jonge Oost-Duitse schrijvers

Ostalgie naar een verdwenen land

De ondergang van de DDR is een vrijwel onuitputtelijk onderwerp in de Duitse literatuur. Opvallend is de kloof tussen jong en oud, die bij het aanpassingsproces een rol speelde. Juist jonge Oost-Duitse schrijvers hebben zich meester gemaakt van het thema.

Het is nog geen dertien jaar geleden dat de DDR ophield te bestaan en werd gevoegd bij de Bondsrepubliek. Weinig Duitsers betreurden in 1990 het verdwijnen van deze totalitaire staat. In de euforie van het bewogen jaar van de eenwording geloofde bijna iedereen dat nu «naar elkaar toe zou groeien, wat bij elkaar hoort», zoals Willy Brandt het na de val van de Muur had uitgedrukt.

De snelheid waarmee na 1990 de sociale en economische structuur van de DDR werd afgebroken, hield echter geen gelijke tred met het verdwijnen van de DDR uit de hoofden van de Oost-Duitsers. Dat hun oude leven volkomen verkeerd en waardeloos was geweest, was een moeilijk te verwerken schok. Bovendien kwamen de Oost-Duitsers, gewend te leven in een samenleving waarin het collectief voorop stond en iedereen werk had, plotseling terecht in een maatschappij waarin het individu toonaangevend is en werk hebben niet vanzelf sprak. Dit leidde ertoe dat in de «nieuwe deelstaten» een onbestemd verlangen naar de oude DDR ging ontstaan. Velen moeten zich ervan bewust zijn dat die Ostalgie is gebaseerd op een geïdealiseerd beeld van de DDR, want niemand wil werkelijk terug naar de vroegere communistische dictatuur. Maar tegelijkertijd wil vrijwel niemand zijn eigen biografie op de mestvaalt werpen. De breuk van 1990 was een gewilde, maar de snijvlakken van die breuk zijn voelbaar gebleven en de scherpe kanten worden maar langzaam weg gepolijst.

Tegenstrijdige gevoelens dus, die een uitweg zoeken, verwoord willen worden. Daarnaast hebben de Oost-Duitsers hun herinneringen: gedachten over hun verleden die voort woekeren en naar de oppervlakte willen, gedeeld willen worden met anderen. Geen wonder dat de DDR, de Wende en alles wat daarmee samenhing, een belangrijk thema zijn geworden voor Duitse schrijvers en filmers. Dat is geen nieuwe trend; de roman Helden wie wir van Thomas Brussig verscheen in 1995 en de film Sonnenallee, waarvoor Brussig eveneens de stof leverde, is ook al enkele jaren oud. De belangstelling voor het DDR-verleden lijkt echter ongebroken. De film Good Bye Lenin trekt in Duitsland volle zalen en het boek Zonenkinder van de nog jonge Jana Hensel staat nu al maandenlang op de bestsellerlijst van Der Spiegel.

De DDR en de ondergang ervan vormen een vrijwel onuitputtelijk onderwerp, zoals blijkt uit de boeken, fictie en non-fictie, die in Duitsland zijn verschenen. De Oost-Duitsers reageerden verschillend op het communistische systeem en na 1990 kwamen er ook weer uiteenlopende reacties op de «nieuwe tijd». Opvallend is de kloof tussen jong en oud, die bij het aanpassingsproces een rol heeft gespeeld.

Monika Maron, geboren in 1941 in Berlijn, opgegroeid in de DDR maar nu al geruime tijd woonachtig in West-Duitsland, schrijft in haar roman Endmoränen over een al wat ouder echtpaar dat in een crisis verkeert. De ik-figuur, een vrouw, heeft zich teruggetrokken op het platteland om te schrijven en na te denken, en haar conclusie is dat ze na 1990 heeft verzuimd haar leven een nieuwe inhoud te geven. Ze schreef in de DDR biografieën en ging daar na de Wende mee door. Vóór 1990 gaf het haar een heimelijk genoegen kritische boodschappen in die biografieën te verbergen, maar na 1990 was dit volslagen overbodig geworden: «Ik had destijds met het schrijven van biografieën moeten ophouden. We hadden de kans een heel nieuw leven te beginnen, een leven dat voor ons niet was weggelegd en waarmee niemand had gerekend. Ik had alle begane paden moeten verlaten en mijn leven opnieuw moeten uitvinden.»

