Inleiding

Orde en chaos

Probeer eens te bedenken wat er was voordat het heelal er was. Mijn basisschoolleraar zei het extra intens, probeerde met de hele klas oogcontact te maken zoals hij dat kon, door over zijn bureau naar voren te leunen. Wat was er voor de wereld bestond? En wat was er voor het universum bestond? En als je ver genoeg teruggaat in de tijd, bestond er dan helemaal niets? Maar hoe kan dat?

Meester Harm. Later, toen we in de brugklas zaten en niet langer binnen zijn jurisdictie vielen, fietsten we wel eens langs onze oude basisschool. ‘Hé Harm, is je broek ook warm?!’ riepen we. En daarna fietsten we vlug weg.

Maar van het universum hebben we wakker gelegen. Letterlijk. Ik weet het van andere klasgenootjes. Iemands moeder heeft meester Harm erop aangesproken. Het was een vraag die te groot was. Voor het kinderbrein maar eigenlijk voor ieder brein. ‘Denk eens na over wat oneindigheid betekent.’ Waar moet je beginnen? We kunnen een vraagstuk alleen begrijpen als er kaders zijn. Een begin. Een aanloop. Randen. Zoals Marcel Möring schrijft, verderop in deze bijlage, zoeken we patronen: ‘Dat is voor de mens een overlevingsvoorwaarde. Voor een groot, opvallend en vooral weerloos zoogdier was dat een belangrijke vaardigheid. Het zorgt ervoor dat we in staat zijn om gevaarlijke situa­ties te herkennen zonder onze reactietijd te verlengen door na te denken.’ En waarom voelt het zo onbevredigend als we geen patroon kunnen ontdekken, waarom willen we zo graag iets diepers, iets buiten ons zicht bedenken als er iets gebeurt wat uitsluitend willekeur lijkt te zijn (lees het essay op pagina 8)?

Waar wetenschappers zoeken naar de chaostheorie, of ‘de theorie van alles’, proberen kunstenaars de grenzen die we hebben op te rekken. Of beter: zij kijken hoe ver je kunt gaan zonder grenzen te raken. Charles Ives (lees Bas van Puttens portret van deze componist-verzekeringsagent, verderop) componeerde niet door een bepaald doel voor ogen te houden, maar door eindeloos beelden, herinneringen en flarden muziek toe te laten, een willekeur die in zijn Vierde, o paradox, zijn eigen ritme en vorm aannam. Dat is weer het bewijs dat, zoals Elmer Schönberger in zijn column schrijft (pagina 7), in muziek chaos kan worden ‘ingelijfd in een bepaalde orde’ als een soort ultiem bewijs van kunnen.

De indamming van chaos in orde: wetenschappers proberen het in een theorie te vangen, politici worden erop afgerekend, kunstenaars gebruiken het om te excelleren, en jonge kinderen liggen ervan wakker.