Orestes op de weegschaal

Aischylos, Oresteia. Vertaald door M. d'Hane Scheltema, uitg. Athenaeum Polak & Van Gennep, 184 blz., 349,90. Aischylos, Het verhaal van Orestes. Vertaald door Gerard Koolschijn, uitg. Athenaeum Polak & Van Gennep, 200 blz., 349,90
Vanaf 15 augustus zijn alle gebonden boeken in de klassieke reeks van Athenaeum Polak & Van Gennep vijftien gulden goedkoper.
KORT NA DE dood van Euripides scheef Aristophanes De kikkers, een bij vlagen absurdistische cabarettekst waarin Dionysos afdaalt in de onderwereld met het plan de betreurde toneelschrijver terug te halen. Deze blijkt daar in een verbeten woordenwisseling met Aischylos verwikkeld te zijn. Inzet van de strijd is de Erezetel van het Treurspel, die door de vijftig jaar eerder overleden Aischylos werd bezet, maar waarop nu Euripides aanspraak maakt.

Hoewel Sophokles waarschijnlijk nog in leven was toen Aristophanes aan zijn script begon - hij stierf, negentig jaar oud, nog voor de première - heeft menigeen zich erover verbaasd dat hij in De kikkers nauwelijks een rol speelt. De drie Atheense tragici worden immers altijd in één adem genoemd.
In De kikkers wordt een poging gedaan te bepalen wie de grootste dichter is, Euripides of Aischylos. Aristophanes heeft ongetwijfeld beseft hoe dubieus zo'n vergelijking is, maar hij verzon een erg aardige test. Beide rivalen zullen beoordeeld worden op het soortelijk gewicht van hun verzen, en daartoe laat men een ordinaire weegschaal aanrukken. De regels die de dichters er om beurten in deponeren zijn typerend en laten de schaal driemaal doorslaan in het voordeel van Aischylos. Euripides begint met de eerste regel van Medeia: ‘O was de Argo-bark maar nooit daarheen gevlogen!’, waarop Aischylos repliceert met: 'Spercheios’ stroom en runderweidende oorden’. Euripides: 'Overreding kent geen andere tempel dan de taal’. Aischylos: 'Dood is de enige god die geen geschenken wenst’. Euripides: 'Zijn holle knuppel was gevuld met ijzer’. Aischylos: 'Ja, kar op kar en lijk op lijk gestapeld.’ Bij Euripides zijn de dingen niet wat ze zijn: de glorieuze Argo is een vogel die Medeia slechts onheil brengt, woorden worden misbruikt om tegenstanders neer te sabelen, een knuppel blijkt een loden pijp. Daar stelt Aischylos een weids landschap tegenover, de Dood zelf, en een macabere opeenhoping van strijdwagens en kadavers. Dionysos vergeet wat hij van plan was en neemt, zonder twijfel met instemming van het Atheense publiek, Aischylos mee naar boven. Dit betekent overigens wel dat Euripides voorlopig de Erezetel mag bekleden.
HET FEIT DAT tegelijkertijd twee vertalingen van Aischylos’ trilogie Oresteia zijn verschenen, is een goede aanleiding deze moeder aller tragedies te herlezen. Daar de vertalers beiden winnaars van de Nijhoffprijs zijn, is het extra spannend hun resultaten te vergelijken. Ik zal daarbij straks dezelfde weegschaal hanteren als Dionysos in De kikkers heeft gedaan.
Het verhaal is overbekend en was dat ook al voordat Aischylos zich eraan waagde. Onder zijn handen groeide deze kroniek van oneindige bloedwraak echter uit tot niets minder dan een alomvattende mythe waarin de grondslagen van de samenleving zijn verbeeld. Aischylos deinsde nergens voor terug, zeker niet voor Grote Woorden. De openingsscène van de eerste tragedie is al onweerstaanbaar. Een soldaat zit op het dak van Agamemnons paleis te wachten op vuursignalen die de val van Troje zullen melden. De man moppert wat over zijn ondankbare baan totdat het langverwachte sein inderdaad zichtbaar wordt. Opgetogen gaat de wachter het grote nieuws vertellen. Hoewel hij weet dat zich in het gezin van Agamemnon niet al te frisse taferelen hebben afgespeeld, hoopt hij op een vette fooi bij de terugkeer van zijn meester. Wat er allemaal niet in de haak is, laat hij wijselijk in het midden: 'een grote os is op mijn tong gestapt’.
