Otto klemperer was zo gek nog niet

Kwam het door die hersenoperatie in 1939? Sinds die tijd gedroeg de fameuze dirigent Otto Klemperer (1885-1973) zich als een onhandelbare maniak. Wat niets afdeed aan wat hij op podium en plaat presteerde.
HIJ WAS EEN LEERLING van Gustav Mahler, een vriend en beschermer van Arnold Schönberg en een vereerder van Felix Mendelssohn. Of zij nu vijftig of honderdvijftig jaar dood waren, hij sprong onvervaard voor hen in de bres als hij de indruk had dat zij werden geschoffeerd. Zo schreef hij in 1960 een in gif en gal gedrenkte brief aan de Vereniging van Duitse Toonkunstenaars, die de grofheid had gehad zowel het jubileum van Mahler als dat van Mendelssohn te negeren. De schrijver zei onomwonden waar dit gedrag zijns inziens op terug te voeren viel: het lag aan het feit dat binnen deze vereniging nog steeds de dienst door de fascisten werd uitgemaakt. ‘Mit treudeutschen Gruss! Heil Hitler! Uw Otto Klemperer.’

Niet bekend
‘Nee’, zei Klemperer, 'u begrijpt het niet, ik bèn Klemperer.’
'Is het werkelijk?’ vroeg de bediende, en voegde hier snedig aan toe, wijzend op de directeur van Vox: 'En dan is dat zeker Beethoven?’
'Nee’, zei Klemperer minzaam, 'dit is Mendelssohn-Bartholdy.’
WAT MOET EEN MENS met de Eroica van Furtwängler of Walter? Het is, met alle respect voor beide kunstenaars, nogal een rommeltje, met de nieuwe zakelijkheid van Klemperers Eroica vergeleken. Maar ik redeneer uit een autobiografisch vooroordeel. Ik ben immers de enige ter wereld die toentertijd, in 1965, Klemperer deze Eroica heeft horen repeteren. Het was in het Theater an der Wien, Klemperer was achtenzeventig, Beethoven was honderdachtendertig en ik, op mijn vierentwintigste, was, dankzij een durf die ik thans niet meer zou opbrengen, via een vriendelijke portier een der loges binnengeslopen. Ik weet er, na al die jaren, natuurlijk nauwelijks meer iets van, behalve dat de dirigent het werk vrijwel zonder commentaar liet doorspelen, zich onderwijl beperkend tot een enkel 'leise, leise’ of 'pianissimo, bitte’.
Het probleem van Otto Klemperer was dat hij, behalve een groot kunstenaar, eveneens een maniak was. Het was waarschijnlijk het gevolg van een half mislukte hersenoperatie, in 1939. Niettemin, eigenaardig is Klemperer altijd al geweest. Ooit was hij de bezielende kracht van de Kroll-opera, de leidende avantgarde-bühne van de Republiek van Weimar. Wat daar op de planken verscheen, kennen wij slechts bij overlevering, maar het was in elk geval effectief genoeg om de Duitse cultuurconservatieven tot wanhoop te brengen. Lees Thomas Manns Doktor Faustus. In deze turbulente roman verrijkt de componist Adrian Leverkühn het Duitsland van de jaren twintig met het oratorium Apocalipsis, een werk met spreekkoren, meerdere orkesten, polyfoon gezang, paukenglissandi, gestopte trompetten, vrije ritmiek, syncopische jazzeffecten, parodieën op het Franse impressionisme, parodieën op de burgerlijke salonmuziek, wildgeworden wurgengelen en Babylonische hoeren, gejoel, gekrijs, gehinnik, gemekker en gehuil. Enfin, het was een onmiskenbaar contemporain werk, dat zijn eerste en voorlopig laatste uitvoering beleefde in 1926, onder auspiciën van de Internationale Gesellschaft für Neue Musik te Frankfurt. 'Onder Klemperer’, meldde Mann tussen haakjes. Natuurlijk onder Klemperer. Bruno Walter noch Wilhelm Furtwängler, de twee andere muzikale coryfeeën van de republiek van Weimar, hadden met zo'n compositie de 'hoon en toorn’ van publiek en pers durven trotseren.
