Oscar wilde

Op 19 mei 1897, vlak nadat hij zijn straf van twee jaar had uitgezeten, richtte Oscar Wilde zich schriftelijk tot de redactie van de Daily Chronicle en vroeg de aandacht voor de deerniswekkende toestanden in de Engelse gevangenissen. Hij sprak niet over zichzelf (geen woord), maar over het lijden van de kinderen en geesteszieken.

MIJNHEER DE REDACTEUR, tot mijn grote spijt ervoer ik via de kolommen van uw dagblad dat de cipier Martin van de Reading-gevangenis door de verantwoordelijke autoriteiten ontslagen is omdat hij een paar biscuitjes aan een klein, hongerig kind had gegeven. Ikzelf heb de drie kinderen gezien op de maandag voorafgaand aan mijn vrijlating. Ze waren zojuist veroordeeld en stonden op een rijtje in de centrale hal in hun gevangeniskleding met hun lakens onder de arm, voordat ze naar de cellen zouden worden gebracht die hun waren toegewezen. Ik was toevallig op een van de gaanderijen op weg naar de ontvangstkamer waar een gesprek met een vriend zou plaats hebben. Het waren vrij kleine kinderen, de jongste - het kind dat van de bewaker een koekje heeft gekregen - was een klein kereltje, voor wie ze klaarblijkelijk niet in staat waren geweest passende kleding te vinden. Ik heb vanzelfsprekend heel wat kinderen in de gevangenis gezien gedurende de twee jaar die ik zelf in gevangenschap doorbracht. Maar het kereltje dat ik maandagmiddag de zeventiende in Reading zag, was de kleinste van allemaal. Ik behoef niet te zeggen hoe ontdaan ik was deze kinderen te zien, want ik kende de behandeling die ze voor hen in petto hadden. De wreedheid waarmee dag en nacht kinderen in Engelse gevangenissen worden behandeld, kunnen alleen zij geloven die er getuige van zijn geweest en die weet hebben van de gruwelijkheid van het systeem. De mensen begrijpen tegenwoordig niet wat wreedheid is. Gewone wreedheid is simpelweg stupiditeit. Het is het volledig gebrek aan inlevingsvermogen. Het is in onze tijd het resultaat van het stereotyperen van systemen, van harde-en-snelgenomen maatregelen en van stompzinnigheid. Centralisme leidt tot kortzichtigheid. Autoriteit is even destructief voor hen die gezag uitoefenen als voor hen over wie gezag wordt uitgeoefend. De wreedheid die een kind in de gevangenis moet ondergaan wordt in eerste instantie veroorzaakt door het gevangeniswezen zelf, en door hen die het stelsel in stand houden. De autoriteiten die het systeem schragen hebben de beste bedoelingen. De huidige behandeling van kinderen is gruwelijk, omdat in eerste instantie de mensen de specifieke psychologie van het kind niet begrijpen. Een kind kan begrip opbrengen voor een straf die een individu, zoals een ouder of een voogd, hem oplegt, en deze met een zekere vorm van berusting aanvaarden. Wat het niet kan begrijpen is een straf die het door de maatschappij wordt opgelegd. Het kan niet bevatten wat de maatschappij is. Bij volwassenen is het natuurlijk omgekeerd. Degenen onder ons die in de gevangenis zitten of zaten kunnen begrijpen wat de collectieve macht - geheten maatschappij - betekent en wat we mogen denken over haar methoden of vermeende rechten, we kunnen onszelf dwingen het te accepteren. Straf die ons door een individu wordt opgelegd is daarentegen iets wat geen volwassene verdraagt of verwacht wordt te verdragen. HET KIND DAT bij zijn ouders wordt weggehaald door mensen die het nooit heeft gezien, en van wie het niets weet, dat zich vervolgens bevindt in een eenzame