Kraft: een onovertrefbare extremiteit

Oren open

Magnus Lindberg liet zich, behalve door Einstürzende Neubauten, beïnvloeden door Elias Canetti’s studie naar de dynamiek van mensenmassa’s. In zijn muziek plaatst Lindberg individuele virtuositeit tegenover de klankmassa, zoals hij in zijn overdonderende Kraft solisten tegenover het orkest plaatst.

WAAR IS het Koninklijk Concertgebouworkest aan begonnen? Niet alleen wordt de vaste stek in Oud-Zuid tijdens het Holland Festival verruild voor de Gashouder in het Westerpark, hetgeen al een logistieke operatie van formaat is. Zie deze indrukwekkende voormalige industriehal maar eens om te bouwen tot concertzaal van akoestisch optimale kwaliteiten, waar een groot orkest en publiek zo gunstig mogelijk moeten worden gestationeerd. Het concertthema ‘Out of the Box’ lijkt daarmee al genoeg gerechtvaardigd. Maar dan wordt naast muziek van Boulez, Rijnvos en Saahiaro ook nog Kraft van de Finse componist Magnus Lindberg geprogrammeerd, een monstrueus bezet werk dat Le sacre du printemps van Strawinsky op kamermuziek doet lijken.

Kraft, kort en krachtig: het titelblad is reeds intimiderend. Wie vervolgens de enorme partituur openslaat, ziet een lange lijst aan vereisten. Weliswaar is het traditionele symfonieorkest niet buitenproportioneel uitgebreid; vier van de vijf fluitisten moeten tevens piccolo spelen, de verder viervoudig bezette houtblazersgroep wordt nog met een altsaxofoon aangevuld. De kopersectie is niet overbelast: ‘slechts’ vier hoorns, vier trombones, vier trompetten en één tuba. Sjostakovitsj was in zijn oorlogs­symfonieën veeleisender.

De echte krachtmeting schuilt in het slagwerk, én in een extra vijfkoppig ensemble dat in de barokke stijl van het concerto grosso voortdurend de dialoog met het grote orkest aangaat. De vier orkestslagwerkers moeten over een uitgebreid arsenaal beschikken: naast bass drums en tamtams ook bongo’s, conga’s, metaalplaten, Thaise gongs, cimbalen, een marimba, vibrafoon en een ‘Mahler voorhamer’ (onder meer). De vijf elektronisch versterkte solisten spelen klarinet, cello en piano, en daarnaast eveneens een uitgebreid instrumentarium aan slagwerk.

Maar het betreft bij de solisten dan niet alleen traditionele instrumenten als tamtam en cimbaal. Wat te denken van een verwarmingselement, een ‘bundel kleine houten takken’, ‘stenen in een emmer’, chocola (!) en keramiek, ‘bijvoorbeeld een bloempot’? De pianist moet zijn pianosnaren beroeren met een rubberen bal, de klarinettist blaast bubbels in een emmer water. Verschillende objecten zijn bovendien verspreid door de zaal, van de solisten wordt hierdoor tevens een goed getimede choreografie verwacht. De dirigent heeft het al druk om de boel bij elkaar te houden, maar heeft ook nog een vocale solo. Veel van het additionele ruwe klankmateriaal dient naar eigen inzicht te worden geselecteerd op de plaatselijke vuilnisbelt, voor de gewenste ‘couleur locale’.

Geen wonder dat een instructievideo is gemaakt om hulp te bieden bij het plannen, instuderen en uitvoeren van Kraft. Het lijkt of een creatief, druk kind is losgelaten op een speelgoedmagazijn. Inderdaad is Kraft, geschreven tussen 1983 en 1985, een relatief jeugdig werk van een rusteloos componeertalent. Magnus Lindberg was net afgestudeerd van de Sibelius Academie in Helsinki. Lindberg (1959) en zijn generatiegenoten voelden een grote behoefte om aan de ‘Sibelius-mythe’ te ontsnappen. Finse componisten konden toch niet eeuwig in de traditie én de schaduw van de in 1957 overleden Sibelius blijven hangen. ‘Waarom zou je alleen in het bos blijven staan, als er nog een hele wereld om je heen is?’ verklaarde hij.

