Willem Jan Otten

Orthodoxe verandering

In de essaybundel Onze lieve vrouwe van de schemering belijdt Willem Jan Otten exclusief zijn geloof. Pure orthodoxie, vindt Daniël Rovers. ‘Gelul’, schreef Kees ‘t Hart regelmatig in de kantlijn.

Willem Jan Otten, Onze lieve vrouwe van de schemering. € 17,50

Ook ik heb ooit gebeden. ’s Avonds, in bed, bad ik voor de gezondheid van mijn ouders en familie, en vervolgens voor mijn populariteit op het schoolplein, meer doelpunten op het voetbalveld en minder puistjes op mijn gezicht. In deze tijd bezocht ik soms, voornamelijk om mijn wensen kracht bij te zetten, een kerk. De Sint Jan de Doper in Keijenborg was een donker en tochtig hol. Ik herinner me de permanentjes in de banken voor me, het winterjassenzweet, de dorheid van de ceremonie, opgevoerd als een slecht toneelstuk; een wereldvreemdheid ook, doof en blind voor alles wat deze aarde tot zo'n fascinerende uithoek maakt.
Hoe anders beleeft Willem Jan Otten een mis. Voor hem betekent het katholicisme sinds zijn late bekering in 1999 juist een verlossing uit de dorheid. Het geeft hem iets terug van de ervaring die hij ‘al levend verloren heeft’. Het bracht bovendien uitkomst bij de kwellende vraag hoe hij beschikbaar moest blijven voor gestorven naasten, wat bij hem tot een militant verweer leidde tegen de stelling 'dood = dood’. In de essaybundel Onze lieve vrouwe van de schemering belijdt hij zijn geloof opnieuw, zij het minder polemiserend dan in zijn eerste belijdenis Het wonder van de losse olifanten (1999). De persoonlijke kern van dat betoog heeft niettemin een plek gevonden in dit recente boek, en die kern luidt: 'Ik wil geloven, niet weten.’
Niet zo heel lang geleden schreef ik een proefschrift over zes auteurs, onder wie Willem Jan Otten. Daarin beweerde ik dat in zijn vroege periode, die loopt tot de essaybundel De letterpiloot uit 1992, het onbegrip van de ervaring centraal staat. De auteur wantrouwt de literaire herinnering, omdat daarin de meest ingrijpende gebeurtenissen gereduceerd worden tot hapklare anekdotes. Als de vroege Otten zich de 'dorheid’ van een jeugdervaring had herinnerd, zou hij zich waarschijnlijk meteen afvragen of dat oordeel niet als een projectie achteraf moest worden beschouwd. Een breuk met deze sceptische houding treedt op in het latere werk, ingezet met de Kellendonklezing die de auteur in 1995 hield. Dan gaat de overtuiging overheersen dat de mens het werk van God is.
In de recensies van Ottens latere proza en poëzie werd de uitgedragen levensbeschouwing van de auteur over het algemeen minzaam geduld of, in christelijke tijdschriften als Liter, geprezen. Natuurlijk, er waren stekelige reacties op het Olifanten-pamflet, maar die tekst vond de schrijver zelf achteraf ook wat al te strijdvaardig. De roman Specht en zoon werd voornamelijk geprezen en de auteur ontving er de Libris Literatuurprijs voor. Mij viel echter op dat het latere werk van Otten niet alleen programmatischer was geworden, maar ook slordiger, misschien omdat het te veel toewerkte naar een vaststaand doel. Dat gold met name voor het essayboek Waarom komt U ons hinderen (2006), met opstellen over de auteurs die Otten geestelijke bijstand hadden verleend tijdens het proces van zijn bekering.
'Mensen mag je niet verwijten als ze zichzelf in een ander licht gaan zien’, schrijft Willem Jan Otten in Onze lieve vrouwe van de schemering - en daar heeft hij natuurlijk gelijk in. Bovendien, zo stelt hij, het is niet waar dat iemand als gelovige niet kan essayeren omdat hij al gevonden heeft. Belangrijker is namelijk zich af te vragen wat dat vinden precies betekent. Een typische Otten-toevoeging, eentje die tot nadenken stemt en die in ieder geval een mooie omschrijving biedt van datgene waar Otten dit decennium mee bezig is geweest: uitzoeken wat het vinden voor hem betekent, en navorsen wat hij al gevonden had. Het onderzoek voert hij met een respect afdwingende openhartigheid, met alle naïviteit die hij in zich heeft. Nog altijd is hij een gedreven lezer, kijker én schrijver. Meesterlijk schrijft Otten over zijn geliefde mentor Chris van Geel, over Harry Potter, over de pedoseksuele en diep gelovige dichter Willem de Mérode. En over de atheïstische regisseurs Stanley Kubrick en Ingmar Bergman, misschien wel de beste stukken in de bundel, waar bovendien het G-woord niet of nauwelijks valt, het woord dat elders in de bundel eerder benauwt dan verlost. De auteur is zich óók daar bewust van. In een moment van zelfkritiek spreekt hij over zijn belijdenisdrift als een rondzingende 'oude radio’.