Een nieuw leven beginnen, de DDR vergeten en wel zo snel mogelijk, dat was vooral iets voor jonge Oost-Duitsers. Juist de generatie die rond 1970 in de DDR werd geboren en dus nog opgroeide onder het communistische systeem moest van dit systeem niet veel hebben en verbleef al ruim vóór de Duitse vereniging geestelijk in het Westen. Haar helden waren westerse helden, haar muziek was westerse muziek, de kleding moest op z’n minst een westerse indruk maken.

Maar ook hier komen gevoelens met elkaar in botsing. Want juist jonge Oost-Duitse schrijvers hebben zich meester gemaakt van het thema DDR. Tot hen behoort André Kubiczek, die in 1969 in Potsdam werd geboren en die in zijn eerste roman Junge Talente schrijft over Less, een jonge Oost-Duitser die in de jaren tachtig rebelleert tegen zijn omgeving. In het provinciestadje in de Harz waar hij opgroeide, doet hij dat door provocerende kleding en haardracht. Later in Oost-Berlijn komt hij terecht in het alternatieve en artistieke milieu van de wijk Prenzlauer Berg, waar die groepen mensen woonden voor wie de DDR eigenlijk al niet meer bestond. Het was de wereld van punkers, anarchisten, schilders en dichters die hadden gekozen voor een leven waarin het «reëel bestaande socialisme» werd weggespoeld met veel drank en overstemd door dreunende muziek.

Waar Kubiczek vooral een bepaalde stemming oproept en een milieu schildert, verwoordt Jana Simon de houding van jongeren gedurende de laatste jaren van de DDR veel duidelijker. In Denn wir sind anders: Die Geschichte des Felix S. schrijft ze: «De jaren tachtig kwamen haar en Felix voor als een eindeloos loden tijd van stagnatie, een permanent wachten op iets wat hun leven zou veranderen. (…) De gedesillusioneerde kleinkinderen van de revolutionairen zongen geen vrolijke liederen meer, ze lieten zich wegzinken in een ziekelijke smart over de ellende op aarde, een verlangen naar de dood of sarcasme.»

Jana Simon, in 1972 in Potsdam geboren, heeft duidelijk literaire ambities, maar ze heeft geen roman geschreven. Ze vertelt over het leven van Felix, een jonge Oost-Berlijner die ze in de jaren tachtig leerde kennen, toen beiden woonden in de Oost-Berlijnse wijk Johannisthal. Dit levensverhaal is in feite het verhaal van die Oost-Duitse jongeren die na de ondergang van de DDR elk gevoel voor normen en waarden, voor goed en kwaad, hadden verloren. In de DDR wist iedereen wie de vijand was, en waaraan men zich te houden had. Alles lag vast, het leven was voorspelbaar. Simon: «Zwaarder nog dan het verlies van hun land, dat bij Felix’ generatie nooit erg geliefd was geweest, woog voor hen het verlies van de ondubbelzinnigheid.» De vrijheid die grenzeloos leek, voerde deze jongeren op het hellende vlak van geweld, prostitutie en drugs.

Die tegenstrijdige gevoelens en de kloof tussen de generaties worden nog het meest tastbaar in het al genoemde Zonenkinder van Jana Hensel, die in 1976 in Leipzig werd geboren. Dit verklaart wellicht het grote succes van dit kleine werk. Hensel vertelt eigenlijk vooral over zichzelf, maar duidelijk is dat zij mede de ervaringen van leeftijdgenoten onder woorden brengt. Ze paste zich na 1990 met grote snelheid aan en was al spoedig niet meer te onderscheiden van haar West-Duitse leeftijdgenoten. Maar helemaal gelukkig maakte dat haar niet. Na tien jaar moest ze constateren dat van het Leipzig van haar kinderjaren niets was overgebleven. «Plotseling was ze weg, de oude tijd.» Ze voelt zich als iemand zonder wortels, zonder jeugd, een vreemdeling in Leipzig, dat toch haar stad was. In haar boek wil ze haar kinderjaren terughalen. Hensel gaat op zoek naar haar «verloren herinneringen», ook al vreest ze «de weg terug niet meer te zullen vinden».

