Orwelliaanse kippenhokken

Volgens George Orwell school er gevaar in verhullende taal, maar in onze tijd schuilt het gevaar juist in schijnbaar helder taalgebruik.

Waarom we George Orwell moeten lezen

Opdracht: schrijf een stijlgids voor de tweets van Trump. Zelf twitteren als The Donald. Dit gezelschapsspel zou waarschijnlijk een lijstje opleveren als: 1. Geen metaforen. 2. Korte woorden. 3. Laat zoveel mogelijk woorden weg. 4. Geen passieve constructies. 5. Geen jargon, geen buitenlandse woorden. 6. ZET JE CAPS LOCK AAN.

De ironie wil dat dit precies de regels zijn die George Orwell opstelde tégen politieke manipulatie en misleiding. Goed, behalve die caps lock, maar hij schreef dit dan ook in 1946. Zijn essay ‘Politics and the English Language’ waarschuwde tegen slordig taalgebruik, dat slordig denken in de hand werkt. Vooral de politieke taal zette die taalcorruptie volgens hem bewust in als het instrument voor onderdrukking en overheidsmanipulatie. ‘Politiek taalgebruik is ontworpen om leugens waarheidsgetrouw en respectabel te laten klinken, en een schijn van soliditeit te geven aan pure lucht.’

Hoewel dit essay ontstond tussen het nagloeiende puin van fascisme en nazisme, en met het schrikbeeld voor ogen van communisme en andere totalitaire regimes, blijkt het toch redelijk visionair. Talige manipulatie werd ook in de democratieën van het naoorlogse vrije Westen een van de voornaamste politieke instrumenten.

Orwell hekelt taalmisdaden zoals bewust ‘vage’ formuleringen, die een schijn van helderheid en consensus geven, of eufemismen die het gruwelijke moeten verbloemen. Moeiteloos kun je zijn voorbeelden vervangen door eigentijdse. Denk aan ‘collateral damage’, of iemands ‘verwijdering’ uit de ‘vreemdelingenketen’; het ‘ruimen’ van dieren. Of neem ‘veiligelanders’, ook zo’n frase waarin, om met Orwell te spreken, ‘alle delen aan elkaar vastgemaakt zijn zoals de delen van een geprefabriceerd kippenhok’.

Intelligente lockdown. Anderhalvemetersamenleving. Cruciale beroepen. Niet-essentiële winkels. Niet-acute zorg. Dit jaar zijn er complete legbatterijen aan talige kippenhokken bij getimmerd, ogenschijnlijk solide en met een scherp afgebakende inhoud, maar bij nadere beschouwing nogal gammel.

Waar het in Orwells tijd nog ging om sturende, gekleurde retoriek, is het al vrij lang alledaagse praktijk en zijn er complete ondernemingen die zich louter toeleggen op spinnen, framen, beeldvorming, imago-management. Spindoctors, voorlichtingslijnen – het politieke bedrijf kreeg een reclameafdeling die alles wat Orwell verbood omzette in een actieplan.

Tot heel recent. Tot, ironisch genoeg, precies het moment waarop 1984 opnieuw de bestsellerlijst bestormde, waarin de politiek in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk voortdurend ‘orwelliaans’ werd genoemd en mensen op online platforms wijsneuzerige oneliners de wereld instuurden, zoals: ‘1984 was a warning, not a manual.’

Waren we met Trump en de Brexit in het dystopische Oceanië beland, met een Gedachtepolitie, met een totalitaire overheid, met newspeak en Big Brother? De eerste persconferentie na Trumps inauguratie, waarin zijn woordvoerder die beruchte ‘alternative facts’ lanceerde, liet de Orwell-alarmbellen rinkelen. Maar er zijn cruciale verschillen.

In 1984 en in zijn essay over politieke taal ging het erom dat de bevolking doelbewust van de waarheid afgesneden werd, misleid, en al dan niet met geweld gedwongen zich aan te passen aan de nieuwe ideologie.

De objectieve waarheid bestond nog wel ergens. Je mocht er alleen niet meer bij komen. Door de taal te veranderen – de hele newspeak-operatie die de Engelse taal zuiverde van onwenselijke concepten – veranderde je het collectieve denken.

