wie er in mag, ook al is de inhoud voor een deel politiek relevant. Diepgravende Oranjehistorici als Lambert Giebels en Robert Ammerlaan mogen er niet in, Fasseur wel. Dat komt ongetwijfeld omdat Fasseur in zijn Wilhelminabiografie (2001, 2002) een stevig pro-Oranjestandpunt heeft ingenomen, met name in het polemische tweede deel over de oorlog en haar laatste regeringsjaren. Het maakt zijn uitspraken echter oncontroleerbaar voor anderen.

Juliana en Bernhard leefden eind jaren vijftig niet alleen in onmin door toedoen van de gebedsgenezeres Hofmans, maar ook omdat ze politieke geschillen hadden. De pacifistische standpunten en toespraken van Juliana streken de pro-Amerikaanse, militaristische Bernhard (opperbevelhebber der strijdkrachten alsmede groot liefhebber van uniformen) recht tegen de haren in. Daarom is er her en der gespeculeerd over de vraag wiens kant Fasseur zou kiezen. Welnu, hij kiest onomwonden partij voor Bernhard en daarmee, alweer volgens ingewijden, voor Beatrix. De prins heeft volgens Fasseur door zijn doortastende optreden tijdens de affaire het Koninklijk Huis en wellicht zelfs het land gered. In het voorbijgaan veegt Fasseur de vloer aan met andere Oranjebiografen die niet, zoals hij, toegang tot dat unieke archief hebben gekregen. Zijn stelling is bepaald niet nieuw, maar de nieuwe bronnen die hij ervoor gebruikt zijn dus ontoegankelijk. Dat Beatrix hem het recht heeft verleend om als bijlage het tot op heden geheimgehouden rapport-Beel over de affaire af te drukken, is een doekje voor het bloeden.

Het is kennelijk nog altijd niet mogelijk over het Koninklijk Huis te schrijven zonder partij te kiezen. Dat hebben we voornamelijk aan onszelf te wijten, en wel door de hondentrouw waarmee we het Huis van Oranje tot aan de Lockheed-affaire van 1976 tegen alle kritiek in bescherming namen. Ook de Oranjes zelf droegen hun steentje bij. Afgezien van de petite histoire rond de pedofiele prins Hendrik of de depressiviteit van prins Claus is dat vooral op het conto te schrijven van één man: Bernhard von Lippe-Biesterfeld, een zo on-Nederlandse verschijning dat we ons na zijn dood nog altijd geen raad met hem weten. Bernhard was een ‘leichter Vogel’ zoals hij zichzelf noemde, een aristocratische flierefluiter met een oer-Duits standsbesef en navenante hang naar geld en bravoure, waardoor tegenstanders van de monarchie als Klinkenberg hem makkelijk als crypto-nazi konden afschilderen.

Daarmee zijn we aangeland bij de tweede reden waarom de geschiedschrijving van de Oranjes zo’n moeizame kwestie is. Sinds 1945 is niet de Tachtigjarige Oorlog maar de Tweede Wereldoorlog het ijkpunt voor de huishistorici en -biografen van Oranje. Het door Loe de Jong geschetste beeld van de onverzettelijke Wilhelmina in ballingschap en de door zijn eigen vriendenkring bewierookte heldenmoed van Bernhard hebben een martiale biografische toon gezet. Die klonk ook door in boeken over de latere koningin, ook al woonde die gedurende de hele oorlog in Canada, bijvoorbeeld in Haar werk ging door: Prinses Juliana in Noord-Amerika (1948) van R. Marsman. Die martiale toon heeft ongewild de aandacht gevestigd op het eigenlijke gedrag van de Oranjes in de oorlog dat vaak allesbehalve heldhaftig was en soms de vraag leek te wettigen of zij eigenlijk ‘goed’ of ‘fout’ waren. Een voorbeeld is de commotie die begin jaren vijftig ontstond toen koningin Juliana plotseling weigerde doodvonnissen van Duitse oorlogsmisdadigers te tekenen. Haar weigering kwam voort uit principieel pacifisme, maar kon makkelijk worden uitgelegd als pro-Duits gebaar of, erger, als het werk van haar echtgenoot, die in de jaren dertig bij de SS zat.
Bernhard vertelde begin jaren zestig zijn levensverhaal aan de Amerikaanse journalist Alden Hatch. Diens geautoriseerde boek Prins Bernhard, zijn plaats en functie in de moderne monarchie (1962) bevat echter lang niet alle politiek relevante citaten en feiten over de Hofmans-affaire, laat staan een grondige evaluatie daarvan door de auteur. Kort voor zijn dood gaf Bernhard alsnog openheid van zaken. Terwijl de media plaatjes toonden van een verzwakte prins met tolstoiaanse volbaard op de veranda van paleis Soestdijk, stond Bernhard achter de schermen de historicus Robert Ammerlaan te woord en gaf interviews aan de Volkskrant en De Groene Amsterdammer die pas na zijn dood mochten worden afgedrukt.

Juliana liet haar levensverhaal optekenen door historica Magdalena Schenk, die in haar boeken vooral benadrukte dat de koningin werd verscheurd door enerzijds een diep plichtsbesef en anderzijds het absurde verlangen ‘gewoon’ te zijn in omstandigheden die alles behalve dat toelieten. Helemaal eerlijk waren ook haar boeken niet. In Juliana, koningin der Nederlanden (1971) wijdde Schenk geen woord aan de Hofmans-affaire hoewel zij al lang van de hoed en de rand wist. Dat bleek in 1979 toen zij in Juliana: Vorstin naast de rode loper wél uitvoerig op de zaak inging. Het laatste woord zul je echter in haar boeken net zo min vinden als in de finale interviews met Bernhard.