Die bijna niet te beheersen drang om herinneringen aan een verdwenen tijd op te halen, vormt ook een belangrijk element in de roman Rosa oder Die Liebe zu den Fischen van Michael G. Fritz, geboren in 1953 in Dresden. Deze Rosa sleept haar nieuwe geliefde mee naar het ouderlijk huis, een grote villa in Berlijn, en maakt hem daar tot huisbewaarder — eigenlijk alleen omdat ze hem haar levensgeschiedenis en die van haar ouders wil vertellen. «Luister alstublieft naar me», is haar smeekbede in een deels bizar verhaal over de top van het partij apparaat en de Stasi.

Grote literatuur, het moet gezegd, vormen al deze boeken niet werkelijk. Maar er is één opmerkelijke uitzondering. Kathrin Schmidt, geboren in 1958 in Gotha, heeft met Koenigs Kinder een indrukwekkende roman geschreven. Van haar verscheen eerder Die Gunnar-Lennefsen-Expedition, waarvan ook een Nederlandse vertaling is gemaakt. Ze wordt in Duitsland terecht beschouwd als een groot literair talent.

Koenigs Kinder is een meeslepend boek dat meesterlijk is geschreven. De roman is ingenieus gecomponeerd, waarbij ogenschijnlijk losse draden langzaam maar zeker tot een boeiend geheel worden verweven. De personages, die allen op de een of andere manier beschadigd zijn geraakt en soms een geheim uit een ver verleden met zich mee torsen, wonen aan de oostelijke stadsrand van Berlijn. Ze leven in het heden, maar de DDR is steeds als een oude, versleten coulisse aanwezig: «In de avondschemering bij een al laag hangende zon herinnerden de vijf en zes verdiepingen tellende Plattenbauten aan rijen tanden die niets anders om op te bijten hadden dan een waterige hemel.»

De verschillende families in de roman hebben ogenschijnlijk niets met elkaar te maken. De bejaarde Ida Bergner komt zelfs uit Kazachstan. «Een moment lang lag er een Aziatische glimlach op Ida’s gezicht, totdat deze vervluchtigde in de rauwe avondlucht.» Maar langzaam wordt duidelijk dat ze iets met elkaar hebben gehad in een verleden dat reikt tot in de Russische bezetting van Oost-Duitsland na 1945 en de beginjaren van de DDR. Dat verleden begint hun dagelijks leven te verstoren, totdat de gebeurtenissen uit die jaren als een mokerslag terugkeren.

Koenigs Kinder zijn de kinderen van een stuk Duits verleden. Nu is een roman geen geschiedenisboek, maar toch: de geschiedenis die wordt verteld, had zich zo kunnen voltrekken.

Monika Maron

Endmoränen

Uitg. S. Fischer, 252 blz., € 19,90

André Kubiczek

Junge Talente

Uitg. Rowolt, 22 blz., € 21,15

Jana Simon

Denn wir sind anders: Die Geschichte des Felix S.

Uitg. Rowolt, 246 blz., € 18,65

Jana Hensel

Zonenkinder

Uitg. Rowolt, 172 blz., € 14,90

Michael G. Fritz

Rosa oder Die Liebe zu den Fischen

Uitg. Reclam, 187 blz., € 23,65

Kathrin Schmidt

Koenigs Kinder

Uitg. Kiepenheuer & Witsch, 344 blz., € 22,90

De moderne mens heeft overal vrienden, maar blijft eenzaam

Judith Hermann, Nichts als Gespenster

Uitg. S. Fischer, 317 blz., € 17,90

Tot de jonge Duitse auteurs die vier, vijf jaar geleden uit het niets te voorschijn kwamen en snel literaire roem vergaarden, behoorde op de eerste plaats Judith Hermann, in 1970 in Berlijn geboren en tot de herfst van 1998 volslagen onbekend. Toen verscheen haar Sommerhaus, später, een bundel met negen verhalen over jonge mensen in Berlijn, over hun gevoelens en verlangens. Het maakte grote indruk op Marcel Reich-Ranicki, de criticus die in Duitsland literaire reputaties maakt en breekt. Zijn lof bepaalde mede het grote succes van Sommerhaus, später, dat een oplage bereikte van 250.000 exemplaren en in zeventien talen verscheen.

