20 oktober 1923 – 18 februari 2013

Otfried Preussler

De kinderboeken van de Duitse onderwijzer Otfried Preussler werden wereldwijd door miljoenen gelezen. ‘Voedsel verstrekken voor de fantasie’ was zijn levensdoel. Later werd de ‘grote tovenaar’ het centrum van een cultuuroorlog – wegens ongewenste ‘negertjes’ in zijn werk.

In een van de eerste lessen Nederlands die ik kreeg op de middelbare school vroeg onze leraar ons om briefjes in een doos te doen met daarop de naam van het beste boek dat we ooit hadden gelezen. Na een paar obscure namen uit zijn doos te hebben geplukt, zocht hij wat verbaasd door de briefjes, zei toen ‘Ah!’ en haalde er een te voorschijn waarop ik mijn handschrift herkende. De meester van de zwarte molen, las hij voor. Ik begreep onmiddellijk dat ik op zoek moest naar een origineler beste boek ooit. Ik bleek mijn keuze niet alleen te delen met een paar klasgenoten, maar waarschijnlijk ook met de helft van de Duitse jongens van een jaar of elf, twaalf.

‘Voedsel verstrekken voor de fantasie’, was het levensdoel van Otfried Preussler, zei hij eens in een interview. En hij was grootverstrekker: meer dan dertig boeken schreef hij, vele ervan verschenen in andere talen, en waarvan er een verbijsterende vijftig miljoen werden verkocht. De best verkopende was Der Räuber Hotzenplotz, die wereldwijd 7,5 miljoen maal over de toonbank ging. Gek genoeg werd dat niet vertaald in het Nederlands. Wel zijn eersteling, De kleine waterman, die mijn fantasie, liggend in ons groengeverfde stapelbed, danig voedde met het concept van wonen onder water, zwemvliezen tussen vingers en wilde ritten op de rug van vissen. Daarna volgden onder meer De kleine heks, Het spookje en Sterke Wanja, stuk voor stuk instant-klassiekers in Duitsland en daarbuiten. Fantasievolle vertellingen, maar geen idylles: er is altijd plaats voor gevaar, boze mensen en problemen.

Nadat Preussler in 1970 zijn baan als leraar op een basisschool had opgegeven, leverde hij De meester van de zwarte molen af. Net als zijn eerdere boeken was het rijk en fantasievol, maar nu van een heel ander soort: bedreigend en met een ontsnapping aan het einde die de beklemming niet kon wegnemen. Het was het eerste boek dat mij liet kennismaken met het Kwaad, een angstaanjagende, onverzoenlijke kracht in de vorm van de Meester – de Voldemort van de jaren zeventig en tachtig.

Toen Preussler vorige week overleed, werd hij beweend in Duitse media. ‘König meiner Kindheit’, heette het In Memoriam van Der Spiegel; Die Zeit schreef over ‘de standvastige fantast’ en ‘de grote tovenaar’. Duitse kranten speculeerden er ook op los of sommige boeken allegorieën waren voor zijn leven. Neem de vrolijke Wanja. Dat is een volmaakt onbezorgde jongen die zeven jaar lang weigert van zijn behaaglijke bed op de oven af te komen en die, tot stijgende ergernis van zijn familie, niets doet dan slapen en zonnebloempitten eten. Als hij zich dan eindelijk opricht, blijkt dat hij door al dat luieren onvoorstelbaar sterk en groot is geworden. Hij trekt het Russische Rijk in, vecht met heksen en drakenzonen, huwt een prinses en wordt tsaar. Preussler zelf werd ook volwassen in de Russische bossen. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak was hij zestien; na zijn eindexamen mocht hij direct naar het Oostfront. Na twee jaar werd hij gevangen genomen. Hij zou pas in 1949, na vijf jaar krijgsgevangenschap in Tatarstan, mogen terugkeren naar Duitsland. Na die vijf jaar, waarin hij onder meer malaria en vlektyfus opliep, woog hij nog maar veertig kilo.

‘Thuis’ bestond toen niet meer. Preussler groeide op in Reichenberg, een Duits stadje in Bohemen, en zijn hele jeugd heette hij Syrowatka. Zijn vader, ook een leraar, veranderde onder de nazi’s de familienaam in Preussler. Toen Otfried na zeven jaar oorlog en gevangenschap terugkeerde, vond hij Reichenberg terug onder de naam Liberec, en lag het twintig kilometer achter het IJzeren Gordijn. Preussler ging op zoek naar zijn verloofde, vond haar in het Beierse Rosenheim en begon een nieuw leven. Hij besloot dat hij leraar wilde worden, ging naar de universiteit en verdiende bij als verslaggever en kinderverhalen- en hoorspelenschrijver voor de Beierse radio. Al snel schreef hij zijn eerste boeken. In 1956 werd hij bekend met De kleine waterman, vanaf 1962 was hij (na het succes van Der Räuber Hotzenplotz) de grote man van het Duitse kinderboek.

De tijd heeft Preussler wel ingehaald. Zijn boeken werden gestaag minder goed en minder succesvol. Zijn boeken doen nu ook gedateerd aan, met een laag tempo en lange, vaak wat stijve dialogen. Hiërarchisch, is een ander vaak voorkomend verwijt. En de nieuwe tijd drong ook zijn boeken binnen. In het laatste jaar van zijn leven zag Preussler zich het centrum worden van een ware cultuur­oorlog waar Duitsers zich met zoveel overgave en pathos in kunnen werpen. Aanleiding was een brief van een uit Eritrea afkomstige Duitser, die Preusslers uitgever had gevraagd de woorden ‘neger’ en ‘negertje’ uit De kleine heks en andere boeken te verwijderen. Na overleg met Preussler had de uitgever de woorden veranderd en ook wat andere aanduidingen ‘gemoderniseerd’.

Een storm van protest stak op in het culturele Umfeld. De aanpassingen waren ‘niets minder dan censuur of vervalsing’, schreef een opgewonden schrijver in Die Zeit. In hetzelfde blad schreef een kinderpsycholoog dat ouders ‘hun eigen angsten projecteerden’ op Preusslers boeken, en dat woorden kinderen niet racistisch maken. Een boekrecensent droeg op televisie passages uit De kleine heks voor, terwijl hij was geschminkt met de beruchte blackface uit Amerikaanse films van begin twintigste eeuw. ‘Satire’, noemde hij dat, maar het creëerde natuurlijk weer zijn eigen opwinding. Preusslers uitgever klaagde dat hij dagelijks werd ‘overspoeld’ met een ‘vloed’ aan e-mails, 99 procent daarvan ‘beschimpingen’. Een merkwaardige afsluiting van Preusslers zo op plezier en verrijking gerichte werk. En symbool voor de heiligverklaring van zijn werk.

Preusslers uitgever klaagde dat hij dagelijks werd ‘overspoeld’ door e-mails, 99 procent ‘beschimpingen’