Orthodox is het wel allemaal, en de schrijver is opnieuw de eerste om dat, niet zonder trots, toe te geven. Orthodox, in de eerste plaats, in politiek opzicht. De mogelijkheid tot abortus en euthanasie, levensbepalende verworvenheden van het seculiere tijdperk, Otten zou ze liever afgeschaft zien. In de tweede plaats belijdt Otten nadrukkelijk een artistieke orthodoxie. En die is als volgt samen te vatten, in de woorden die Otten hanteert in een gastcollege te Berlijn: 'Elk verhalend kunstwerk is een manier om te ontdekken wat er al is.’ Wat er al is, dat zijn volgens Otten de oerverhalen, die alle teruggaan tot het paradijsverhaal.
Die artistieke orthodoxie maakt voor mij het latere proza van Willem Jan Otten eigenlijk onleesbaar. Otten roept de grote tragedieschrijvers te hulp, die hun meesterwerken schreven om de mensen 'op hun plaats te stellen’. Dat verraadt een enorme arrogantie, want wie mag die onwetende mensen vandaag de dag op hun plaats zetten? Natuurlijk: de zich dienstbaar wanende auteur. Een auteur die stelt dat elk vruchtbaar verhaal handelt over verandering, en die verandering vervolgens vooral individueel invulling geeft, namelijk als het inzicht dat hij een schepsel Gods is, dat hij in een groter religieus verband wil leven. Dat levert pure orthodoxe verandering op, met andere woorden: alles blijft bij het oude.
Een aantal maal in Onze lieve vrouwe van de schemering denkt Otten in generaties. Hij spreekt van 'zijn generatie’, de generatie die het geloof niet meer als vanzelfsprekend kon ervaren en zich dus maar behielp met het 'oprecht veinzen’ ervan. Die laatste term is afkomstig van Frans Kellendonk (1951-1990), in hetzelfde jaar geboren als Otten en meermaals de inspiratiebron van zijn schrijven. Ook Kellendonk koketteerde met een heimwee naar het katholieke verleden en liet in zijn proza een ironisch verlangen naar een geloofsgemeenschap voelen. Maar hij was niet alleen reactionair; tegelijk pleitte hij voor een religie van de aarde, in een anticipatie van de groene ideologie die de laatste decennia aan kracht heeft gewonnen. Want verandering is wel degelijk nodig, maar het probleem is dat Nederlandse intellectuelen - beslist niet alleen Otten - dat sinds het einde van de vorige eeuw steeds meer in individuele overtuigingen, in normen en waarden zijn gaan zoeken. Dat is de kern van het conservatisme, dat veranderingen in de wereld door middel van collectieve maatregelen voor onwenselijk houdt.
Zonen vermoorden zelden hun vader, ze schurken gewoon tegen een andere schaduw in een lange regenjas aan. En verder spitsen ze hun oren als er wijze raad wordt gegeven: 'Een criticus wint aan gezag als hij op een aanstekelijke wijze aantoont dat hij niet weet wat poëzie is. (…) In de praktijk doen critici het omgekeerde en begaan zij de doodzonde van weten waar ze het over hebben.’ Otten heeft in zijn boek felle kritiek op de neerlandistiek, die alleen maar in de waan van de dag zou zijn geïnteresseerd en religieuze auteurs het liefst beschouwt losgemaakt van hun geloofsovertuiging. Op de neerlandistiek valt inderdaad het nodige af te dingen, goed dat de auteur zijn stem verheft. Binnenkort promoveert Johan Sonnenschein op een studie over Ottens en Nijhoffs wending tot het katholicisme en die van Gorter tot het marxisme. Wellicht laat hij Willem Jan Otten herrijzen als een auteur die na zijn bekering ook buiten zijn geloofsgemeenschap leesbaar is gebleven.

WILLEM JAN OTTEN
ONZE LIEVE VROUWE VAN
DE SCHEMERING: ESSAYS OVER POËZIE, FILM EN GELOOF
Van Oorschot, 259 blz., € 17.50