In de jaren zeventig werd als vertraagd alternatief het reeds bijna achterhaalde, strenge serialisme van Boulez en consorten op de Finse muziekacademie geïntroduceerd. Ook dit leek niet de gewenste route. Met bevriende componisten Esa-Pekka Salonen, Kaija Saariaho en dirigent Jukka-Pekka Saraste voerde Lindberg veel discussies en sloot hij een verbond. ‘We waren zeer bezorgd over de “plicht” van de contemporaine muziek – hoe veel verder kon dit genre zich van de maatschappij vervreemden voordat het geheel uitstierf? Tegelijkertijd wilden we niet de populistische of “neo-simplistische” weg betreden.’ Een strijdlustige naam werd voor het verbond bedacht: Korvat auki, ‘Oren open’.

Het verbond bleek langdurig, regelmatig contact is er tot op de dag van vandaag. Het meest concrete resultaat was in 1980 de oprichting van het elektro-akoestische ensemble Toimii, een muzieklaboratorium dat nieuw publiek wilde bereiken en samenwerkte met poëten, dramaturgen en acteurs. Het was met dit ensemble in gedachten dat Lindberg in Kraft een aantal solospelers voorschreef. Het orkestwerk is een afspiegeling van de verschillende invloedssferen waarin Lindberg zich op dat moment bevond, en een licht-anarchistische viering van de multiculturaliteit. Dat Lindberg lessen had gevolgd in het avant-gardistische centrum Darmstadt blijkt uit de complexe ritmes en clusterakkoorden die Kraft bevolken, evenals uit de computerprogrammering waarmee Lindberg de overkoepelende structuur berekende. Ook zijn fascinatie voor het diep dreunende geluid van traditionele Japanse Taiko-drums klinkt mee. Maar net zo goed verwerkte Lindberg invloeden van de snoeiharde industrial rock: in Berlijn woonde hij undergroundconcerten bij van Einstürzende Neubauten, waarbij de leden rockten met zelfgemaakte instrumenten en beukten op metalen platen. Een filosofische bodem bood Elias Canetti met zijn Masse und Macht, een studie naar de dynamiek van mensenmassa’s; in zijn muziek plaatst Lindberg individuele virtuositeit tegenover de klankmassa, zoals hij in Kraft solisten tegenover het orkest plaatst.

DAT LINDBERG met een jaloers oor naar anarchistische geluiden luisterde, blijkt al uit zijn vroege Linea d’ombra (1981), een kamer­muziekwerk dat opent met een luide schreeuw van de spelers, eindigt met het kletteren van een ijzeren ketting op een tafel, en daartussen een vrolijk chaotische muziek voor onder meer gitaar en piano presenteert. ‘Met dit werk wilde ik roepen: hier ben ik!’ bekende Lindberg later.

Maar de wereldwijde aandacht trok hij pas goed met Kraft, een oorspronkelijk als pianoconcert bedoeld opdrachtwerk van het Helsinki Festival, dat niet zozeer opent met een schreeuw als wel met een gillende oerknal. Grof gezegd is het eerste deel – hoewel opgebouwd uit diverse blokken – één groot diminuendo, een uiteenbrokkelen van geluid. Het geloei doet wel denken aan Edgard Varèse, de visionaire Fransman die in de Verenigde Staten van de jaren 1920 het orkestslagwerk emancipeerde. Klarinetten janken, de dirigent blaast driest op zijn fluitje, de pianist beukt erop los, met wilde uithalen strijden de percussiegroepen om aandacht. Maar het lawaai – heerlijk lawaai – dijt snel uit, en wijkt voor een rustiger klankbeeld. Slagwerkers gebruiken fijnzinnige brushstrokes, de celli spelen ijle noten, het klinkt of ratten ritselen in het afval. Een tweede klankgolf onderbreekt de rust: geroffel van grote troms, gegrom van elektronisch gemanipuleerde geluiden. Van de hoornisten wordt het onmogelijke gevraagd: staccatissimo presto possibile. En weer neemt het volume af. Pauzes worden langer. Pingpongballetjes stuiteren op pianosnaren. De dirigent lijkt sprakeloos, kermt in spastische lettergrepen, ‘tf, kt, pfk, efg, pf, st’. Piccolo’s produceren een zachte waterval, met één zacht nootje eindigt deel 1.

