Media

Orgastisch Nederland

Niet alleen in het dagelijkse taalgebruik, maar ook in het sociale en politieke denken leeft een diepgewortelde notie van de samenleving (‘het volk’, 'de natie’) als een soort lichaam. Onze taal is ermee doorspekt: sla een krant of geschiedenisboek open en we lezen over volkeren die iets doen of willen, die onderhevig zijn aan stemmingen, aan trauma’s lijden of elkaar niet kunnen uitstaan - alsof het levende mensen zijn.
Nu is dat taalgebruik in de meeste gevallen metaforisch: we spreken over volken als over individuen omdat dit ons beter in staat stelt ingewikkelde verhoudingen in de sociale werkelijkheid sneller te duiden. Tegelijk blijkt de grens tussen letterlijk en metaforisch gebruik flinterdun - en de geschiedenis heeft laten zien hoe desastreus het overschrijden van deze grens kan uitpakken. Zo steldensociaal-darwinisten de internationale politiek op één lijn met de natuur waar volkeren als dieren strijden om hun voortbestaan.
Ontelbaar is het aantal politici, filosofen, artsen en andere wetenschappers uit de negentiende en twintigste eeuw die 'het volk’ of 'de natie’ letterlijk opvatten als een ondeelbaar lichaam: een lichaam met bepaalde eigenschappen, fysieke en psychische, entiteiten met een essentie. Een lichaam bovenal dat ziek kon worden of degenereren, en dat vervolgens genezen, gezuiverd moest worden. Tot welke catastrofale gevolgen dit soort opvattingen heeft geleid, hoeft hier niet te worden uitgelegd.
De laatste weken hebben nog maar eens laten zien hoe krachtig de voorstelling van een volk als een ongedeeld lichaam is. De manier, de taal en de beelden waarmee de media, in het bijzonder de televisie, verslag hebben gedaan - en zichzelf onderdeel maakten - van de stemmingsbewegingen, de massale uitingen van vreugde, spanning en verdriet vormden daarvan een treffend bewijs. 'Nederland’ was blij, trots, uitgelaten, nerveus, verslagen, dankbaar. De beeldvorming was zonder enige reflectie en nuance: Nederland werd neergezet als een ongedeeld 'wij’, als een in oranje gestoken lichaam dat zich in voortdurende staat van opwinding bevond.
Uiteraard komt dit beeld niet zomaar uit de lucht vallen. De 'werkelijkheid’ die de media de afgelopen weken construeerden - onvermijdelijk construeerden, want dat is precies wat media doen: ze scheppen de wereld in het nieuws, om met Van Ginneken te spreken - was gebaseerd op het gedrag dat miljoenen individuen uitbundig tentoonspreidden, op kantoren en op straat, in kantines en in de trein. De massale toeloop in allerlei steden, te beginnen met Amsterdam, getuigde inderdaad van een hevige oranjekoorts.
Maar als we dan toch over koorts beginnen, dan zijn er misschien betere termen. Misschien kunnen we dan beter spreken van orgastisch: Nederland als orgastisch land, voortdurend op zoek naar nieuwe kicks en meeslepende ervaringen, naar drama en rampen. Het liegt er ook niet om wat de laatste weken over Nederland is uitgestort, naast het oranje gedoe: eerst kregen we een hittealarm, waarbij we werden gemaand extra zout te gebruiken en vooral veel te drinken. Toen een zwemalarm voor enge ziektes in poelen en plassen. Vervolgens nog een hittealarm voor de oranjefans die wedstrijden op open pleinen wilden volgen. Waarschuwingen voor het verkeer met het oog op de verwachte vakantiedrukte. Een stormalarm op zondag. Nog een stormalarm op woensdag. En wie in Amsterdam werkt, kreeg bovendien vorige week maandag het advies de volgende dag niet naar het werk te gaan wanneer dat niet strikt noodzakelijk was, gelet op de verwachte drukte bij de huldiging van het Nederlands elftal.
De Nederlandse samenleving - en zij niet alleen - verkeert in een permanente staat van opwinding, zomer, herfst, winter. Er is altijd wel wat. Is het niet het weer, dan is het Joran van der Sloot, de economische crisis, een zinloze moord, een neergestort vliegtuig of een ontsnapte tbs'er. En anders zoeken we de kicks wel zélf op: pretparken, koopgoten, festivals, vliegshows, motorcrosses, desnoods Ikea. Vanuit dit perspectief was de recente oranjegekte minder een uiting van een ruw, ongegeneerd nationalisme dan een voorlopig hoogtepunt van een voortdurend, almaar sterker wordend verlangen naar collectieve, orgastische ervaringen.
Het is een verleidelijke voorstelling: een volk met een onverzadigbaar verlangen naar opwindende ervaringen. Het is een mooi beeld, maar is ook deze metafoor niet bedrieglijk? Trappen we daarmee niet in dezelfde val als de politieke denkers en artsen uit de negentiende eeuw, die hele naties 'ziek’ verklaarden? Anderzijds: misschien is het juist die dubbele natuur die dergelijke metaforen zo aantrekkelijk maakt - anders zouden ze misschien al lang een stille dood gestorven zijn.