Oscar wilde

Volgens de overlevering verwoestte de ziekelijke adolescent Lord Alfred (Douglas - een beeldschoon engeltje met een hart van steen - het leven van Oscar Wilde. Maar was het niet juist andersom?

OSCAR WILDE. Januari 1895, een hotelbalie in Algiers. André Gide schrikt zich een ongeluk als hij ziet welke naam op de gastenlijst naast de zijne staat. Even overweegt hij om stante pede het hotel, het land, nee het continent weer te verlaten, want, zo schrijft hij later: ‘Wildes gezelschap was compromitterend geworden.’ Toch besluit hij te blijven. Hij heeft Wilde al enkele malen in Parijs ontmoet. Hij begroet hem hartelijk wanneer hij de hotellobby komt binnenfladderen. Wilde vertelt dat hij in het gezelschap van een wonderschone jongen verkeert. 'Als je hem hebt gezien’, zegt hij, 'moet je me zeggen of het mogelijk is om je een goddelijker verschijning voor te stellen. Ik aanbid hem; ja, stellig aanbid ik hem.’ Gide weet onmiddellijk van wie Wildes mond overloopt. Dat moet het beruchte heerschap zijn waar de beau monde over fluistert: Lord Alfred Douglas, voor vrienden: Bosie. Gide gaat niet direct voor de bijl. Wel trekt hij, ondertussen zorgvuldig zijn homoseksuele gevoelens verbergend, een paar dagen met de twee op. Hun losbandige gedrag schokt hem. Op een tripje door de stad zegt Wilde dat hij nu eens wat jonge Arabieren wil zien, 'zo schoon als bronzen beelden’. Bosie pakt Gides arm en vertrouwt hem toe dat de gidsen maar idioten zijn. Ze nemen je steeds mee naar cafés die vol zitten met vrouwen. 'Ik hoop dat jij net zo bent als ik’, zegt Bosie, 'ik gruwel van vrouwen. Ik hou alleen van jongens.’ Wanneer Bosie na een opgewonden discussie vertrekt, doet Wilde zijn beklag bij Gide. Bosie sleept hem van de ene in de andere scène, zegt Wilde. Bosie wordt geleid door zijn impulsen, die hij nooit tracht te beteugelen. Hij is eigenwijs en onverantwoordelijk. Maar Wilde is verslingerd aan het blonde monstertje en zelfs Gide ziet waarom. Later zal hij schrijven: 'Ik kon Bosie niet zo mooi vinden als Wilde deed. Maar hoewel hij het despotische gedrag vertoonde van een verwend kind dat zijn zin niet krijgt, paarde hij dat aan zoveel gratie dat ik snel begon te begrijpen waarom Wilde steeds volgzaam in zijn voetspoor trad.’ Daarmee is Lord Alfred Douglas adequaat beschreven, althans voor zover wij hem kennen uit de mythe Oscar Wilde, waarin hij Wildes amour fatale is, een beeldschoon engeltje met een hart van steen. BOSIE - de bijnaam kreeg hij dankzij zijn moeder; zij noemde hem van kind af aan boysie, wat de kleuter Lord Alfred weer verhaspelde tot Bosie - stamde uit een robuust geslacht van Schotse, flink gestoorde adel. Zijn vader, de markies van Queensberry, stond bekend om uitermate excentriek gedrag. Q predikte vrije liefde - tussen man en vrouw -, was atheïst, grof in de mond en opsteller van de grondregels der bokssport. Bosie, toch een verwend nest, ging naar Oxford, wilde het liefst dichter worden en werd door medestudenten bewonderd om zijn verbluffende schoonheid. Meisjes interesseerden hem weinig, liever rotzooide en flikflooide hij met jongens. Als hij op eenentwintigjarige leeftijd Oscar Wilde ontmoet, zijn de twee zo smoorverliefd dat ze een pact sluiten. Hun liefde zal ongekend zijn en ze zullen er de wereld mee verbluffen. De geliefden gaan er prat op dat hun seksuele relatie maar kortstondig was en dat de relatie ras uitgroeide tot iets wat het ideaal van de platonische liefde benaderde. Bosie kan zijn moeder schrijven: 'Ik ben hartstochtelijk dol op hem en hij op mij. Er is niets wat ik niet voor hem zou doen en als hij eerder dood gaat dan ik, zal ik niet langer willen leven. Er is niets dan schoonheid en goedheid in de liefde van twee mensen voor elkaar, de liefde van de leerling en de filosoof.’ Het eerste gedicht dat de stapelverliefde Douglas aan Wilde stuurt, heet De Profundis. Het gaat over een liefde waarvan de auteur niet kan zeggen op wie die is gericht, dit vanwege de aard ervan. Iets later schrijft hij The Two Loves. Het eindigt met de regel: 'I am the love that dare not speak its name.’ Wanneer Wilde later voor de rechter staat, wordt hem om een verklaring van die regel gevraagd. Zijn antwoord is superieur: 'The love that dare not speak its name behelst in deze eeuw een net zo grote affectie van een oudere voor een jongere man als er bestond tussen David en Jonathan, zoals Plato die tot de basis van zijn filosofie maakte en zoals je die vindt in de sonnetten van Michelangelo en Shakespeare. (…) Het is schoon. Het is mooi. Het is de meest nobele vorm van liefde. Er is niets onnatuurlijks aan. Het is intellectueel en het komt voor tussen een oudere en een jongere man, wanneer de oudere man intellect bezit en de jongere man alle plezier, hoop en glamour van het leven voor zich heeft liggen.’ Het gaat fout wanneer Queensberry Wilde een sodemieter noemt, Wilde hem aanklaagt, het proces verliest en nota bene zelf tot twee jaar dwangarbeid wordt veroordeeld. Eenmaal op vrije voeten schrijft Wilde. De Profundis, een scheldkanonnade van hoog-literair niveau gericht op Bosie. Wilde zette de toon, zijn biografen, lezers en journalisten namen die over en maakten Bosie uit voor destructieve, decadente dandy. Voor 'de grootste proleet van de wereldgeschiedenis. Want hij is de ziekelijke adolescent door wie Wilde in de gevangenis belandde en die hem vervolgens rustig liet wegrotten. Hij is het onschuldige jongetje met het engelengezicht dat hysterisch wordt als het zijn zin niet krijgt, walgelijk waar het de bevrediging van zijn lusten betreft en ronduit vals wanneer het om de liefde gaat. Hij is een dichter die niet dichten kan en die teert op de roem van Wilde. In de gewaardeerde film met in de hoofdrol Stephen Fry die twee jaar geleden nog een waarheidsgetrouw beeld pretendeerde te brengen, zien we Fry/Wilde als een goedmoedige lobbes aansjokken achter een knap blond ding. Hoewel hij overduidelijk een lieve huisvader is, die eigenlijk verschrikkelijk veel houdt van zijn vrouw Constance en zijn bloedjes van zonen Vyvyan en Cyril, weet Bosie hem met zijn verfijnde, jeugdige schoonheid te verleiden. Elke dag kreeft en champagne. De beste tafel in elk restaurant. Bosie wil dat iedereen hen ziet en denkt: hé, daar heb je Oscar Wilde en zijn boy. Ze genieten van het risico en de schokken die hun verschijning telkens veroorzaken. Tot op het bot zelfzuchtig houdt Bosie de huisvader weg van zijn zoontjes en de kunstenaar van zijn werk. Hij introduceert Oscar in het jon gensbordeel. En Oscar maar betalen, voor de jongens, het eten, de cadeaus, maar nog krijgt hij het verwijt dat hij een krent is en dat hij Bosie verveelt. Wanneer het hoeren en snoeren Oscar teveel wordt en hij met hoge koorts in bed ligt, stormt Bosie woedend zijn kamer in om geld te pakken voor de schandknaapjes die hij heeft opgedaan. Hysterisch schreeuwt hij: 'Doe niet zo pathetisch. Ik ben je verzorgster niet. Je ziet eruit als een idioot en het stinkt hier. Je interesseert me niet als je ziek bent.’ Beetje overdreven film? In het geheel niet. De gebeurtenissen worden bijna allemaal beschreven in De Profundis, maar daar gaat Wilde nog veel erger tekeer. Wilde ziet zichzelf als een martelaar bijna gelijk aan Jezus Christus, die door een onmenselijk lijden tot de kern van zijn bestaan en de diepste diepte van zijn ziel is teruggeworpen. Hij giet zijn belijdenis in de vorm van een brief aan Bosie waarin hij zijn boy tot diep in de grond afmaakt. De brief is dodelijk; niets blijft er van Bosies karakter en talent overeind. Hij wordt slechts gedreven door zijn begeerten. Hij is een ijdele nietsnut, een gesjeesde student en een gemankeerd dichter. Wilde daarentegen is een kunstenaar, 'the quality of whose work depends on the intensification of his personality’. Daarom heeft hij het nodig