Koningin Wilhelmina, die in 1959 onder de titel Eenzaam maar niet alleen haar eigen biografie had uitgebracht, bleef publicitair lange tijd buiten schot omdat de affaires rond haar dochter en schoonzoon de aandacht opeisten. Pas in de jaren negentig kwam aan die luwte abrupt een eind. In Om erger te voorkomen (1997) nam historica Nanda van der Zee uitgerekend Wilhelmina’s rol in de oorlog zeer kritisch onder de loep. Zij stelde dat de vlucht van de vorstin naar Engeland niet spontaan was geweest maar voorbereid. Bovendien zou haar vlucht er mede toe hebben geleid dat de Duitsers een civiel en geen militair bestuur in ons land installeerden, zodat het ambtenarenapparaat relatief probleemloos aan de jodenvervolging meewerkte en er vanuit Ne-derland procentueel veel joden naar de Duitse kampen konden worden gedeporteerd. Het schijnt dat Beatrix rond die tijd reeds op zoek was naar een historicus die het door Klinken-berg en andere publicisten beschadigde beeld van haar ouders en grootouders kon oplappen. Het verschijnen van het boek van Van der Zee deed alle alarmbellen afgaan.

Intrat Cees Fasseur (Balikpapan, 1938), een man wiens eigen biografie hem leek voor te bestemmen voor het opschonen van de dynastieke geschiedschrijving. Hij is ongetwijfeld voorgedragen door Henk Wesseling, tot 2002 hoogleraar geschiedenis in Leiden, die kroonprins Willem-Alexander tijdens diens geschiedenisstudie had begeleid en later meewerkte aan de inburgering van prinses Máxima. In 1995 adviseerde Wesseling samen met Fasseur en de (eveneens) Leidse hoogleraar Jan Bank de vorstin bij de voorbereiding van haar staatsbezoek aan Indonesië. Het was vermoedelijk in die gesprekken dat Fasseur als historicus goed tot zijn recht kwam.

Fasseurs vader was voor de oorlog in dienst geweest van de Bataafse Petroleum Maat-schappij. Cees bracht zijn vroege jeugd door in een Japans krijgsgevangenkamp en bleef ondanks die beroerde tijd verslingerd aan het land. Zijn repatriëring en de spoedig daarop volgende Indonesische onafhankelijkheid veranderden niets aan zijn standpunt dat de Nederlandse kolonisatie een zegen voor het land was geweest. Hij studeerde rechten en geschiedenis en koos na zijn doctoraal in 1965 voor een baan op het ministerie van Justitie. Als raadsadviseur voor de wetgeving stond hij onder anderen minister Van Agt bij in diens moeizame confrontaties met de Kamer over de gevluchte oorlogsmisdadiger Pieter Menten. Verder hield hij zich bezig met abortus- en euthanasiewetgeving en met de nieuwe Politie-wet, die pas in 2001 van kracht zou worden.

In 1976 promoveerde Fasseur op een dissertatie over de exploitatie van Java in de negentiende eeuw. In die tijd was Wesseling bezig met het opzetten van zijn Werkgroep Europese Expansie, zodat Fasseur zogezegd in het potje viel. Een jaar later werd hij aangesteld als hoogleraar in de Europese expansie. Zijn subtiele monografieën over het negentiende-eeuwse Indië wekten alom bewondering. Dat neemt niet weg dat hij in 2002 terugkeerde naar zijn eerste liefde, het recht, en wel als raadsheer bij het Gerechtshof in Amsterdam. Dat Fasseur tevens lid was van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten strekte ook tot aanbeveling. Het betekende enerzijds dat hij uitvoerig door diezelfde diensten was doorgelicht, anderzijds dat hij ‘een van ons’ was en zijn mond kon houden in het staatsbelang.

Zijn tweedelige Wilhelminabiografie, De jonge koningin (2001) en Krijgshaftig in een vormeloze jas (2002), geldt als een redelijk afgewogen portret van de vorstin, al laat Fasseur in polemische passages en ook in uitspraken in de media een scherpe kant zien. Zo deed hij het boek van Van der Zee af als ‘nazipropaganda’. Onder historici circulerende geruchten over de briefwisseling tussen Wilhelmina en Juliana, waarin de eerste zou hebben geopperd dat zij het met Hitler-Duitsland op een akkoordje wilde gooien, ontkende hij onder verwijzing naar archieven die voor iedereen behalve hem gesloten zijn.

Hetzelfde bezwaar kleeft helaas aan zijn nieuweling. Mocht Beatrix al menen dat de waarheid vrij maakt, dan geldt dat toch niet voor Fasseurs ‘officiële waarheid’ die door niemand anders gecontroleerd kan worden. En eerlijk gezegd past de rol van redder van het vaderland niet bij Bernhard. Daarvoor weten we dankzij al die andere historici inmiddels te veel over de man en over zijn kwaliteiten die Beatrix als meisje moeten hebben gefascineerd en die hem zelfs in de ogen van republikeinen sympathiek maakten, al maakten ze hem tegelijkertijd volstrekt ongeschikt voor zijn ambt: zijn lichtzinnigheid en absurde humor, zijn vulgaire vrienden, zijn jongensachtige gevoel van onkwetsbaarheid, heel die onaangepaste houding die ooit door Winston Churchill in een magistrale zin is samengevat: ‘Ik ken er één die echt van de oorlog heeft genoten en dat is Bernhard.’