In de post-truth-politiek van Trump en andere 21ste-eeuwse populisten is de hele notie van een objectieve waarheid verdwenen. Dit gaat verder dan verbale rookgordijnen optrekken of concepten slinks framen.

Orwell meende dat de objectieve waarheid bestond, en dat die te redden was door een zorgvuldig, helder en precies gebruik van de taal. Rookgordijnen en newspeak vertroebelden het zicht. Lapte je de ramen, dan had je weer helder zicht op de werkelijkheid.

Orwell leek te denken dat betekenissen ergens klaarlagen om van de juiste talige labels te worden voorzien, als objecten op een tentoonstellingstafel. Dat geldt misschien voor onze materiële omgeving (rivieren, schoenen, moleculen en planeten), maar niet voor concepten (democratie, vrijheid, fascisme, anderhalvemetersamenleving). Die krijgen pas betekenis in het collectieve maatschappelijke gesprek erover, en kunnen dan ook voortdurend veranderen. Ze liggen niet op een tafel achter een ruit die je alleen nog maar schoon hoeft te poetsen, nee, ze zijn verankerd ín de dialoog erover.

Orwell kon niet voorzien dat mensen zonder dwang, vrijwillig, ‘alternatieve’ werkelijkheden zouden omarmen

Democratie hoeft niet op te houden zodra een politicus, ook al is hij de president van Amerika, ‘alternatieve feiten’ presenteert. Vooralsnog heeft het overgrote deel van de media gewoon zijn werk gedaan, weerwoord geboden, en zo bleef het democratische debat overeind.

Althans, tot op zekere hoogte. Want in hoeverre is er nog sprake van een debat, van een voortdurend gesprek waarin die abstracte concepten (vrijheid, democratie, enzovoort) betekenis krijgen?

De politieke arena is allang niet meer een plaats voor ‘debat’ in de oude betekenis, waarbij de ene persoon de andere probeert te overtuigen. Dat zou zelfs lachwekkend zijn. Stel je een Jesse Klaver of Klaas Dijkhoff voor, die vanachter de interruptiemicrofoon ineens zou roepen: ‘Tsja, daar zit wel wat in. U heeft mij overtuigd. Wij zullen ons partijstandpunt bijstellen.’ Welnee, het politieke debat is geen uitwisseling, geen strijd om tot een consensus te komen, maar vooral een podium om jezelf te presenteren aan de achterban. Vandaar de politiek van oneliners, die alleen tot doel hebben om het journaal te halen, en als dat niet lukt dan op z’n minst je eigen journaal op YouTube.

Het ondermijnende van de democratie – bij ons maar ook in de Verenigde Staten – is niet dat er één totalitaire overheidstaal en één overheidswerkelijkheid is, maar dat er meerdere werkelijkheden zijn die niet langer met elkaar communiceren.

In Orwells 1984 bestaat er nog wel een werkelijkheid, maar mogen we die van een onderdrukkende overheid niet kennen of met elkaar delen. Wat nu dreigt, en deels al aan de orde is, is dat er helemaal geen gemeenschappelijke werkelijkheid meer bestaat, zodat de onophoudelijke discussie, waarin de democratie plaatsvindt en waarin concepten hun collectieve betekenissen krijgen, tot stilstand komt.

In de zomer van 2018 beweerde Trump tijdens een van zijn geïmproviseerde perspraatjes: ‘What you’re seeing and what you’re reading is not what’s happening.’ Hierop begonnen twitteraars ijverig in hun exemplaar van 1984 te bladeren, en citeerden: ‘The party told you to reject the evidence of your eyes and ears. It was their final, most essential command.’

Maar wat Trump bedoelde met ‘zien’ en ‘lezen’, ging niet om dat zintuigelijke ‘bewijs’ van een objectieve buitenwereld, waar hij zijn bevolking blind voor zou willen houden, nee, hij bedoelde ‘televisie’ en ‘kranten’ (of in zijn geval: headlines). Hij viel de vooralsnog gangbare representaties van de werkelijkheid aan, zoals dat ook in de oude politiek dagelijkse praktijk was: het ligt allemaal ‘genuanceerder’ dan in het verhaal in krant x, of in de reportage van zender y.

