Orwell uit oss

Jacques de Kadt, De deftigheid in het gedrang. Ÿ9,90 bij Modern Antiquariaat van Scheltema Holkema Vermeulen, Amsterdam. ..LE Voor een politiek onbenul als ik is het een aangename verrassing om op vorderende leeftijd de verspreide geschriften van Jacques de Kadt te ontdekken. Wat Frits Bolkestein in zijn laatste publicatie, Sporen van brandhout of zoiets, niet doet - sprankelend, onderhoudend en humoristisch schrijven - heeft De Kadt juist wel gedaan. Lees De deftigheid in het gedrang: Een keuze uit zijn verspreide geschriften.

De Kadt wordt door Bart Tromp in zijn inleiding ‘een Orwell uit Oss’ genoemd, een vergelijking gebaseerd op opmerkelijke overeenkomsten in de politieke inzichten en ervaringen van beiden. Allebei kenden ze al vanaf hun vroege jeugd 'een bijna wellustig bedreven afkeer van illusies’, bij beiden is al voor de Tweede Wereldoorlog de overtuiging aanwezig dat, wat ook de tekorten van de kapitalistische wereld mogen zijn, de dreiging van totalitarisme veel verschrikkelijker is. Orwell stelt zijn hoop op de common decency van 'gewone mensen’. Dat vinden we bij De Kadt terug in diens beroep op wat hij noemt de 'fatsoenlijke mensen’, die hij zag als een elite van ontwikkelden.
Orwell en De Kadt behoorden tot een bijzondere generatie van grote eigenzinnigen - aldus nog steeds Tromp - die zich bewezen in de strijd tegen links en rechts totalitarisme waardoor het grootste deel van de twintigste eeuw is gedomineerd. Maar er is ook een belangrijk verschil. Waar Orwell nooit een politieke functie heeft gezocht of vervuld, bedreef Jacques de Kadt zijn leven lang politieke arbeid. Dat deed hij vanuit een visie. Jacques de Kadt had idee‰n, en die probeerde hij de richtlijn te laten zijn van zijn politieke acties.
Natuurlijk zijn het vooral onderwerpen van politieke aard waar de grote eigenzinnige over essayeert: 'De Commune van Parijs’, 'Wat zal 1925 brengen?’, 'Lenin en het leninisme’, 'Fascisme is oorlog!’, 'Nederlaag of ondergang? Te Laat?’ en zo voort. Een hoogtepunt is het stuk 'De deftigheid in het gedrang’ uit 1936: 'Wie gedraagt zich op heden zoals het een vrij man betaamt? Toch alleen hij die de heerschappij van geldpoenen, winsthaaien, sabelrammelaars, gemeenplaatsleuteraars en sluwe, berekenende maar toch bekrompen deftigheid, niet langer verdraagt, en die zich met niet minder tevreden stelt dan met een georganiseerde, nobele en intelligente maatschappij, een maatschappij van en voor “vrije” mensen.’