en onbekende cel, dat verzorgd wordt door vreemde gezichten, dat links en rechts wordt gecommandeerd en bestraft door vertegenwoordigers van een stelsel dat het niet kan begrijpen, valt onmiddellijk ten prooi aan de eerste en meest in het oog springende emotie die het moderne gevangeniswezen voortbrengt: de emotie angst. De angsten van een kind in een gevangenis zijn onbeschrijfelijk. Ik herinner me dat ik een keer in Reading, toen ik gelucht zou worden, een kleine jongen zag in de vaag verlichte cel tegenover de mijne. Twee bewakers - niet-onvriendelijke mannen - waren tegen hem aan het praten, ietwat streng misschien, of wellicht gaven ze hem wat nuttig advies omtrent zijn gedrag. De ene bewaker stond in de cel bij hem, de andere was buiten. Het gezichtje van het kind leek een witte plek van pure doodsangst. In zijn ogen zag je de doodsangst van een opgejaagd dier. De volgende morgen hoorde ik hem huilen en roepen om eruit gelaten te worden. Hij riep om zijn ouders. Van tijd tot tijd hoorde ik de diepe stem van de dienstdoende cipier tegen hem zeggen dat hij stil moest zijn. En toch was hij nog niet veroordeeld voor het, waarschijnlijk kleine misdrijf waar hij van beschuldigd was. Hij zat er eenvoudigweg in voorarrest. Dat wist ik, omdat hij zijn kleren droeg, die er netjes genoeg uitzagen. Hij droeg echter gevangenissokken en -schoenen. Dit toonde aan dat hij een heel arme jongen was, wiens eigen schoenen, zo hij ze had, in zeer slechte staat verkeerden. Rechters en magistraten, in de regel een zeer onwetend mensensoort, veroordelen kinderen dikwijls tot een week voorarrest, en leggen dan dikwijls de straf niet op die opgelegd had mogen worden. Ze noemen dit: ‘het kind géén gevangenisstraf opleggen.’ DIT GEZICHTSPUNT IS natuurlijk buitengewoon stupide. Het kind dat in de gevangenis zit, in voorarrest of na een veroordeling, ontgaat de subtiliteit van het verschil. Dat er überhaupt een kind in een gevangenis wordt opgesloten zou voor de mensheid een ondraaglijke gedachte behoren te zijn. De angst die het kind overvalt en domineert, zoals zij volwassenen ook overvalt, wordt natuurlijk nog verhevigd - zo hevig zelfs dat het niet mogelijk is om het adequaat te beschrijven - door de eenzame opsluiting, zoals die in onze gevangenissen gebruikelijk is. Elk kind wordt 23 van de 24 uur in zijn cel opgesloten. Dat is weerzinwekkend. Een kind op te sluiten in een karig verlichte cel, 23 van de 24 uur, is zo'n voorbeeld van stompzinnige wreedheid. Als iemand, ouder of voogd, dit een kind aandeed zou hij zwaar worden gestraft. Het Genootschap voor de Preventie van Wreedheid jegens Kinderen zou de zaak onmiddellijk aanhangig maken. Allerwegen zou men getuigen van de grootst mogelijke afschuw voor degene die tot zulk een bruutheid in staat bleek. Zonder twijfel zou een zware veroordeling volgen. Maar onze maatschappij zelve doet erger, en voor het kind dat op deze wijze wordt geconfronteerd met de vreemde abstracte macht van wier mores het geen begrip heeft, is het veel erger dan wanneer het dezelfde behandeling ondergaat van een ouder of anderszins bekende. Het is altijd uit den boze om een kind onmenselijk te behandelen, wie het ook doet. Maar onmenselijke behandeling door de maatschappij is voor het kind nog veel erger, omdat er geen beroep mogelijk is. Een ouder of voogd kan bewogen worden om het kind uit de donkere, eenzame kamer waarin het werd opgesloten, te verlossen. Maar een bewaker