Hermann verliet Berlijn, ging op reis en is teruggekeerd met nieuwe verhalen, zeven om precies te zijn, gebundeld in Nichts als Gespenster. Hierin is de schrijfster zichzelf trouw gebleven. Want weliswaar zijn haar verhalen nu langer en spelen ze zich af in IJsland, Tsjechië, Italië, Amerika en Noorwegen, maar het gaat Hermann nog altijd om mensen, om hun gevoelens en verlangens, hun relaties tot elkaar. Vooral in het beschrijven van die menselijke relaties is ze een meester.

Die zeven verhalen, hoe verschillend ook, hebben een droevig stemmende boodschap: mensen zijn niet meer in staat tot een duurzame binding. De nieuwe tijd met zijn vele beelden en indrukken heeft de menselijke gevoelshuishouding in de war gebracht. De moderne mens is uiterst mobiel, heeft overal vrienden, maar blijft in wezen eenzaam.

Opvallend is dat verschillende figuren in Hermanns verhalen net een liefdesaffaire achter de rug hebben. Dat is het geval in het verhaal Aqua Alta, waarin een dertigjarige vrouw besluit haar rondreizende ouders op te zoeken in Venetië. Bezorgdheid drijft haar, maar ook het verlangen naar de geborgenheid uit haar kinderjaren. En in Kaltblau zijn het een man en een vrouw uit Berlijn die naar IJsland reizen, naar een bevriend paar dat zijn eigen problemen heeft, want hun relatie is verstard tot routine. Hermann heeft vooral IJsland prachtig beschreven, maar uiteindelijk blijft iedereen alleen met zijn gevoelens.

Het meest duidelijk wordt dit in Zuhälter, waarin een jonge vrouw terugkeert naar een vroegere geliefde, een kunstschilder die tijdelijk werkt in het Tsjechische kuuroord Karlovy Vary. «Ik lag naast hem, op mijn zijde, en keek hem aan en vond hem nog altijd mooi, zoals vroeger, zoals altijd, zijn grappige vlashaar, zijn kleine kin, zijn ruwe huid. Ik had net zo goed naast een dode kunnen liggen, of naast wie dan ook, of waar dan ook, zo weinig betekende ik voor hem en hij voor mij, en toch waren we zo nabij, mij deed dat pijn, hem zeker niet.» Het aardigste verhaal is Nichts als Gespenster, ook de titel van de bundel. Het gaat over een paar dat Amerika doorkruist. Op die lange reis belanden ze in Austin, Nevada, in een hotel waar het ogenschijnlijk spookt, althans, iemand probeert die spoken te fotograferen. Ergens onderweg is de man verstomd.

Vluchtige ontmoetingen, gewilde en ongewilde, kortstondige liefdesaffaires — steeds komen ze in Hermanns verhalen voor. Maar niets is blijvend: mensen komen niet tot elkaar. Zelfs als het ogenschijnlijk om ware liefde gaat, is het einde in zicht: «Ik ken Jacob nu bijna een jaar. Ik denk niet na over de vraag of dit lang of kort is. Jacob zegt dat we voor altijd bij elkaar zullen blijven, wat me verontrust, omdat reeds nu schijnbaar alles tussen mij en hem uit herinnering bestaat.»

Zonder toekomst duurt geluk slechts een moment. Wat blijft zijn herinneringen. Toch is de wereld die Judith Hermann beschrijft reëel en tastbaar, met nauwkeurige beschrijvingen door een auteur met een fijn afgestemde antenne voor individuele gevoelens. Die gevoelens hebben zichzelf overleefd en behoren al tot het verleden. Spookachtig eigenlijk.