Oren gespitst

Wat doe je, vroeg de instructeur, als iemand een pistool op je richt? Hij had een neppistool in zijn hand en richtte het met gestrekte arm op mijn voorhoofd.

Dan geef ik hem alles wat hij wil hebben, wist ik, al wist ik ook dat een dergelijk antwoord niet de bedoeling was van deze training.

Als iemand een mes op mijn keel zette, moest ik mijn kin naar beneden doen, met beide handen zijn hand grijpen, zijn arm verdraaien, zijn pols naar de grond duwen en hard op zijn knokkels drukken zodat zijn vingers vanzelf openden en het mes op de grond viel. Daarna moest ik dat mes zo snel mogelijk zien te pakken, hem in zijn kruis trappen of anders tegen zijn knieën of eventueel zijn keel of ogen.

Ik oefende mijn klappen op een rubberen torso. De torso torende boven me uit, één en al spiermassa, stompe vechtersneus, kwaaie blik. Omdat de torso op een veer stond, boog hij bij elke klap (handpalm op keel, vuist tegen slaap) een beetje naar achteren. Dit was, wist ik, een verre van realistisch scenario. Als deze meneer niet van rubber was gemaakt, had hij tijdens het ontvangen van mijn klappen geamuseerd gelachen, om me vervolgens in één keer knock-out te meppen. Van de weeromstuit begon ik harder tegen de torso te slaan, met mijn ellebogen op hem in te beuken, mijn vuist van onder tegen zijn kin zodat hij zijn eigen tong eraf zou bijten, tandsplinters door de ruimte, bloedspetters tegen de muren.

Was er in mij al die tijd een sluimerende agressie aanwezig, die door het vechten simpelweg werd geactiveerd? Of maakte het vechten me agressief?

Hoe nauw seks en geweld met elkaar verbonden zijn, hoe makkelijk met elkaar te verwarren

Ik voelde de opwinding in mijn lijf toen ik leerde andermans keel met mijn onderarmen te omklemmen, langzaam naar achteren te lopen, hem op zijn knieën te dwingen, mijn eigen knie in zijn rug te zetten zodat hij geen kant meer op kon zonder te stikken. Het was een geconcentreerde, beheerste vorm van geweld (door de instructeur onverstoorbaar aangeduid als ‘de-escalatie’) die ik herkende – niet ondubbelzinnig, maar toch onmiskenbaar – als erotisch. Eens temeer begreep ik hoe nauw seks en geweld met elkaar verbonden zijn, hoe makkelijk met elkaar te verwarren, het hele leven een warboel van Eros en Thanatos.

Een paar dagen na de vechttraining zag ik, in het Saint Ann’s Warehouse in Brooklyn, de voorstelling History of Violence, naar het gelijknamige boek van Édouard Louis, uitgevoerd door de Berlijnse Schaubühne in de regie van Thomas Ostermeier. Net als het boek gaat de voorstelling over een afschuwelijke nacht die Louis beleefde in 2012, toen hij op straat een man ontmoette die hem uiteindelijk in zijn eigen huis zou bedreigen, beroven en verkrachten. Het is geen eenvoudig verhaal, niet in de laatste plaats omdat het allemaal begint met wederzijdse instemming. Édouard Louis is gecharmeerd van de man, die zichzelf Reda noemt, nodigt hem thuis uit, ze praten, vrijen, er is oprechte intimiteit. Pas tegen de ochtend gaat het mis, wanneer Édouard de douche uit komt, zijn telefoon kwijt is en zich realiseert dat Reda – die op het punt staat te vertrekken – hem in zijn zak heeft gestopt. Édouard, zelf afkomstig uit de onderklasse en bekend met armoede, voelt empathie, stelt voorzichtig voor om de telefoon samen te ‘zoeken’.

Maar tegen die tijd zijn Reda’s charme en tederheid al omgeslagen in iets anders. De transformatie in de ruimte, op het toneel, is abrupt en absoluut, en door de acteurs zo overtuigend neergezet dat het publiek met ingehouden adem toekijkt, niet anders kan dan toekijken. Even valt alles samen: de gebeurtenis, het verhaal van Louis, de toneelversie van het verhaal. Er is geen verschil tussen de acteurs en de personages, tussen 2012 en 2019, tussen onschuld en medeplichtigheid.

Na afloop van de voorstelling schoven Thomas Ostermeier en Édouard Louis zelf aan voor een gesprek. Waarom, vroeg de artistiek directeur van het theater, hadden ze ervoor gekozen het geweld zo expliciet te tonen op het podium?

Het was geen keuze, antwoordde Ostermeier terecht. Louis voegde eraan toe dat het geweld nooit als metafoor bedoeld was en dat, hoewel het hem zelf niet lukte naar de verkrachtingsscène op het toneel te kijken, hij het van cruciaal belang achtte te laten zien hoe zulk geweld zich manifesteert.

Nog lang bleef ik denken aan het geweld, de betekenis en de betekenisloosheid ervan, de vreemde energie die lichamen en ruimtes overneemt. En vooral bleef ik denken aan Reda, vlak voor zijn aanval, oren gespitst, klaar voor iets onomkeerbaars.