kan dat niet. De meeste bewakers houden van kinderen. Maar het systeem verbiedt ze om het kind enige hulp te bieden. Zo zij het doen, zoals Martin deed, worden ze ontslagen. Het tweede waar een kind in de gevangenis onder te lijden heeft, is de honger. Het uitgereikte voedsel bestaat ’s(ochtends om half acht uit een stuk gewoonlijk slecht gebakken gevangenisbrood en een kroes water. Om twaalf uur krijgt het kind zijn middageten, bestaande uit een bord grove, melige havermoutpap en om half zes krijgt het bij wijze van avondeten weer een stuk droog brood en een kroes water. Dit dieet veroorzaakt bij sterke, volwassen mannen altijd een of andere kwaal, natuurlijk diarrhoea, gemeenlijk vergezeld van de bijbehorende uitputtingsverschijnselen. In feite worden in alle grote gevangenissen routinematig adstringerende medicijnen uitgereikt. In de regel zijn kinderen niet in staat het gevangenisvoedsel te eten. Iedereen die iets van kinderen afweet, weet hoe gemakkelijk de spijsvertering van een kind in de war raakt, door heftig huilen, door problemen, door spanningen. Een kind dat een hele dag heeft gehuild, en misschien ook de halve nacht in zijn eenzame, slecht verlichte cel, bevangen door angst, kan dit slecht verteerbare afschuwelijke voedsel niet eten. In het geval van het kleine kind, dat van de bewaker Martin een paar biscuitjes kreeg, huilde het dinsdagochtend van de honger en was het niet in staat om het brood met water naar binnen te krijgen dat het bij wijze van ontbijt kreeg voorgeschoteld. Martin ging naar buiten nadat hij het ochtendeten had uitgedeeld en kocht een paar biscuitjes omdat hij het kind niet kon zien lijden. Het was zijnerzijds een nobel gebaar en werd als zodanig ook door het kind ervaren, zodat het - zich geheel niet bewust van de gevangenisreglementen - aan een van de oudere cipiers vertelde hoe vriendelijk de bewaker voor hem was geweest. Het resultaat was natuurlijk een rapport en ontslag. IK KENDE MARTIN heel goed en ik viel de laatste zeven weken van mijn gevangenschap onder zijn toezicht. Bij zijn benoeming in Reading had hij de verantwoordelijkheid over gaanderij C, waar ik was opgesloten; zodoende zag ik hem voortdurend. Ik was getroffen door de bijzondere vriendelijkheid en menselijkheid in de manier waarop hij mij en de andere gevangenen tegemoettrad. Vriendelijke woorden en een plezierig 'Goedemorgen’ of 'Goedenavond’ kunnen iemand in de gevangenis gelukkig maken, voor zover iemand in de gevangenis gelukkig kan zijn. Hij was altijd aardig en tactvol. Toevallig herinnerde ik mij een andere keer, toen hij een buitengewone vriendelijkheid aan den dag legde ten opzichte van een der gevangenen, en ik aarzel niet om dit hier te memoreren. Een van de meest afschuwelijke dingen in de gevangenis is de slechte sanitaire voorziening. Onder geen enkel beding is het de gevangene toegestaan zijn cel na half zes ’s(avonds te verlaten. Indien hij derhalve aan diarrhoea lijdt, dient hij zijn cel als latrine te gebruiken en de nacht door te brengen in de meest bedorven en ongezonde omstandigheden. Een juist veroordeelde man die, zoals gebruikelijk, door het verschafte voedsel aan heftige diarrhoea leed, vroeg aan de verantwoordelijke cipier om hem toe te staan de ton te legen vanwege de vreselijke stank in zijn cel, terwijl hij bovendien verwachtte dat hij mogelijkerwijs die nacht weer ziek zou worden. De cipier weigerde pertinent; het was tegen de regels. De man