Het koor van bejaarde heren onthult een deel van de voorgeschiedenis. Toen de Grieken tien jaar tevoren naar Troje vertrokken om Helena terug te halen, had de godin Artemis het leven van Agamemnons dochter Iphigeneia geëist. Gaandeweg krijgen we te horen dat moeder Klytaimnestra het verlies van haar dochter niet heeft kunnen verkroppen en inmiddels het bed deelt met Agamemnons neef Aigisthos. Het koor staat aan de kant van Agamemnon, maar durft zich niet openlijk tegen Klytaimnestra te verzetten.
Blakend van eigenwaan komt de vorst voorrijden in het lieftallige gezelschap van zijn krijgsbuit, de Trojaanse prinses Kassandra. Klytaimnestra weet hem ervan te overtuigen dat een held van zijn statuur de aardbodem niet mag betreden en lokt hem over een purperen loper het paleis in. Vervolgens nodigt ze op ijzig neerbuigende toon ook Kassandra uit binnen te komen, maar als deze niet op haar woorden reageert, verliest ze bijna haar zelfbeheersing. Nadat Klytaimnestra het paleis is binnengegaan barst Kassandra los in duistere orakeltaal. Het koor vermoedt wel dat er iets verschrikkelijks ophanden is, maar begrijpt haar woorden pas werkelijk wanneer het al te laat is. In de volgende scène staat Klytaimnestra tussen de lijken van Agamemnon en Kassandra. Zij is zich volledig bewust van wat ze gedaan heeft. Wanneer het koor zijn ontzetting uit, is haar antwoord: 'Of ú mij wilt prijzen of bekritiseren is mij om het even, dát daar is Agamemnon, mijn echtgenoot, een lijk, het werk van deze hand, een vakman die zijn werk verstaat. Zo staan de zaken.’
HET MERKWAARDIGE van deze tragedie is, dat - behalve Aigisthos - geen van de personages een onsympathieke indruk wekt. Hoe fout zijn daden ook zijn, Agamemnon is zo zeer het type van de gezellige rechtse bal dat je onmogelijk kwaad op hem kunt worden. Daarbij komt dat de wachter en het koor hem onvoorwaardelijk trouw zijn, waardoor ook wij onwillekeurig partij voor hem kiezen. Kassandra overtuigt door de mengeling van wanhoop en gelatenheid waarmee zij zich in het onvermijdelijke schikt. En Klytaimnestra heeft waarschijnlijk de beste argumenten. Haar compromisloze zelfverzekerdheid boezemt ontzag in.
Aischylos heeft de situatie in Argos een politieke dimensie gegeven door Klytaimnestra en Aigisthos herhaaldelijk als tirannen aan te duiden. In de tweede tragedie begrijpen we waarom hij dat heeft gedaan: het maakt Orestes’ moord op zijn moeder een heel klein beetje aanvaardbaar. Dat die gluiperd van een Aigisthos uit de weg geruimd wordt, is niet meer dan vanzelfsprekend. Maar je moeder van kant maken… Laat iedere lezer de krant nu even terzijde leggen en zich een paar minuten voorstellen dat hij zijn mama gaat doden. Bestaat er taal om zoiets ontzettends voelbaar te maken? Het koor denkt aan gifgrond en erfelijke kanker: 'Bloed, opgeslorpt door de voedende aarde, is gestold tot een klont van wraak die niet oplost. Uiteindelijk laat de bittere vloek overal in het schuldige lijf knoppen van ziekte zwellen.’ Dat neemt niet weg dat ook dit koor onomwonden partij kiest voor Agamemnon.
Orestes rechtvaardigt zijn handelwijze door zich op het orakel van Apollo te beroepen. Dit in onze ogen primitieve verweer maakt het verhaal echter niet minder geloofwaardig. Al schrapt men alle goden uit de Oresteia, de drijfveren van de personages blijven dezelfde. Wie een bloedverwant haat, zal dankbaar alle middelen aangrijpen om zijn gevoelens aanvaardbaar te maken, en waartoe dienen goden anders dan tot het legitimeren van menselijk gedrag? Aischylos’ stukken wemelen van goden, toch is hij niet in de eerste plaats een religieus denker. Ook zonder Apollo zou Orestes zijn moeder hebben gedood.
