Italiaans icoon werd heldin van rechts

Oriana’s laatste fanclub

Op de ochtend van 11 september 2001 is de zieke Oriana Fallaci zoals altijd alleen thuis in Manhattan. De laatste vijf jaar van haar leven rekent ze definitief af met het politiek correcte denken.

DE ICOONFOTO’S: haar besmeurde filmsterrengezicht onder de helm - Vietnam 1968. Plat op haar buik op het Plein van de Drie Culturen terwijl de kogels haar om de oren fluiten tijdens het bloedbad van Tlatelolco - Mexico-Stad 1968. In het existentieel zwart met coltrui en een schitterende haarcoupe, een Italiaanse Jeanne Moreau die lijkt te vluchten uit een dramatisch decor van een restantje oudheid op de voorgrond, waarachter dreigende Oostblok-flatgebouwen verrijzen, waarschijnlijk Athene halverwege de jaren zeventig. In kleermakerszit en soldatenuniform naast een grote hutkoffer in een legertent, twee Lolita-vlechtjes langs het sensuele ik-heb-zogenaamd-niet-door-dat-ik-gefotografeerd-word-gezicht.
Oriana Fallaci heeft haar hele leven met strakke hand gebouwd aan de mythe die ze wilde worden. Er bestaan van haar geen toevallige foto’s of gestolen snapshots. Naarmate haar gezicht minder fotogeniek werd en ook de decors minder meeslepend - de New Yorkse huiskamer, schrijftafel en skylines van haar laatste zestien jaar - kwamen er meer attributen aan te pas. Altijd een brandende sigaret tussen de vingers, graag met een opkringelende sliert rook langs steeds meer rimpels, iets te nadrukkelijke hoeden, jaren-zeventig-zonnebrillen met uilenmonturen, strakke mondjes met veel rood, toegeknepen spleetjesogen van zij die permanent heel hard aan het denken is.
Er is maar één foto waarop ze lacht. Dat is de foto van 21 augustus 1973, de avond waarop ze de liefde van haar leven ontmoette. Alekos Panagoulis, de Griekse dichter en verzetsheld die vijf jaar eerder een mislukte aanslag had gepleegd op kolonel Papadopoulos en bijna was doodgemarteld in de militaire gevangenis. Ze zitten aan een tafeltje in het ouderlijk huis van Panagoulis; hij is die dag vrijgekomen dankzij de gratie die hem onder zware druk van de internationale gemeenschap uiteindelijk was verleend. Oriana Fallaci vliegt meteen naar Athene om de held te spreken voor het Italiaanse weekblad Europeo, en dat wordt haar persoonlijke afspraak met de geschiedenis. Vanaf de eerste seconde waarop ze elkaar in de ogen kijken is het allemaal groots, door de goden voorbestemd, een Griekse tragedie met de elementen liefde, verdriet en dood. Op 1 mei 1976 zal Panagoulis door de zoveelste auto waar hij onophoudelijk door wordt achtervolgd, in de gaten gehouden, van de weg geduwd, in een parkeergarage in Athene tot moes worden gereden.
Haar lach op die foto is een ontwapenende, verlegen lach. Zij is 44, hij is 34. Zij is op dat moment al lang de beroemdste journaliste ter wereld met de status van een rockster, ze heeft Henry Kissinger, Willy Brandt, Golda Meïr, Indira Gandhi, Ali Bhutto, Haile Selassie en de sjah van Perzië al baanbrekend geïnterviewd. En ze heeft alle brandhaarden en oorlogen van die jaren gecoverd. Panagoulis is een onooglijk mannetje met een snor, lelijk eigenlijk, maar onweerstaanbaar, volgens haar. Die stem. Die blik. Dat charisma.
Alekos, wat betekent het om een man te zijn?
‘Het betekent moed hebben, waardigheid hebben. Het betekent geloven in de mensheid. Het betekent durven lief te hebben zonder je vast te klampen aan de liefde. Het betekent vechten. En winnen. Eigenlijk min of meer wat Kipling zegt in dat gedicht If. En jij, wat is een man voor jou?’
Ik zou zeggen dat jij een man bent, Alekos.