moest de nacht in deze vre selijke omstandigheden doorbrengen. Martin echter, die niet kon aanzien dat de stumper zich in zo'n weerzinwekkende situatie bevond, zei dat hij ’s(mans ton zelf zou legen, en deed het. Dat een bewaker de ton van een gevangene leegt is natuurlijk tegen de voorschriften, maar Martin verrichtte deze daad van naastenliefde vanuit de eenvoudige menselijkheid die zijn aard is, en de man was vanzelfsprekend uiterst dankbaar. ER WORDT DE grootste zorg besteed aan het isoleren van de kinderen. Met gevangenen ouder dan zestien jaar mogen ze niet in aanraking komen. Kinderen zitten in de kapel achter een gordijn, ze worden gelucht op kleine, zonloze binnenplaatsen - soms een stenen plein achter de werkplaats - opdat ze de oudere gevangenen maar niet zullen zien. Maar de enige echt humaniserende invloed in de gevangenis is de invloed van de gevangenen, hun opgewektheid onder verschrikkelijke omstandigheden, hun sympathie voor elkaar, hun bescheidenheid, hun vriendelijkheid, hun plezierige lach bij een begroeting, hun volledige acceptatie van hun straf, het is allemaal zeer bijzonder en ik heb er zelf veel van geleerd. Mijn voorstel is niet dat kinderen níet achter een gordijn zouden moeten zitten in de kapel, of dat zij gelucht moeten worden op een hoekje van de gezamenlijke binnenplaats. Ik wijs alleen maar op het feit dat de slechte invloed op de kinderen niet van de kant der gevangenen komt, maar dat het het gevangenissysteem zelf is, en dat dit altijd zal blijven. Er is niet één gevangene in Reading Goal die niet met plezier de straf van die drie kinderen voor zijn rekening had genomen. Toen ik hen de laatste keer zag was het de dinsdag die volgde op hun veroordeling. Ik werd om half twaalf gelucht met ongeveer een dozijn anderen, toen de drie kinderen ons onder toezicht van een bewaker passeerden, terugkerend van de vochtige, troosteloze binnenplaats waar ze gelucht waren. Ik zag het grootste mededogen en sympathie in de ogen van mijn metgezellen toen ze naar hen keken. Gevangenen zijn groepsgewijs buitengewoon vriendelijk en aardig voor elkander. Lijden, gemeenschappelijk lijden maakt mensen humaan en dag na dag, lopende op de binnenplaats, ondervond ik met genoegen en behagen wat Carlyle ergens noemt 'de stille, ritmische charme van menselijke kameraadschap’. Hierin, zoals overigens ook in andere opzichten, zijn filantropen en andere lieden van dat soort niet goed geïnformeerd. Het zijn de gevangenen niet die moeten veranderen. Het zijn de gevangenissen. Vanzelfsprekend behoort een kind onder de veertien niet naar een gevangenis te worden gezonden. Het is absurd en als zoveel absurditeiten leidt het tot tragische resultaten. Maar als het met alle geweld moet, zouden ze overdag naar een werkplaats of schoolklas moeten worden gestuurd, onder toezicht van een bewaker. ’s Nachts zouden ze op een slaapzaal kunnen slapen, met een nachtbewaker om op ze te passen. En ze zouden lichamelijke activiteiten moeten verrichten, ten minste drie uur per dag. De donkere, slecht geventileerde, stinkende gevangeniscellen zijn ellendig voor een kind, ellendig trouwens voor iedereen. Men ademt in de gevangenis altijd bedorven lucht. Het voedsel dat de kinderen moeten krijgen, zou thee, brood, boter en soep horen te zijn. Gevangenissoep is goed en verkwikkend. Een resolutie van het Lagerhuis zou binnen een half uur een andere behandeling van kinderen kunnen bewerkstelligen. Ik hoop dat