Het is ideale muziek voor een industriële omgeving. Lindberg noemde het ‘een wonder’ dat het werk, ondanks de enorme eisen, al zo’n dozijn uitvoeringen heeft gehad. Kraft past immers uitstekend in zijn vroegere motto: ‘Streven naar een klassiek uitgebalanceerde vorm is vandaag de dag zinloos. Alleen het extreme is interessant.’ Die uitspraak is in lijn met de tijdgeest van de jaren 1980 (industriële rock) en met Lindbergs streven naar onafhankelijkheid ten opzichte van de traditie (Sibelius) en de avant-garde die ook al traditie werd (Boulez, Stockhausen). Kraft was voor Lindberg de ideale manier om out of the box te componeren.

Tegelijkertijd bleek Kraft een onovertrefbare extremiteit. De Fin heeft zich sindsdien losgemaakt van dit baldadige, rauwe palet, en meer tradities en conventies toegelaten in zijn oeuvre. Het maakt hem zeer bon ton: de afgelopen twee seizoenen werd hij tot composer in residence van de New York Philharmonic benoemd, een prestigieus orkest met een conservatief publiek. Het sleutelwerk Kraft mocht als onderdeel van de residency weliswaar niet ontbreken. ‘Just a handful of unhappy patrons headed to the doors during Kraft’, noteerde de New York Times droogjes. Het grootste deel van de luisteraars bleef kennelijk geboeid zitten. Maar het zal ook aan de meer gebruikelijke klank en bezetting van Lindbergs latere werken te danken zijn, dat hij bij de New York Philharmonic als gastcomponist werd gevraagd en ook bij veel andere internationale toporkesten welkom is. Neem Feria uit 1997. Ook hier wordt lustig met decibellen gestrooid. Maar de openings­maten zijn veel toegankelijker dan die van Kraft: met een swingend tonaal motief luidt het koper een wilde orkestrit in. De totaalklank is meer gepolijst. Een statig koraal werkt zich tussen het sissende vuurwerk omhoog; het slot is feestelijk, intens feestelijk. Een soortgelijke relatieve toegankelijkheid houdt Chorale (2002) overzichtelijk, waar immers een citaat van Bach harmonisch enig houvast biedt. Inmiddels accepteert Lindberg het traditionele symfonieorkest als ‘typemachine waarmee alles geschreven kan worden’. Geen afval meer nodig.

Lindberg heeft de traditie na zijn puberjaren omarmd. Toch is hij, ondanks een toegenomen sensualiteit en meer conformistische orkest­bezetting, zijn oorspronkelijke uitgangspunt trouw gebleven. Alleen het extreme is interessant, luister maar naar de nog steeds indrukwekkende geluidsmuren in Feria, die alleen bij Kraft in het niet vallen. Ook de dynamiek tussen massa en individu is hier nog steeds hoorbaar: individuele instrumenten ontsnappen met acrobatische bewegingen voortdurend aan de grote groep. In deel 2 van Kraft lijkt die massa zich weer te hergroeperen. Het geluid van een zingend wijnglas en zacht vogelgekwetter in de blazers loopt geleidelijk over in dreigend hoorn­gegrom. De muziek zwelt aan tot overrompelende clusters van klank. Na een rustiger episode vol elektrisch insectengezoem is er geen houden meer aan: de vulkaan explodeert.

De voorbereiding zal het Concertgebouworkest vele honderden manuren hebben gekost. Naar het eindresultaat mag worden uitgekeken. Volgens de New York Times-_recensent is _Kraft ‘fascinating to hear and fun to watch’. Oren én ogen open.


Kraft van Magnus Lindberg wordt op 22 en 23 juni om 20.00 uur uitgevoerd door het Koninklijk Concertgebouworkest in de Gashouder van de Westergasfabriek.

Op beide dagen is er om 19.00 uur een inleiding door Thea Derks in Het Ketelhuis.

Een coproductie met het Holland Festival