Ze ziet het dan al: tegenover haar zit haar toekomstige bestseller, Un uomo ('Een man’), miljoenen boeken wereldwijd verkocht, in 21 talen vertaald. Het interview in Europeo werd gepubliceerd in september 1973. Het is de typische hyperpersoonlijke stijl van Fallaci’s interviews. Ze stelt hem niet één vraag zonder 'Alekos’ erin. Het boek schreef ze pas na zijn dood, bedoeld 'om hem wat minder dood te laten zijn’. Het kwam uit in 1979. Ze had daarvoor al een andere wereldwijde bestseller geschreven, Lettera a un bambino mai nato, ('Brief aan een nooit geboren kind’, 1975). Een vuistslag in het gezicht van de abortusstrijd die in die jaren ook in het zwaar katholieke Italië hevig woedde. Het is de brief van een vrouw die onbedoeld zwanger is, en zich richt tot de vrucht in haar buik. Een vrouw met een voorspoedige carrière, al wordt niet duidelijk wat ze doet, behalve steeds op reis gaan. En ze staat er helemaal alleen voor. De druiloor die haar zwanger heeft gemaakt probeert eerst uit alle macht om haar telefonisch over te halen zich te laten aborteren, en meldt zich pas na de eerste paar maanden met een lullig bosje chrysanten. Hij wurmt zich in haar bed en probeert haar over te halen om weer te doen wat ze al vele malen eerder passioneel hebben gedaan, maar zij wil niet. Want ze wil het kind in haar buik beschermen, waarvan ze de groei via plaatjes uit een encyclopedie van dag tot dag volgt. Ze heeft alle argumenten van de moderne vrouw in handen, maar ze besluit het toch te houden, uit respect voor het leven an sich - wat de katholieke kerk als muziek in de oren moet hebben geklonken, maar wat haar door haar Italiaanse geëmancipeerde zusters niet in dank werd afgenomen.
Die man moet Panagoulis zijn geweest. Er is maar één getuigenis te vinden waarin dit wordt bevestigd. Een recensie in de Corriere della Sera, Oriana’s eigen krant, uit 1979 bij het uitkomen van Un uomo. De recensent schrijft eigenlijk niet zozeer wat hij van het boek vindt, als wel wat hij van de Griekse verzetsheld Panagoulis en zijn vrijheidsstrijd vindt. 'Panagoulis had duizend keer de kans om echt wat te doen, maar mist steeds het momentum uit een soort verkeerd berekende branie. Dat maakte hem tot een zeer moeizaam te verdragen mens, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen, en met name voor degene die hij lief had. Oriana Fallaci verliest daardoor het kind, het beroemde nooit geboren kind, dat sterft in haar schoot.’
Het is opmerkelijk dat juist dit zo belangrijke feit wordt verzwegen in Een man. Opmerkelijk omdat het een boek is dat pretendeert de hele waarheid te vertellen over een held die volgens Fallaci niet verloren mag gaan voor de geschiedenis. Waar Panagoulis’ onvergetelijkheid precies in schuilt, is voor de lezer anno 2011 moeilijk te begrijpen. Op een bepaald moment wil hij bijvoorbeeld 'de Akropolis bezetten’ en daarmee de misdadige kolonels van de militaire junta dwingen om met hem te komen onderhandelen boven op het symbool van de westerse beschaving onder het oog van de camera’s van de hele wereld. Als Oriana - die zichzelf 'zijn Sancho Panza’ noemt - nuchter opmerkt dat hij waarschijnlijk binnen 1,1 seconde met helikopters vanuit de lucht zal worden neergeschoten, is Alekos woedend. Wekenlang is hij obsessief bezig met de voorbereiding van zijn Akropolis-plan, er mag over niets anders worden gedacht en gesproken dan dat, en dan opeens - poef! - is het voorbij. Zij is onnoemelijk opgelucht, maar snapt het niet echt. Dat inzicht komt pas later, na zijn dood: 'Je wierp je keer op keer met hart en ziel op dingen die jouw leven en dat van wie naast je leefde volkomen verpestten, als een pantserwagen die alles wat op zijn pad komt verplettert, en dan ineens de pirouette: je gaf het op en je had het er nooit meer over.’
