Opheffer

Otto en Camus

Mijn vriend Karel had hem ontmoet: Otto K., 82 jaar oud. Ik moest hem spreken — en hij wilde mij ook spreken. Reden: Otto had vlak na de oorlog in Amsterdam opgetrokken met Albert Camus.

Vorige week ging ik naar een woning op de Keizersgracht waar Otto woonde. Ik belde — en op dat moment kwam mijn vriend Karel aanlopen, die een sleutel had.

«Waarom heb jij een sleutel?»

«Gisteren van Otto gekregen, hij kan de deur niet opendoen.»

We gingen naar binnen. «Ik ga Otto even zoeken», zei hij. In de kamer waarin ik alleen achterbleef, zag ik zo’n drieduizend boeken. Franse, Duitse en wat Nederlandse literatuur — de laatste dertig jaar waren er geen boeken meer gekocht.

«Kom even hier, aan het einde van de gang», schreeuwde Karel. Ik liep de marmeren gang door en stond opeens in een slaapkamer. Otto lag in bed. Duidelijk een man van 82.

«Dag mijnheer K.», zei ik.

«Ik heet Otto, en ik ben existentialist.»

Ik ging op een stoel naast het bed zitten. «Hij houdt van Sartre en Camus, Otto», zei Karel over mij. «Hij wil jouw avonturen in Amsterdam met Camus horen.»

«Dat is goed», zei Otto. Daarna volgde er een stilte. En dus zei ik: «U heeft Camus in Amsterdam ontmoet?»

Otto knikte. «Ja, we dronken. Camus hield van jenever, al vond hij de Nederlandse jenever niet best. Hij kende Belgische jenevers die beter waren.»

«Hoe was hij?» vroeg ik.

Otto ging nu helemaal onderuit liggen. «Hij was lui, net als ik. Hij heeft hier geslapen. We waren wezen stappen in… ik denk 1951. Hij was starnakel… Dus hij sliep hier. In dit bed, waar ik nu in lig, want ik ben moe. Ik ben bijna dood, weet je dat? Ik ben 82.»

«Waarom was Camus lui?» vroeg ik door.

«Hij was lui, want hij wilde dit bed niet uit. Het was in 1951.»

Ik keek naar Karel. Mijn blik zei: hoe kun je mij dit aandoen? Karel keek daarop van mij weg — een teken dat hij mij begreep.

«Otto», zei Karel toen, en hij wees op mij, «vertel hem eens dat verhaal over die hoer op de Zeedijk.»

«Welk verhaal?» Otto trok zijn wenkbrauwen op.

«Van die hoer op de Zeedijk… Met Camus.»

«Ja, dat is een mooi verhaal… Ik zal het vertellen.» Ik ging iets dichter bij het bed zitten. «Camus wilde een hoer. En die dacht hij te vinden op de Zeedijk. Hij ziet een vrouwtje. Maakt een afspraak. Gaat met haar naar bed en…», Otto hield even een pauze, «en hij hoefde niet te betalen», luidde de bekkenslag.

«Hij hoefde niet te betalen?» herhaalde ik. «Waarom niet?»

«Omdat hij Frans sprak», zei Otto. Weer keek ik wanhopig naar Karel. Die zei toen, op normale toon: «Sorry. Hij zei me dat hij een half jaar met Camus had opgetrokken. Dus ik denk: een mooi verhaal.»

«Waar hebben jullie het over?» vroeg Otto, die probeerde iets rechter op zijn bed te gaan zitten.

«U heeft een half jaar met Camus opgetrokken, hoe was dat?» Ik stelde de vraag zo duidelijk mogelijk.

«Hij was een luie man… Hij deed niks hier in huis. Hij was vaak weg. Wat hij deed, weet ik niet. Door de stad lopen, zei hij… Maar dat geloofde ik niet. Hij zat alleen maar in de kroeg, volgens mij.»

«Een van de grootste filosofen van deze eeuw», zei ik.

«Ja», bevestigde Otto.

«Vond u dat ook?»

«Nee hoor», zei Otto toen.

«Mijnheer hier moet er weer vandoor, Otto», kondigde Karel toen aan.