voortdurend in een intellectuele sfeer te verkeren en te leven in rust en eenzaamheid. Maar hun vriendschap was nou juist uitgesproken niet-intellectueel. Bosie leefde voor zijn lusten. Hij nam, maar gaf nooit. En Oscar bleef maar betalen. ER IS TWIJFEL. Want áls Wilde dat allemaal meent, als Bosie werkelijk zo'n gewetenloos en vals secreet is als al een eeuw lang wordt aangenomen, waarom ontmoet Oscar hem dan, net drie maanden uit de gevangenis, in Rouen? Waarom schrijft hij hem voor, tijdens en na zijn gevangenistijd nog aanbiddende brieven? Bijvoorbeeld vlak na de ontmoeting in Rouen: 'Ik voel dat jij mijn enige hoop bent om weer kunst te kunnen maken. Vroeger was dat niet zo, maar nu is het anders, en kun jij werkelijk in mij de energie en het gevoel van vreugdevolle kracht herscheppen waarop kunst rust.’ De twee reisden zelfs af naar Napels! Ja, zegt men nu, dat was om die goddelijke schoonheid van de homme fatal. Zou het echt? Er zijn er maar weinigen geweest die het in de loop van deze eeuw voor Bosie hebben opgenomen. Ze vormen een select, weinig gehoord groepje dat vaak gepassioneerd kiest voor de dichter Lord Alfred Douglas. Vriend Rupert Croft-Cooke bijvoorbeeld publiceerde in 1963 een gepassioneerde biografie. In het voorwoord schrijft hij: 'Ik ben echter van mening dat al het bewijs laat zien dat Douglas’ gedrag in die tijd, hoe impulsief en onberaden ook, eervol en moedig was op een manier die nauwelijks was te verwachten van een jongeman van 24, die zich in een tragische en gevaarlijke situatie bevond en alleen af kon gaan op eigen initiatief, zijn eigen gevoel van loyaliteit en zijn eigen ideeën over goed en fout.’ Maar de mythe blijft onaantastbaar. Er blijven artikelen en boeken verschijnen met Bosie in zijn oude duivelse rol. In de in 1987 goed ontvangen, lijvige biografie van Richard Ellmann bijvoorbeeld, is het weer hetzelfde liedje: Douglas was een ongetalenteerd dichter met een charme-overschot. Zijn temperament, schrijft Ellmann, was compleet verdorven, onbesuisd, onbeschaamd en, in geval van tegenwerking, zeer wraakzuchtig. Nog in 1997 schrijft de Guardian over de man die Wildes leven verwoestte: 'Bosie, though beautiful as a Greek god, was no poet.’ En vorig jaar werd in Engeland het toneelstuk The Judas Kiss opgevoerd, waarin andermaal de ondergang van Wilde op de frêle schouders van Bosie wordt gelegd. Een recensent noemt de toneel-Bosie verwend, prikkelbaar en volstrekt egocentrisch. Wellicht keert het tij. Afgelopen week diende zich ter Groene-redactie een eloquent en tenger heerschap aan. Met een schipperspet tegen de buien, consequent vousvoyerend en uiterst hoffelijk stelde biograaf Caspar Wintermans zich voor. Uit een tasje van A4-formaat toverde hij prachtige foto’s van Bosie. Helaas, een eerder gemaakte afspraak met een radioprogramma verhinderde een interview. Maar niet getreurd, we mogen gebruik maken van de drukproeven van zijn boek Lord Alfred Douglas. De boezemvriend van Oscar Wilde. Het boek blijkt een rehabilitatie van Lord Alfred Douglas te betreffen. Op wellevende toon geeft de biograaf nieuwe achtergronden en toont hij zich desalniettemin oprecht verontwaardigd wanneer blijkt dat onjuistheden over Douglas worden verspreid. Ook al is Oscar Wilde himself de bron, diens klacht in De Profundis bijvoorbeeld dat Bosie hem van zijn werk had gehouden, 'is pertinent onjuist’. En Wintermans noemt moeiteloos vier toneelstukken die Wilde schreef in het gezelschap van Bosie. En was Wilde niet tevreden met de Sa lome-vertaling van Bosie? Wintermans’ aanvullingen op De Profundis zijn talrijk en verhelderend. En o ja, onthouden wij wel dat Wilde niet om Bosie maar om andere relaties de gevangenis indraaide - om 'betrekkingen die niet als “intellectueel” konden worden aangemerkt’? Uit Wintermans’ boek leren we een heel andere Bosie kennen. Een jongen die getiranniseerd en getreiterd wordt door zijn vader. In brieven noemt die hem 'reptiel’ en schrijft hij: 'Je bent geen zoon van mij en ik heb je nooit beschouwd als zodanig.’ Of: 'Miserabel creatuur. Als jij mijn zoon bent is dat extra bewijs dat ik er goed aan deed liever alle verschrikking en ellende te trotseren dan het risico te lopen meer schepsels als jij op de wereld te zetten.’ Bosie was op zijn beurt weer niet te beroerd om na zo'n brief terug te telegraferen: 'Wat ben je toch een grappig kereltje.’ Wintermans laat zien dat wanneer Wilde in afwachting van zijn proces in de gevangenis zit, er maar een is die hem dagelijks opzoekt: Bosie. Niet voor niets schrijft Wilde: 'Niet dat ik volslagen alleen ben. Een slank wezen, met het gouden haar van een engel, staat altijd aan mijn zijde. Zijn aanwezigheid overschaduwt me. Hij beweegt zich als een witte bloem in de duisternis.’ Bosie stuurt een smeekschrift naar Koningin Victoria. Weer vrij ondersteunt hij Wilde financieel wanneer hij kan. Hij betaalt diens begrafenis. De overstelpende hoeveelheid nuanceringen van de mythe, is te groot om op te noemen. Een belangrijke rol is in elk geval weggelegd voor Robert Ross, die Wilde in de gevangenis voorliegt dat Bosie een luxe leventje leidt op Capri, in Napels en Parijs. Bosie liegt hij voor dat Oscar geen bezoek en brieven meer van hem wenst te ontvangen. Het motief van Ross is zonneklaar: hij is zelf verliefd op Wilde maar die dumpte hem na een korte affaire en sprong over op Bosie. Nu neemt Ross wraak. NA WILDES DOOD in 1900 wordt duidelijk wat Bernard Shaw al in het voorwoord van Croft-Cookes biografie schreef: deze tragedie is de tragedie van Bosie, niet die van Oscar. Bosie trouwt, krijgt een kind, scheidt weer, rolt van het ene proces in het andere. Hij zit in de redacties van literaire bladen, schrijft zijn sonnetten, wordt katholiek (en weet toch op een dodenlijst van de IRA te komen), reactionair, antisemiet en draait zes maanden de cel in wegens laster tegen Winston Churchill. Wintermans heeft de hand weten te leggen op lovende recensies en andere sporen van erkenning. Hijzelf schrijft over de in 1909 verschenen bundel sonnetten: 'Negentien van zijn meest volmaakte verzen - geciseleerde meesterstukjes die een vergelijking met de sonnetten van Von Platen, Hérédia, ja, met die van Shakespeare mijnentwege glansrijk doorstaan.’ En die opmerking komt niet zomaar uit de koker van een door liefde verblinde biograaf. In 1982 kende Johan Polak dezelfde sonnetten nog eeuwigheidswaarde toe en schreef hij dat hij ze erg mooi vond. Toch ontloopt Bosie ook bij Wintermans zijn noodlot niet. In Wintermans’ biografie, waarin Bosie met hand en tand verdedigd wordt, zijn op het eind nog maar drie pagina’s over voor de poëzie. Wintermans biedt een welkome nuancering van het verdachte beeld van de goedzak en de slechterik. Want is het misschien ook mogelijk dat Wilde de gemenerik was die Bosie manipuleerde en in een rol duwde? In elk geval was hij een schijnheilige: in Napels stelde hij Bosie niet van De Profundis op de hoogte. Maar als de bestaande verhoudingen uit elkaar worden getrokken, zal dat met veel tegenzin zijn. Bosies rol past juist zo goed bij die rare decadenten uit het fin de siècle. In elke beschrijving van het levensverhaal van Oscar Wilde staat de liaison centraal, Bosie is onmisbaar voor de mythe Oscar Wilde. In De Profundis schrijft Wilde: 'Ik was een man die in symbolische relatie stond tot de kunst en cultuur van zijn tijdperk.’ Inderdaad, zijn levensverhaal is het zinnebeeld van zijn kunst geworden. En daar hoort Bosie bij. Dat Wilde aan hem verslingerd is geraakt, dat Wilde zich te gronde richt, is bijna nobel te noemen. Het is kunst! Wilde kan niet anders dan fijngevoelig voor schoonheid zijn. Hij vecht om de schoonheid in een vorm (zijn leven) te dwingen, maar hij gaat strijdend ten onder. Hij en zijn bewonderaars hebben een motief om Bosie in de rol van mooi, decadent secreet te drukken.