De cruciale sprong is dat het niet langer ‘iets genuanceerder’ is, of dat het beeld ‘bijgesteld’ moet worden, enzovoort. Nee, het bleek allemaal veel eenvoudiger te kunnen. Je kunt je eigen waarheid poneren zonder de andere te hoeven weerleggen. Fake news. Hoax. Klaar.

Orwell had, aan het eind van zijn leven, eind jaren veertig, toen hij 1984 schreef, niet kunnen voorzien dat mensen zich zonder dwang, zonder overheidspropaganda, maar vrijwillig en met een ongekende gretigheid zulke ‘alternatieve’ werkelijkheden zouden omarmen. Hij had de digitalisering en virtualisering niet voorzien, waardoor met name zijn essay over politieke taalmanipulatie nu ook wat naïef overkomt.

Opgesloten raken in een nauwe groepswerkelijkheid is niet per se het gevolg van een of ander kwaadaardig plan, het is meer domheid, narcisme, verwarring en angst onder degenen die complotten en ontkenningen verspreiden, in combinatie met de technologie die de groei van zo’n virtuele cocon stimuleert.

In de dystopische wereld van 1984 deelde de bevolking nog een realiteit. Het probleem was alleen dat die kunstmatig was en dat het er maar één mocht zijn. Wat nu dreigt, en sterker zal worden met de technologie van deep fakes – nepbeelden die niet meer van echt zijn te onderscheiden – is dat er helemaal geen gedeelde realiteit meer bestaat en er juist meerdere kunstmatige realiteiten zijn. En al die realiteiten bedienen zich van de regels die Orwell juist aanmoedigde: ze zijn eenvoudig, ongecompliceerd, eenduidig, glashelder.

Tijdens de laatste sinterklaasviering dacht ik aan 1984 tijdens het liedjeszingen. Overal waar ik ‘Zwarte Piet’ verwachtte, zongen de kinderen ‘Lieve Piet’. Lieve Piet ging uit fietsen toen klapte zijn band. Zongen ze per ongeluk toch ‘Zwarte Piet’, dan keken ze elkaar besmuikt aan, alsof ze een vies woord hadden gezegd. Het waren vijf kinderen uit twee gezinnen, uit verschillende landsdelen en onderwijstypen.

Lieve Piet, wiedewiedewiet. Waren dit de vruchten van een nationale newspeak-operatie? Dat uit bibliotheken en van Facebook de Zwarte Pieten werden verwijderd, was mij niet ontgaan. Maar deze taalzuivering leek me wel erg orwelliaans.

Maar ook hier zit er geen totalitaire overheid achter; het werkt subtieler, geniepiger. Er is een informele dwang om je aan bepaalde codes te houden. In de samenleving zelf ontstaat de krampachtige drang om je aan normen te houden. Geen ‘blank’ maar ‘wit’, of hilarische constructies als ‘people who menstruate’, waarbij je onder vuur komt te liggen als je, zoals J.K. Rowling deed, het hilarische karakter ervan aanstipt (‘Was er geen woord voor die mensen? Someone help me out. Wumben? Wimpund? Woomud?’)

Mensen die menstrueren. Mensen van kleur. Mensen van vagina. Ik hoorde van iemand met Turkse roots dat hij zich niet in het racismedebat diende te mengen als ‘non-black person of colour’. In het identiteitsdenken stikt het van de orwelliaanse kippenhokken, waar de bewoners zich vrijwillig in verschansen. Uit het gaas klinkt alleen nog gekakel, onmachtig een gedeelde taal te worden om een gedeelde werkelijkheid mee te smeden. Binnen de hokken voelt iedereen zich wijs, verlicht en vrij. Maar zoals Orwell in het (pas later gepubliceerde) voorwoord bij Animal Farm stelde: ‘Als vrijheid iets betekent, dan is het wel het recht om mensen te vertellen wat ze niet willen horen.’