29 februari 1952 – 22 juli 2012

Oswaldo Payá

Oswaldo Payá was de leider van de gematigde oppositie in Cuba. Hij bepleitte iets wat in Cuba altijd schaars was: de dialoog. Die opstelling leverde hem problemen op, niet alleen met het bewind, maar ook met de meeste andere oppositiefiguren.

Een levensgroot portret van Jezus is het eerste wat je ziet wanneer je het huis van Osvaldo Payá in Havana binnenkomt. Het hangt schuin tegenover een foto uit 2002 van hemzelf op weg naar het parlement voor de overhandiging van duizenden handtekeningen voor zijn Proyecto Varela. De twee beelden kun je zien als een mini-schets van de man Payá: een katholieke mensenrechtenactivist in communistisch Cuba.

Pal onder het Jezus-portret placht hij in zijn schommelstoel te gaan zitten om met zijn gasten te praten over hoe het anders moest met Cuba. En gasten waren er in overvloed, dit huis was een zoete inval. De oppositie die hij voerde tegen het bewind was niet bepaald clandestien. Bellen kon je hem ook altijd, wanneer er weer eens een ‘mensenrechtengeval’ hoog opliep. Taxichauffeurs, die veelal uit vrije wil of gedwongen verklikkers van het regime zijn, kenden zijn adres uit hun hoofd en reden zonder morren naar El Cerro, een van die haveloze wijken van Havana.

Natuurlijk werd hij constant in de gaten gehouden, maar de druk kwam de laatste jaren vooral van de cdr’s, de intimiderende en controlerende Comités voor de Verdediging van de Revolutie, die altijd en overal de ogen en oren van de communistische partij op Cuba zijn.

‘In de tijd dat ik handtekeningen ophaalde, organiseerde het regime een pogrom’, vertelde hij een van de keren dat ik zijn gast was. ‘Honderd mensen voor mijn deur, die schreeuwden en dreigden, mijn huis geplunderd en leeggehaald, de hele muur en deur volgekalkt met kreten als Payá van de cia en Payá worm.’ Hardere sancties waren hem al eind jaren zestig ten deel gevallen: drie jaar werkkamp omdat hij als dienstplichtig militair had geweigerd een groep politieke gevangenen te vervoeren.

Oswaldo Payá was de grote bepleiter van een goed dat in Cuba even schaars is als verse vis: de dialoog. Die opstelling leverde hem niet alleen problemen met het bewind op maar ook met de meeste andere oppositiefiguren, die veelal radicaler zijn. Payá was de leider van de gematigde oppositie in Cuba; van huis uit ingenieur telecommunicatie, werkzaam als specialist in medische apparatuur en oprichter van de Christelijke Bevrijdingsbeweging.

Internationale bekendheid kreeg hij met zijn Proyecto Varela. Een gewaagd initiatief, genoemd naar een Cubaanse priester die in het begin van de negentiende eeuw in het Spaanse parlement de onafhankelijkheid van de kolonie Cuba bepleitte. Het project bestond uit het verzamelen van hand­tekeningen voor een referendum over een grondwetswijziging, met als doel het instellen van de vrijheid van meningsuiting en organisatie, het recht voor elke Cubaan het land te verlaten en weer terug te keren, en de vrijlating van alle politieke gevangenen. In 2002 gaf het Europees Parlement hem de Sacharov-prijs. Hij mocht zowaar Cuba verlaten om de prijs op te halen, en maakte van de gelegenheid gebruik paus Johannes Paulus II in Rome te bezoeken. Het was eveneens een wonder dat hij weer terug naar huis mocht komen.

Payá meende dat niemand in Cuba dient te ­zwijgen. ‘Er zijn mensen in Cuba die spreken van gematigden binnen het bewind’, zei hij in 2006. ‘Ik zeg: als ze gematigd zijn, laten ze dat dan nu tonen. Na een omwenteling is ineens iedereen gematigd. Wat Cuba nodig heeft, zijn mensen van goede wil en met de moed om te werken voor de verandering. Het is volkomen onbelangrijk of zij heel privé, in het geheim, goede bedoelingen hebben zonder iets te doen voor hun volk.’

Zijn politieke handvest Todos Cubanos moest als uitgangspunt dienen voor de overgang naar de democratie in Cuba. ‘Ons programma gaat uit van een dialoog tussen alle Cubanen. Uit die dialoog, zonder uitsluiting van welke groep dan ook, zal blijken dat de Cubanen geen revanche willen. Natuurlijk zijn ze bezorgd over de arrogantie van het bewind, en wanneer ze spreken van vergeving en rechtvaardigheid dan betekent dat niet het tekenen van een blanco cheque. Er overheersen geen gevoelens van haat, maar de Cubanen eisen wel hun rechten op.’

In oppositiekringen maakte Payá zich niet populair met zijn stelling dat niemand in Cuba zit te wachten op een massale terugkeer van de Cubaanse ballingen in Miami. ‘De Cubanen zijn bang dat ze hun huizen, hun banen kwijtraken, dat er wraakacties komen. Daarom staat in ons programma Todos Cubanos dat bij wet moet worden vastgelegd dat de huizen niet worden teruggegeven aan de oude eigenaren van voor de Revolutie. Niemand wordt uit zijn huis gezet. Wij willen niet in Cuba een wild kapitalisme installeren, waarin we een groep miljonairs fabriceren terwijl het volk arm blijft. Een vrije economie zonder de sociale dimensie te verliezen: gratis gezondheidszorg en onderwijs, en het handhaven van de publieke sector als een goed waar de hele maatschappij van profiteert.’

Payá wilde vooral dat Cuba niet van het ene uiterste in het andere zou vallen: ‘Wij zijn tegen een marktfundamentalisme. We hebben geleerd van de val van het communisme in Oost-Europa. De transitie hoeft niet per definitie een straf voor de meerderheid te zijn. Na de straf van het communisme zou dan nu de straf van het kapitalisme over hen komen. We hebben veel geleerd van andere transities. Deze lange dictatuur heeft ons in elk geval een hoop tijd gegeven om na te denken.’

Door het auto-ongeluk dat op 22 juli een einde maakte aan zijn leven is het Oswaldo Payá niet gegeven een Cuba zonder de broers Fidel en Raúl Castro te zien. Net als zoveel landgenoten heeft hij zijn hele leven lang alleen hun bewind gekend. Toen Fidel Castro is 2006 door ziekte het veld moest ruimen, weigerde Payá te geloven dat er pas iets zou veranderen bij de dood van El Comandante. Dat zou, zei hij, voor hemzelf wel eens te laat kunnen zijn: ‘We kunnen niet verwachten dat wanneer Fidel sterft alles zal veranderen. Dat is wat ik noem biologisch fatalisme. Alsof de enige oplossing zou kunnen zijn het doodgaan van een man. Dat kan niet onze hoop zijn, misschien ga ik wel eerder dood.’