Fallaci neemt haar Don Quichot mee op sleeptouw naar Italië, in de hoop politieke medestanders te vinden voor zijn strijd. Ze introduceert hem bij wie hij maar wil, legt hem in de watten, huurt een schitterend appartement in een verborgen groene villawijk van Florence, neemt hem mee naar haar buitenhuis in het glorieuze landschap van Chianti, maar het is allemaal niet wat Alekos bedoelt. Hij is ontevreden, teleurgesteld, begrijpt niet dat hij niet door de wereld wordt onthaald als een held, en sluit zich hele dagen mokkend op in een kamer met de luiken potdicht en het elektrische licht aan. 'Maar de zon schijnt!’ protesteert zij zwakjes.
Dit schrijft ze allemaal eerlijk op in Een man, en het is moeilijk om te geloven dat het een literaire creatie betreft, want de feiten kloppen als een bus en bovendien is Fallaci boven alles altijd een journalist gebleven. Zelf wilde ze op den duur alleen nog 'schrijver’ (mannelijke vorm!) worden genoemd, en dat is ook het enige dat ze op haar grafsteen heeft laten zetten: Oriana Fallaci. Schrijver. Florence 1929-2006. Maar wat ze níet schrijft, is dat ze op haar 44ste, misschien 45ste, spontaan zwanger was van de liefde van haar leven en dat hij zich geen seconde heeft beziggehouden met de vraag wat dat voor haar betekende. Als Panagoulis inderdaad de laffe 'vader’ is die in Brief aan een nooit geboren kind wordt opgevoerd, dan zegt dat meer over hem dan al zijn mislukte heldendaden bij elkaar. Hij doet er alles aan om haar op stang te jagen, wil neuken (hier past het lelijke woord helaas) zonder zich te informeren over haar toestand en die van het kind in haar buik (wankel, want ze verliest al bloed op dat moment) en creëert voortdurende psychologische shockeffecten die er uiteindelijk aan bijdragen dat de vrucht na drie maanden afsterft. Dit terwijl zij niets van hem vraagt, uitstekend in staat is om de economische en morele verantwoordelijkheid voor het kind te dragen, en alleen rust nodig heeft, zoals de dokter haar steeds streng blijft voorhouden.
Waarom is dit feit uit het verre verleden van belang? Omdat het een aanwijzing is voor Oriana Fallaci’s neiging tot het ontwikkelen van een visie die dwars tegen alles in moet worden volgehouden. Was ze in 1975 nog boos en bedroefd over haar nooit geboren kind, in 1979 had dat verdriet plaatsgemaakt voor een ander verhaal: het verlies van de held Panagoulis. 'Ik kan onze verhouding niet als een romantische geschiedenis zien,’ zei ze bijna dertig jaar later in haar doorrookte New Yorkse appartement, 'het was een politieke keuze, van beide kanten.’ Zo moest het verhaal van haar en Panagoulis de geschiedenis in, en dat is ook gelukt.

FALLACI’S NEIGING tot visies zat er altijd al in. Toen ze alleen nog maar de Italiaanse Bibeb was vanwege haar hondsbrutale interviews met internationale filmgrootheden mocht ze Federico Fellini een keertje interviewen. Het was 1963 en Fellini is op dat moment God. Hij heeft zijn eerste twee Oscars voor La Strada en Le notti di Cabiria al gekregen, de hele wereld is naar de bioscoop gerend voor La dolce vita, en nu heeft hij een film gemaakt die dat alles nog eens overtreft, 8 ?, volgens velen zijn absolute meesterwerk, een paar maanden later ook weer bekroond met een Oscar. Oriana Fallaci is op dat moment 34. Fellini speelt met haar, laat haar wachten, spreekt af en komt niet opdagen, enfin, tegen de tijd dat het interview eindelijk plaatsvindt is ze goed geïrriteerd. 'Ik mag hem een stuk minder dan voorheen’, schrijft ze in haar ellenlange inleiding. Fellini is ontzettend geestig tijdens het gesprek, zij zit alleen maar te hengsten op die ene vraag: 'Biecht het nou maar op, 8 ? is volkomen autobiografisch, dat is de conclusie, toch?’