Na zijn daad realiseert Orestes zich dat de ellende voor hem pas begint: 'Ik weet niet hoe dit afloopt, ik ben als een menner die zijn wagen naast de renbaan stuurt. Ik verlies de macht. Zolang ik nog bij mijn verstand ben, verkondig ik hier voor mijn vrienden dat ik mijn moeder niet gedood heb zonder recht, dat godsgruwelijke monster dat mijn vader heeft vermoord.’ Direct na deze woorden ziet Orestes afgrijselijke monsters op zich afkomen, Wraakgodinnen die hem genadeloos op de hielen zullen zitten: 'Het is geen inbeelding, deze verschrikking. Dit zijn duidelijk mijn moeders woedende honden.’ Maar het koor kan hen niet zien: Orestes is gek geworden.
DEZE Wraakgodinnen domineren het slotstuk van de trilogie. De priesteres van Apollo treft hen slapend aan: 'Donker zijn ze, door en door weerzinwekkend. Ze snurken met afstotelijk geblaas, uit hun ogen stroomt walgelijk vocht, en hun kleren, zo behoor je niet gekleed te gaan voor godenbeelden, en ook niet bij mensen thuis.’ Opgejaagd door deze nachtmerrie zoekt Orestes verlossing in Athene, waar de godin Athena een speciaal gerechtshof instelt dat ook in Aischylos’ dagen nog met de behandeling van moordzaken belast was. Tijdens de zitting klagen de Wraakgodinnen Orestes aan, terwijl Apollo hem verdedigt. Het voornaamste strijdpunt betreft de vraag wie belangrijker zijn, vaders of moeders. Apollo: 'Wie moeder wordt genoemd is niet verwekker van het kind maar voedster van een pasgezaaide kiem. Hij die bespringt verwekt. En zíj bewaart de jonge loot, als gastvrouw voor een gast, wanneer een god hem niet beschadigt.’ De stemmen van de jury staken, maar Pallas Athena sluit zich aan bij de voorstanders van vrijspraak. De bijzonderheid dat zij zelf nooit een moeder heeft gehad maar uit het hoofd van haar vader is geboren, geeft de doorslag. De Wraakgodinnen worden gepaaid met een tempeltje op de Akropolis.
Velen zien dit schertsproces als het absolute dieptepunt van Aischylos’ oeuvre. Hoewel ik ook niet geloof dat deze laatste tragedie een meesterwerk is, heb ik bewondering voor de pragmatische wijze waarop de dichter een in wezen onoplosbaar probleem hanteerbaar heeft gemaakt. Aischylos lijkt te suggereren dat het niet uitmaakt met welke lulkoek je elkaar overtuigt, als er maar een einde komt aan het bloedvergieten. Het gaat er niet om wie gelijk heeft, maar hoe we het bestaan draaglijk kunnen maken. Orestes’ vrijspraak betekent de overwinning van beschaving op barbarij.
Bij de lectuur van Aischylos lopen ook degelijke classici elke tien regels wel een keer vast. Zijn Grieks is zo moeilijk, zijn woordkeus zo ongewoon, zijn beeldspraak zo barok, en zijn tekst is zo gebrekkig overgeleverd dat zelfs de grootste kenners elkaar op essentiële punten tegenspreken.
Kenmerkend voor Aischylos’ stijl zijn massieve, bilderdijkiaans aandoende samenstellingen van het type 'nachtzwervend’ en 'volkworpig’. De dialogen hebben een eenvoudig jambisch ritme, de metrische structuur van de koorliederen is daarentegen buitengewoon ingewikkeld.
In het voorafgaande heb ik steeds de vertaling van Kool schijn geciteerd omdat die dichter bij de Griekse tekst blijft dan D'Hane. In de gesproken passages heeft Koolschijn geen moeite gedaan het strakke ritme van Aischylos’ jamben te handhaven. Dat hoeft ook niet, aldus de vertaler, want de Griekse versmaat was gebaseerd op een afwisseling van korte en lange lettergrepen, terwijl wij met klemtonen werken. Dit uitgangspunt resulteert in dialogen die naar mijn gevoel even goed als proza afgedrukt hadden kunnen worden. Ook in de koorzangen heeft Koolschijn er niet naar gestreefd het oorspronkelijke metrum weer te geven, maar wie zijn vertaling hardop leest, zal ervaren hoe muzikaal zij is.
