Ledigheid is, zo werd mij met de paplepel ingegeven, des duivels oorkussen. Luie mensen zijn slecht. Je dient met je talenten te woekeren en de korte tijd die je in het ondermaanse gegund is zo effectief mogelijk te benutten. Soms verlang ik er hartstochtelijk naar me aan nietsdoen te kunnen overgeven, maar ik ben er fysiek niet toe in staat. Leven is werken, van vakantie word ik verdrietig. Verder dan een avond drinken met vrienden heb ik het in de luiheid nooit gebracht, en ook dan moeten de gesprekken echt ergens over gaan, anders haak ik af.
De Romeinen gebruikten het woord otium om zinvol bestede vrije tijd aan te duiden. Wanneer je even niet in beslag werd genomen door politieke, sociale of financiële beslommeringen trok je je terug op een van je landgoederen om Griekse filosofen te lezen of een nuttig boek te schrijven. Doelloos rondhangen was iets voor verwijfde Grieken en onbehouwen Germanen.
Wat er mis kan gaan als je te weinig omhanden hebt, laat Catullus (eerste eeuw voor Christus) zien in een van zijn bekendste gedichten. Hij beschrijft het invaliderende effect dat de nabijheid van Lesbia, kennelijk een ravissante verschijning, op hem heeft. Haar naam verwijst naar de beroemdste vrouw van Lesbos, Sappho, en Catullus’ eerste drie strofen zijn in feite een ingedikte vertaling van een gedicht van haar. Gaat het gedicht over een vernietigende verliefdheid, of over gekmakende jaloezie? Dat is niet wat er staat. Richt de dichter zich misschien tot Sappho, en beschrijft hij een overrompelende leeservaring? Hoe dan ook kapt hij het verslag van zijn desintegratie af om zichzelf in te peperen dat wie niet werkt, kapotgaat. Paradoxaal genoeg heeft deze ledigheid wel een doorwrocht gedicht opgeleverd. Ik kan mijn otium niet beter besteden dan door het voor u te vertalen:
_
Die man lijkt wel een god te zijn geworden,
lijkt, of ga ik te ver nu, groter dan goden,
die het steeds weer uithoudt naar je te kijken
en je te horen

lachen, sprankelend, wat mijn arme zinnen
wegvaagt – want zodra ik, Lesbia, jou zie,
komt er, Lesbia, geen verstandig woord meer
over mijn lippen,

maar mijn tong ligt lam, vlak onder mijn huid stroomt
tintelvuur, door hun eigen herrie suizen
mijn oren, en tweevoudige nacht verduistert
het licht van mijn ogen.

Ledigheid, Catullus, is wat jou ziek maakt.
Ledigheid doet jou steeds manisch tekeergaan.
Ledigheid heeft vaak al vorsten en rijke steden vernietigd._