Dat 8 ? een autobiografische film is, is zo klaar als een klontje: een regisseur in creatieve crisis, Fellini heeft zelfs zijn echte minnares Sandra Milo opgevoerd als filmminnares, Giulietta was daar helemaal niet blij mee, en ook niet met het personage van de verbitterde, kettingrokende echtgenote (een briljante Anouk Aimee), enfin, de maestro heeft geen zin om Fallaci’s gezeur te beantwoorden want hij heeft al genoeg problemen thuis. Uffa che noiosina, - 'Hé, drammerdje,’ - zegt hij tegen haar, en komt vervolgens met een prachtige uitspraak. 'De conclusie, als we het over conclusies moeten hebben, is deze: het heeft geen zin om verkrampt te willen begrijpen, waar het om gaat is dat je je openstelt en probeert te voelen, dat je daaraan over durft te geven.’
En misschien is dat wel precies het sleutelwoord voor het leven van Oriana Fallaci: verkrampt willen begrijpen. Volgens iemand die haar van nabij heeft gekend, Lucia Annunziata, zelf ook een journalistieke coryfee en collega-oorlogscorrespondente van Oriana tijdens onder andere de Golfoorlog, heeft Italië haar nooit goed begrepen. 'Oriana was een journaliste in de Angelsaksische traditie, iemand die opschrijft wat ze ziet en wat ze denkt, totaal onverschillig voor de ideologische moestuinen waarin het thuishoorde. Ze heeft in haar leven verschillende fanclubs gehad: toen ze jong was, was ze de heldin van links, vanwege haar anti-Vietnam- en later anti-Amerika-verhalen, of althans dat dacht men, vanwege dat interview met Kissinger waarin hij zich onsterfelijk belachelijk maakt door zichzelf een “eenzame cowboy aan de kop van de karavaan” te noemen. Onzin, want Oriana is nooit anti-Amerika geweest, integendeel. En links wilde haar ook graag inlijven vanwege het natuurlijke feminisme dat ze uitstraalde, behalve natuurlijk haar Brief aan een nooit geboren kind, dat vonden ze weer helemaal niet leuk. Voor de PCI (de Italiaanse Communistische Partij) was ze altijd een beetje te burgerlijk. En later, nou ja, dat is bekend, toen is ze helemaal ingelijfd door rechts vanwege haar post-9/11-geschriften. Bij rechts heb je altijd meteen die hysterische blijdschap als ze iemand tot de hunnen mogen rekenen die thuishoorde in het andere kamp, en dan zeker een icoon als Oriana. Maar ze is nooit een politiek persoon geweest.’
Op de ochtend van 11 september 2001 is Oriana Fallaci alleen thuis in Manhattan, zoals altijd de laatste elf jaar. Voor ze het werk aan de geschiedenis van haar Florentijnse familie vanaf 1700 hervat, doet ze de tv aan, geheel tegen haar gewoonte zo op de vroege ochtend, maar 'ze heeft een voorgevoel’. Wat ze dan ziet maakt haar zo razend, 'de vliegtuigen die zich als een mes in de boter in de Twin Towers boren’, dat ze zich er de tijd die nog haar nog rest (bijna exact vijf jaar) volledig aan wijdt. Ze schuift de familiegeschiedenis opzij en ramt van start op haar Olivetti. Ratatatata, De woede en de trots, dat verschijnt op 29 september 2001 in de Corriere della Sera, haar krant van oudsher. Het is een gigantisch stuk, de Corriere is die zaterdag al voor de lunch uitverkocht, het verhaal wordt over de hele wereld in stukken en beetjes vertaald, samengevat, het doet een enorme hoop stof opwaaien. Je zou kunnen zeggen dat het de definitieve afrekening is met politiek correct denken, en dat van iemand als Oriana Fallaci, die wereldwijd te boek staat als een instituut.
