Orgeltoon, orgeltoon…

Alice uit Alice in Wonderland van Lewis Carroll is een van de favoriete literaire heldinnen van Renate Dorrestein. Ik herinner me een vrolijke lezing die Dorrestein eind jaren tachtig over het eigenwijze en leergierige meisje gaf, en die werd gepubliceerd onder de montere titel Haar kop eraf! Alice is de ideale heldin voor feministen, stelde ze daarin, vanwege haar vermogen de meest ontregelende ervaringen te ondergaan zonder van haar stuk gebracht te worden. Als Alice een keer in zelfmedelijden dreigt te vervallen, spreekt ze zichzelf vermanend toe: ‘Hou daar onmiddellijk mee op!’ Met zelfmedelijden is niemand geholpen.

Small renate dorrestein color

De dappere Alice en haar zelfvermaning drongen zich bij mij op na het lezen van Dagelijks werk, het nieuwe boek van Renate Dorrestein. Wat doe je als schrijver als je weet dat je waarschijnlijk niet meer lang te leven hebt? Toch nog een roman schrijven, terwijl je er bijna zeker van kunt zijn dat die een Unvollendete zal blijven? Dat kun je de personages die je net in het leven hebt geroepen niet aandoen. Bovendien, schrijft Dorrestein, ‘bij je volle bewustzijn je laatste roman schrijven, bij elke zin weten dat het hier gaat om het sluitstuk van je oeuvre, orgeltoon, orgeltoon, dat leek me een opdracht waartegen ik niet was opgewassen’.

In plaats daarvan gaat Dorrestein haar huis uitmesten, een louterende bezigheid. Na het uitzoeken van haar papieren begint ze aan het uitbaggeren van haar computer en ziet ze haar schrijversleven langs zich trekken. Al die artikelen, inleidingen, lezingen en brieven die op de harde schijf staan opgeslagen, en op een stapel oude diskettes, noemt ze haar ‘schaduwoeuvre’, of misschien beter: haar ‘oefenoeuvre’. Net als Alice geeft ze zich niet over aan zelfbeklag maar besluit ze een zelfportret te maken dat uit een mozaïek van al die teruggevonden teksten bestaat. Een mozaïek dat niet alleen zicht geeft op de bronnen van haar schrijverschap, maar ook laat zien wat de dagelijkse praktijk van een schrijversleven inhoudt.

Ze verheugt zich erop een oud vrouwtje te zijn, met rare mutsjes en rare kleren en lak aan iedereen

Dagelijks werk: Een schrijversleven is een heerlijk boek geworden. Dorrestein leidt je aan de hand van die teruggevonden teksten, die ze telkens kort inleidt en soms van een uitleiding voorziet, kriskras door haar leven, ze wisselt baldadige feministische lezingen uit de jaren tachtig af met serieuzere bespiegelingen over wat volgens haar de taak van de schrijver is, bezingt haar liefde voor het ruige Schotse landschap, de troost van aardappelpuree en de onthutsende Murder Ballads van Nick Cave, en laat aan de hand van brieven aan scholieren, aspirant-schrijvers, uitgevers, vertalers en schrijvers van filmscripts zien tot wie je je als schrijver in je dagelijks leven hebt te verhouden.

Bij elkaar geeft het boek een prachtig beeld van de veelzijdigheid van Dorresteins schrijverschap. Ze brengt in herinnering wat voor ‘feministische Pietje Bell’ ze was in een hilarische lezing over de clitoris die ze in 1988 voor een zaal vol mannelijke seksuologen hield, met fijne zinsneden over hoe de clitoris ‘enkele eeuwen na Amerika – maar gelukkig nog net voor mijn geboorte –, eindelijk was ontdekt’. Uit het naschrift bij de lezing geeft ze toe dat ze wist dat het ‘de gemiddelde man dit, de gemiddelde man dat’, dat ze voortdurend terug liet komen, de zaal woest zou maken. Inderdaad kwam na afloop van haar verhaal het voltallige bestuur van de Rutgers Stichting op haar afgestampt en blafte de voorzitter haar toe: ‘Jij bent zeker nog nooit behoorlijk geneukt.’

Maar naast de sarrende en de polemische Dorrestein is er in dit boek ook de wijze, de empathische, de soms genadeloze maar meestal heel aardige, de bewonderende, de fantasievolle, de betrokken, de dappere, de geestige en de ernstige Dorrestein. Zoals in het scherpe en principiële stuk over de moraal van het verhaal dat ze in 2009 schreef, waarin ze de smetvrees van veel critici hekelt voor romans met een boodschap – ‘onder het motto “boodschappen doe je maar in de supermarkt”’ – en tegelijk een pleidooi houdt voor literatuur die vraagtekens plaatst bij de moraal van onze tijd. Het komt in meerdere teksten terug: de eenzijdigheid van de Nederlandse literatuur en hoe onthand recensenten kunnen zijn als je, zoals Dorrestein, een zwakbegaafd hoofdpersonage opvoert, of een meisje dat in garageboxen seks heeft in ruil voor een dropveter. Het is een ernstig pleidooi voor romans die ergens over gáán.

Een Dorrestein met zelfmedelijden over haar ongeneeslijke ziekte treedt niet op in Dagelijks werk. Over de dood is ze eerder nuchter, of sardonisch à la Nick Cave in zijn Murder Ballads, waarbij ze graag luidkeels meezingt: ‘All God’s creatures have to die-ie-ie!’ Maar dat wil niet zeggen dat ik het mozaïek van haar schrijversleven, hoe lichtvoetig ze ook is, haar literaire voorbeeld Kurt Vonnegut indachtig dat hoe serieus een onderwerp ook is je er ook licht over kunt schrijven, niet soms met tranen in de ogen heb gelezen. Bijvoorbeeld als ze aan het eind van het boek beschrijft hoe ze zich erop verheugt een oud vrouwtje te zijn, met rare mutsjes en rare kleren en lak aan iedereen. Ja, zo had ik Renate Dorrestein ook graag gezien.