u uw invloed wilt gebruiken om dit tot stand te brengen. De manier waarop kinderen thans worden behandeld is een belediging voor de mensheid en het gezonde verstand, en komt voort uit stupiditeit. LAAT MIJ DE aandacht vestigen op een ander kwaad dat zich in de Engelse gevangenissen afspeelt, ja, in gevangenissen over de gehele wereld waar het systeem van stilte en cellulaire opsluiting wordt toegepast. Ik doel op het grote aantal mannen dat in de gevangenis krankzinnig of ernstig geestelijk gestoord wordt. Ongeveer drie maanden geleden viel mij een jonge man op, die mij simpel of zwakzinnig voorkwam. Iedere gevangenis heeft natuurlijk zijn gestoorde cliënten, die keer op keer terugkomen, en van wie gezegd kan worden dat ze eigenlijk in de gevangenis wonen. Maar deze jonge man viel me op vanwege zijn meer dan gebruikelijke, domme gegrinnik, zijn idiote, in zichzelf gekeerde gelach en de merkwaardige rusteloosheid van zijn voortdurend wringende handen. Ook alle andere gevangenen viel zijn vreemde gedrag op. Van tijd tot tijd verscheen hij niet bij het luchten, wat erop wees dat hem celstraf was opgelegd. Tenslotte ontdekte ik dat hij onder observatie stond en dag en nacht door de bewakers werd gadegeslagen. Als hij bij het luchten verscheen leek hij altijd hysterisch en liep tegelijkertijd lachend en huilend rond. In de kapel stond hij onder toezicht van twee bewakers die hem de hele tijd zorgvuldig in de gaten hielden. Soms begroef hij zijn hoofd in zijn handen, hetgeen niet in over eenstemming was met de kapelregels, waarna zijn hoofd onmiddellijk door een bewaker omhoog werd gerukt, opdat hij zijn ogen voortdurend gevestigd zou houden op de avondmaaltafel. Soms huilde hij - zonder geluid. De tranen stroomden over zijn gezicht en zijn keel klopte hysterisch. Soms grinnikte hij idioot in zichzelf en trok gezichten. Meer dan eens werd hij de kapel uitgestuurd, terug naar zijn cel en natuurlijk werd hij voortdurend gestraft. Omdat de bank waarop ik in de kapel diende te zitten, vlak achter de bank was waar op zijn beurt deze stakker was geplaatst, was ik in de gelegenheid hem te observeren. Ik trof hem natuurlijk ook tijdens het luchten, kon zo zien hoe hij krankzinnig werd, maar niettemin behandeld werd alsof hij simuleerde. Verleden zaterdag was ik in mijn cel om ongeveer één uur, bezig met het schoonmaken en poetsen van mijn eetgerei dat ik voor het middageten had gebruikt. Plotseling werd ik uit de gevangenisstilte opgeschrikt door de meest verschrikkelijke en hartverscheurende kreten, of liever gebrul, want eerst dacht ik dat een of ander dier - een stier of een koe - buiten de gevangenismuren (ondeskundig) werd geslacht. Ik realiseerde mij echter spoedig dat het gehuil opsteeg uit de kelders van de gevangenis en ik wist dat een of andere diep ongelukkige werd gegeseld. Ik behoef niet te vermelden hoe gruwelijk ik dit vond en ik begon mij af te vragen wie op deze afstotelijke wijze werd gestraft. Plotseling kreeg ik het vermoeden dat ze bezig zouden kunnen zijn die ongelukkige krankzinnige te geselen. DE VOLGENDE DAG, zondag de zestiende, zag ik de arme kerel, zijn zwakke, lelijk verwrongen, opgezwollen gezicht was onherkenbaar van tranen en hysterie. Hij liep in de binnenste cirkel met de oude mannen, de bedelaars en de invaliden, zodat ik hem de hele tijd kon gadeslaan. Het was mijn laatste zondag in de gevangenis, een bijzonder mooie dag, de mooiste dag die we het hele jaar