Zij die kanker heeft waarschuwt vanuit het hart van Manhattan de westerse wereld voor wat ons te wachten staat. Europa zal 'Eurabië’ worden, de moslims zijn al vijf eeuwen bezig om ons te bezetten via een geraffineerde inname van ons territorium, want ze 'planten zich voort als ratten’, en wij zitten een beetje te suffen en multiculti te doen, in plaats van ze allemaal onmiddellijk terug te sturen naar de woestijn, waar ze thuishoren. Dat is zo'n beetje de samenvatting, al doet het aan haar stijl, eruditie en kennis van zaken geen recht. In 2004 volgen nog De kracht van de rede en Oriana Fallaci interviewt zichzelf: De Apocalyps. Dit samen vormt haar 'post-9/11-trilogie’ die haar inderdaad wereldwijd een helemaal nieuwe fanclub oplevert. Voor Italiaans links heeft Oriana na haar trilogie voorgoed afgedaan. Haar laatste jaren in New York zou ze de weg helemaal kwijt zijn geraakt, deels veroorzaakt door haar zelfgekozen isolement, deels door de kanker. 'Erg, erg treurig,’ zegt de feministische Natalia Aspesi, een vooraanstaande naam van de grootste linkse krant La Repubblica, 'het is afschuwelijk, wat Oriana vlak na 9/11 heeft geschreven, maar je moet het haar vergeven. Ze was toen al ernstig ziek.’
Maar Lucia Annunziata, toch ook ooit begonnen binnen de communistische gelederen, ziet het anders en heeft Oriana Fallaci nog heel mooi weten te portretteren in Unpublished portrait of Oriana Fallaci: The greatest Italian woman writer. Een toevalstreffer. Annunziata stond met een Italiaanse collega in de lobby van een New Yorks hotel met allebei De woede en de trots in de hand. Het was 13 december 2001, drie maanden na de Twin Towers, en het boekje was net die dag uitgekomen in Italië. Oriana Fallaci duikt er op af als een ekster op een spiegeltje, en diezelfde avond zitten Annunziata en de Italiaanse collega in Fallaci’s kleine brownstone house in Manhattan te kijken naar de videoboodschap van Bin Laden, waarin hij met een giecheltje zegt: 'We hadden wel doden voorzien, maar we hadden niet gehoopt op zoveel…’ Razend schreeuwt Oriana Fallaci naar het tv-scherm: Maledetto! Maledetto! ('Vervloekte! Vervloekte!’) Het wordt een lange avond, en uiteindelijk lukt het Lucia Annunziata om Oriana over te halen tot een gesprek, géén interview, nee, 'een gesprek’, dat zich uitstrekt over enkele dagen.
Het is misschien wel het laatste echte gesprek met Oriana Fallaci dat is vastgelegd. Ze deed niet meer aan gesprekken, laat staan interviews, ze nam de telefoon niet op behalve als je een intimus was die de belcode kende (vier keer over laten gaan, neerleggen, vijf minuten wachten, opnieuw bellen, twee keer over laten gaan, enzovoort). Ze had geen antwoordapparaat, ook geen computer, ze werkte op de oude, gammele Olivetti die Vietnam nog had meegemaakt, ze was kortom zwaar aan het 'Greta Garboën’, zoals Annunziata haar schertsend verwijt. Alleen nog in staat tot het afvaardigen van geschriften, maar zeker niet tot het luisteren naar anderen, want dat stoorde maar. Het ging om Haar, om wat Zij te zeggen had, want Zij had het allemaal meegemaakt, gezien, en alleen Zij had het recht op het universele oordeel over alles.
En dan toch, heel eerlijk tegen haar vriendin Annunziata: 'Kijk, ik ben natuurlijk absoluut tegen oorlog. Ik heb altijd de horrors van de oorlog verteld - en daar stopte ik. Ik heb nooit de kracht gehad om de duistere fascinatie op te biechten, de perverse verleiding die oorlog uitoefent op iedereen die erin terechtkomt. Die verleiding - God vergeve me - komt voort uit de vitaliteit van de oorlog, de vitaliteit van de uitdaging. Laat ik het voor eens en voor al gezegd hebben, diep door het stof, maar voor eens en voor altijd: ik heb me nooit zo levend gevoeld als al die keren dat ik levend uit een oorlog kwam, omdat ik de uitdaging met mezelf had gewonnen.’