Dus het ging mis. Klemperers Kroll-opera werd op last van de politiek gesloten, een stap die de dirigent via de rechterlijke macht probeerde terug te draaien. Na een zeven uur durende zitting dirigeerde hij ’s avonds nog even Verdi’s Falstaff. Dit geschiedde zo bruusk dat zelfs zijn trouwe aanhangers bevreemd toeluisterden, vooral toen de dirigent tijdens de finale in zijn volle, bijna twee meter beslaande lengte oprees en luidkeels het koor 'lauter Gefoppte - tutti gabbati’ ('enkel en alleen bedrogenen’) begon mee te zingen. Even later stond Klemperer, op weg naar de Verenigde Staten van Amerika, aan de veilige kant van de Zwitserse grens - 'en ik voelde mij als de joden die veilig de Rode Zee waren overgestoken’.
HIJ WAS EEN wandelende tijdbom, voor de oorlog in Berlijn, in de oorlog in Los Angeles, na de oorlog in Boedapest, Londen en Amsterdam. 'De mensen beschouwen hem als stapeldol’, schreef zangeres Elisabeth Schumann. 'Maar zelf vind ik hem niet veel abnormaler dan vroeger, hoogstens overgevoelig en geëxalteerd als het om muzikale vraagstukken gaat. Niettemin wordt hij overal met lede ogen bekeken.’
Zij was bevooroordeeld. Reeds uit het eerste deel van Peter Heyworths monumentale Klempererbiografie (1983) weten wij dat zij, de dirigent en de zangeres, het goed met elkaar konden vinden. Sinds het verschijnen van deel twee (1996) valt niet meer te ontkennen dat er echt niet of nauwelijks met de man te werken viel. Als je leest hoe hij bijvoorbeeld in Amsterdam tekeer is gegaan! Tot diep in de nacht improviseerde hij Weense operettes in cafés en bars, vrienden en bekenden moesten hem naar het bordeel begeleiden, hij sliep in zijn hotelbed met zijn schoenen aan, met allerhande etensresten om zich heen verspreid, en bij de repetities - waarvoor hij trouwens weinig belangstelling had - zaten zijn favoriete hoeren op de eerste rij. 'Het calvinistische Amsterdam was nog niet de swingende stad van de jaren zestig’, constateert Heyworth effen.
Dus werd Otto Klemperer door het Concertgebouworkest gevankelijk van de lijst der gastdirigenten afgevoerd, zogenaamd omdat hij 'over zijn hoogtepunt’ heen was. In werkelijkheid, blijkt uit de biografie, was Klemperer nog minstens tien jaar in topvorm, gewapend met een onfeilbaar oor en een granieten wil, al was hij, hoogbejaard en halfverlamd, nauwelijks meer in staat het rostrum te beklimmen.
Zie zijn discografie - op zijn ouwe dag heeft hij nog zo'n driekwart van zijn fonografisch oeuvre vastgelegd. Eindelijk kon hij zijn platenmaatschappij ertoe bewegen (de wijze waarop hij, ook hij, door de geluidsindustrie werd geterroriseerd is een verhaal op zichzelf) Mozarts heilige drieëenheid Don Giovanni/ Le Nozze di Figaro/ Cosi fan tutte te laten registreren. Hoe grandioos Klemperer ook als operacomponist is geweest, wisten en weten de weinige bevoorrechten al die beschikken over de historische opnamen van zijn Fidelio, Zauberflöte, Lohengrin en Meistersinger von Nürnberg, in het Hongaars gezongen, in de late jaren veertig, toen Klemperer Boedapest regeerde.
Zijn tientallen concerten met het Concertgebouworkest waren slechts matig gedocumenteerd. Zij werden weliswaar vrijwel allemaal door de radio uitgezonden, maar geen mens die eraan dacht om ze op de geluidsband vast te leggen. Behalve de jonge Klemperervereerder Philo Bregstein, die van zijn zakcentjes een AEG-recorder type KL 25 bij elkaar had gespaard en al die zondagmiddagen, de microfoon in de aanslag, bezijden de draadomroep zat. En legde de ouverture Een midzomernachtsdroom vast, en de historische Negende van Beethoven en bovenal de uitvoering van Schönbergs Verklärte Nacht. Wat Matthijs Vermeulen betrof, de muziekrecensent van De Groene, schoten woorden tekort. 'Wat Klemperer daarvan maakte en wat wij hoorden, had nog nooit een oor vernomen. Het onbeschrijflijke, het onbereikbare, het onzegbare werd hier gedaan.’
De opnamen verschijnen op het ogenblik stuk voor stuk in cd-gestalte bij de Verein für Musikalische Archiv-Forschung, Grossherzog Friedrichstrasse 62, D-7640 Kehl/Rhein als een verlaat godsgeschenk aan de mensheid en bewijzen, ondergekoeld gezegd: Otto Klemperer moge een maniak zijn geweest, maar als kunstenaar was hij zo gek nog niet.