hebben gehad, en daar, in het prachtige zonlicht, liep dit rampzalige schepsel, ooit gemaakt naar het evenbeeld van God - grinnikend als een aap, en met zijn handen de meest fantastische gebaren makend, alsof hij speelde op een onzichtbaar instrument of fiches uitdeelde van een merkwaardig spel. De hele tijd lieten zijn hysterie-tranen, zonder welke niemand van ons hem ooit zag, vuile sporen achter op zijn bleke, opgezette gelaat. De afschuwelijke en onopzettelijke gratie van zijn gebaren deden hem lijken op een nar. Hij was een levend karikatuur. De andere gevangenen keken allen naar hem en niemand lachte. Iedereen wist wat hem was overkomen en dat hij krankzinnig gemaakt werd. Na een half uur werd hij door de bewaker mee naar binnen genomen en ik vermoed dat hij andermaal gestraft werd. Op dinsdag - mijn laatste dag in gevangenschap - zag ik hem bij het luchten. Hij was er erger aan toe dan tevoren. En opnieuw werd hij naar binnen gezonden. Ik weet niet uit eigen aanschouwing wat er verder met hem is gebeurd, maar ik hoorde van een medegevangene tijdens het luchten dat hij zaterdagmiddag in het kookhuis vierentwintig zweepslagen heeft gehad, in opdracht van de bezoekende regenten en op advies van de dokter. De kreten die ons allen met afschuw hadden vervuld waren van hem afkomstig geweest. De man wordt ongetwijfeld krankzinnig. Gevangenisdokters hebben geen enkele notitie van geestesziekten. Het zijn over het algemeen ondeskundige lieden. De pathologie van de geest is onbekend terrein voor hen. Als een man langzamerhand gek wordt, behandelen ze hem als een simulant. Zij hebben hem keer op keer gestraft. Natuurlijk wordt het dan erger met de man. Als de gebruikelijke straffen falen, rapporteren de artsen dit aan de regenten. Het resultaat hiervan is dat de gevangene vervolgens wordt gegeseld. Natuurlijk wordt niet met de kat-met-negen-staarten geslagen. Het instrument is een berkelat, maar het gevolg voor de rampzalige half-krankzinnige laat zich niettemin raden. Zijn nummer is, of was A.2.11. Ik ben ook achter zijn naam gekomen. Die luidt Prince. Er moet onmiddellijk iets voor hem gedaan worden. Hij is soldaat en hij is krijgstuchtelijk veroordeeld. De straftijd was zes maanden. Hij heeft er nog drie tegoed. HET GEVAL IS een bijzonder voorbeeld van de wreedheid die gekoppeld is aan het stelsel. De huidige directeur van Reading is een zachtzinnig en humaan man die door alle gevangenen geacht en gerespecteerd wordt. Hij werd verleden jaar juli benoemd en, ofschoon hij de reglementen van het gevangeniswezen niet kan veranderen, heeft hij de sfeer veranderd waarin deze regels onder zijn voorganger werden gehanteerd. Hij is zeer geliefd bij zowel gevangenen als bewakers. Ja, hij heeft de toonzetting van het gevangenisleven gewijzigd. Aan de andere kant staat hij machteloos tegenover het stelsel waar het een eventuele wijziging van de voorschriften betreft. Ik twijfel er niet aan dat hem dagelijks véél onder ogen komt waarvan hij weet dat het onrechtvaardig, stupide en wreed is. Maar zijn handen zijn gebonden. Natuurlijk ken ik noch zijn werkelijke inzichten betreffende het geval A.2.11, noch zijn opvattingen over het huidige systeem. Ik beoordeel hem louter op de complete verandering die hij in Reading teweeg heeft gebracht. Onder zijn voorganger werd het systeem uitgevoerd met optimale hardheid en stompzinnigheid. - Ik verblijf meneer, met de grootst mogelijke hoogachting, Oscar Wilde