De verslaving aan die uitdaging heeft ertoe geleid dat ze één oorlog te veel heeft meegepakt: de Golfoorlog. 1990, Saddam Hoessein steekt de olie-installaties van Koeweit in brand omdat het buurland olie stal van Irak, volgens Saddam. Oriana Fallaci strandt met een groep Amerikaanse marines midden in de pikzwarte hel die opsteeg uit de putten, en dat is volgens haar de oorsprong van de kanker, die kort daarna bij haar werd geconstateerd. 'De alien’ noemde ze haar ziekte. Razend werd ze als iemand voorzichtig suggereerde dat je hele leven lang ettelijke pakjes sigaretten per dag verstoken misschien ook had bijgedragen aan haar longkanker. 'Roken desinfecteert de longen, idioot!’ grauwde ze dan. Tot haar laatste dagen in New York liet ze sloffen 'Virginia Circles’ thuisbezorgen, vijftien sloffen per keer, die er snel doorheen gingen.
Het zou een beetje kort door de bocht zijn om te beweren dat 'De alien’ en de Libanese burgeroorlog, waarover in 1990 haar boek Insjallah verscheen, de enige redenen zijn voor haar post-9/11-cyclus die haar tot de heldin van rechts heeft gemaakt. Maar Oriana Fallaci was een expert van oorlog, niet van vrede. Onomstotelijk is wat zij heeft gezien en meegemaakt van grote waarde, maar oorlog, een situatie waarin zij zich op haar best voelde, is toch niet het enige observatiepunt om de ander te beoordelen. Zelfs in haar interviews creëerde ze altijd een oorlogssituatie tussen haar en de ondervraagde. Gotcha!-journalistiek noemde de grote Gay Talese dat deze zomer tijdens zijn bezoek aan Rome voor een literaire prijs die hem werd uitgereikt. Het boegbeeld van het Amerikaanse New Journalism bedoelde dat niet als een compliment. Bij een vraag over Fallaci rimpelde de van origine Calabrese Gay Talese zijn neus: 'Zij is de uitvinder van de Gotcha!-journalistiek, allemaal de schuld van de verdomde bandrecorder. Ik heb nooit een bandrecorder gebruikt in mijn leven. Ik noem dat niet observeren, wat zij deed. Klak, bandrecorder aan, iemand zo snel mogelijk provoceren tot overdreven uitspraken, klak, bandrecorder uit, en klaar is de cover. Wat ze heeft gedaan bij ayatollah Khomeini, ineens tijdens het gesprek haar chador af rukken, belachelijk! Dat noem ik geen journalistiek, dat noem ik stunten.’ (Volgens de zoon van Khomeini, die aanwezig was bij dit interview, moest de ayatollah er trouwens hartelijk om lachen, wat toch voor hem pleit).
Zeker, Oriana was altijd gek op provoceren, en dat is haar laatste fanclub ook. Geert Wilders vindt haar fantastisch, ze wordt genoemd in het document van de Noorse massamoordenaar Breivik als inspiratiebron, en ook in Italië is ze ingelijfd bij de 'wij tegen zij’-groep, maar dat geldt om eerlijk te zijn in Italië voor alles en iedereen. Toch is het raar om in Libero - een krant die nuttig is om te lezen als je het Berlusconi-volk wilt leren kennen, maar niet een krant in de 'Angelsaksische traditie’, to put it mildly - de volgende lofrede te lezen:
'Wij zijn verliefd op Oriana. En wij zijn ook haar devote dienaars, wij eren haar. En o wee wie haar ook maar een haar durft te krenken. Als Libero vandaag bestaat, met zijn directheid zonder fluwelen handschoentjes, dan is dat voor een belangrijk deel te danken aan Oriana Fallaci. Zij heeft een heel volk geholpen om tot uitdrukking te brengen wat in ons leeft, maar waar we ons misschien voor schaamden. We voelden dezelfde dingen als Oriana, maar wij hadden niet de kracht van haar woorden, en we werden uitgelachen. Oriana leeft voort in Libero. De inkt waarmee ze het heeft opgeschreven in de Corriere is in Libero tot kokend bloed geworden.’
Je zou haar willen vragen: 'Was dat de bedoeling, Oriana?’
Maar Oriana Fallaci doet geen interviews meer.