D'Hane heeft de klassieke metriek wel recht willen doen. Haar dialogen zijn metrisch regelmatig zonder in een dodelijke dreun te vervallen, en ook de koorliederen klinken als een klok. Afgezien van een enkele stoplap of rare wending is haar versie misschien 'poëtischer’ dan die van Koolschijn. Onder andere op grond van een voetnoot en het feit dat zij een door Aischylos gemaakte woordspeling op 'Helena’ precies zo vertaalt als Boutens, vermoed ik dat D'Hane zichzelf graag in de eerbiedwaardige traditie van classici als J.H. Leopold, Ida Gerhardt en Anton van Wilderode schaart.
HET WORDT TIJD de weegschaal te voorschijn te halen. Ik heb drie korte passages gekozen en geef steeds eerst de versie van D'Hane. Klytaimnestra spreekt tot Agamemnon: 'Wat mij betreft: mijn felle tranenstromen zijn/ nu wel gestuit. Het druppelt zelfs niet in mij na.’ Koolschijn: 'En wat mijzelf betreft, de gutsende bron van mijn tranen/ is nu wel opgedroogd, er is geen druppel over.’
Aangezien er in het Grieks sprake is van klaterende bronnen van huilbuien die geblust of gedoofd worden, constateren we dat D'Hane 'felle’ verzonnen heeft. Verder laat zij de tranen niet verdwijnen, zoals in Aischylos’ gewaagde formulering het geval is, maar werpt zij slechts een barrière op. Haar tweede zin associeer ik helaas met incontinentie. En het enjambement - ja, wie metrisch vertaalt, vraagt nu eenmaal om dit soort muggezifterij - is krachteloos.
Koolschijn vertaalt bijna letterlijk, hij vervangt alleen het blussen door opdrogen: het Griekse woord komt wel vaker voor in die betekenis. De schaal van Koolschijn gaat omlaag.
In de tweede tragedie haalt Orestes’ oude voedster herinneringen op: ’('n baby weet van niets, je moet hem toch/ vertroetelen als een dier? zoals je hart het voelt …/ zo'n kind dat in de wieg ligt zegt toch niet wanneer/ het honger heeft of drinken wil of plassen moet,/ dat kleine kinderlijf doet zelf wel wat het wil’. Koolschijn: 'want wat niet denken kan, dat moet je voeden als een dier./ Ja toch? Je doet zijn zin. Zolang het nog een baby is in luiers/ spreekt het niet. Het heeft honger, wil iets drinken/ of voelt hoge nood, de jonge buik gaat bij een kind/ zijn eigen gang.’
De overeenkomst tussen zuigeling en dier is dat ze geen van beiden kunnen denken en praten. Bij D'Hane is dat verband verdwenen, bovendien verandert zij 'voeden’ in 'vertroetelen’, terwijl het hier echt om zogen gaat. Daar staat tegenover dat het onzinnig is bij een baby over 'hoge nood’ te spreken, zoals Koolschijn doet. En met die 'jonge buik’ heb ik ook moeite, ook al is dat wat Aischylos schreef. De balans blijft in evenwicht.
Het koor zingt over de Trojaanse oorlog: 'God Ares, wisselaar in mensenlevens,/ die met zijn weegschaal naast het slagveld zit, stuurt uit het vuur bij Troje/ brandstapelresten, duur betaald, aan nabestaanden toe, met goedgeborgen mensenas/ de urnen vullend.’
'De god van de oorlog,/ een goudwisselaar/ die handelt in lijven/ en altijd op het slagveld/ de weegschaal bedient,/ stuurt vanuit Troje in ruil voor een man/ de geliefden het verbrande, trieste, moeilijk beweenbare schraapsel van as/ waarmee hij zijn vaten/ nauwkeurig gevuld heeft.’
Koolschijns tekst leest stroever, maar dat moet ook: het Grieks is hier zo gedrongen dat ik me zelfs afvraag of de gemiddelde Athener alles meteen begrepen heeft. D'Hane laat niet alleen een paar woorden weg, ze vervangt ook lichamen door levens en dierbaren door nabestaanden, terwijl Ares zich natuurlijk midden in het strijdgewoel bevindt in plaats van ernaast. Verder is het jammer dat de goudwisselaar een wisselaar is geworden. De schaal slaat door in het voordeel van Koolschijn.
Mevrouw D'Hane mag in de onderwereld de Erezetel bekleden - als Boutens het goed vindt, tenminste - maar de tekst van Koolschijn zal hierboven nog decennia gespeeld worden.