Orgaandonatie: over mijn lijk

Vanwege de ‘gevoeligheid van de materie’ zouden politici de kwestie het liefst niet ‘politiseren’. Als het gaat over de vraag of ons lichaam na overlijden ‘van onszelf’ of ‘van elkaar’ is - de terminologie is van het CDA-kamerlid Lansink - dan mogen politici elkaar vooral niet in de haren vliegen. En dat terwijl er haast geen meer politiek onderwerp denkbaar is dan de kwestie van de orgaandonatie.

Het onderwerp heeft werkelijk alles wat politiek nu juist zo interessant kan maken: het gaat over de verhouding burger-gemeenschap, over vrijheid versus solidariteit, over zelfbeschikking versus naastenliefde. Overwegingen uit de hogeschool van de politieke filosofie (‘mag een gemeenschap individuen iets afdwingen?’) moeten zich meten met praktische problemen ('een groeiend tekort aan organen’) met buitengewoon dramatische consequenties ('moeten we toestaan dat mensen overlijden omdat veel burgers uit nonchalance vergeten een codicil in te vullen?’). Kortom, in de orgaandonatiekwestie moet elke politicus met de billen bloot en dat is misschien wel de reden dat de Haagse uitverkorenen de indruk uitstralen dat ze deze gevoelige kwestie eigenlijk liever achter gesloten deuren hadden afgehandeld. Daar is het door de zwabberkoers van het CDA - eerst voor een toestemmingsstelsel, toen plots voor een geen-bezwaarsysteem, later weer tegen - in de verste verte niet van gekomen. Ineens leek het geen-bezwaarsysteem daardoor de wind in de zeilen te krijgen en kon minister Borst weinig anders dan zichzelf en het kabinet een adempauze gunnen. Dat zal ongetwijfeld leiden tot een waterig compromis, waarbij het huidige codicilsysteem zal worden opgetuigd met een centrale registratie plus een intensieve voorlichtingscampagne om meer donoren in het bestand te krijgen.
Dat is dan een typisch Hollandse afloop van een debat dat net is begonnen. De afgelopen week ging de discussie vooral over de vraag of het geen-bezwaarsysteem niet strijdig is met de in artikel 11 van de grondwet vastgelegde 'integriteit van het menselijk lichaam’. Dat is zeker een belangwekkend argument en het kostte de voorstanders van het geen- bezwaarstelsel dan ook moeite om daar een toereikend antwoord op te vinden. Maar daardoor kwamen de voorstanders van het toestemmingsstelsel er wel makkelijk vanaf. Want wie vindt dat de 'integriteit van het menselijk lichaam’ zo zwaar weegt, zou de logische consequenties daarvan goed tot zich moeten laten doordringen. Want is het - in het geval van orgaanschaarste - dan ook niet redelijk om vast te leggen dat de persoon die na overlijden geen organen wil afstaan om levens van anderen te redden, ook niet van anderen kan verlangen dat zij dat wel voor hem doen?
Dat idee - dat vorige week in Nova door de ethica Heleen Dupuis werd aangestipt - is aardig genoeg voor minstens nog een maand fel politiek debat. Temeer daar een dergelijke aanpak - in tegenstelling tot alle andere voorstellen - in een klap het praktische probleem van het orgaantekort wegwerkt. Want in de individuele afweging tussen lichamelijke integriteit na overlijden versus een mogelijk onnodige vroegtijdige dood zijn er vermoedelijk maar weinigen die met gerust hart voor het laatste zullen kiezen.