Otto von Habsburg 20 november 1912 - 4 juli 2011

Hij verbeeldde de twintigste eeuw, werd klaargestoomd om keizer te worden, maar kwam niet verder dan kroonprins. Misschien vond hij dat niet erg. ‘Het keizerschap is een gevoel van verplichting.’

EEN LEVEN dat bijna een eeuw omspant, heeft iets duizelingwekkends; als dat verhaal van een eeuw ook nog eens toebehoort aan een telg uit het meest eminente geslacht van Europa is dat helemaal het geval. De stamboom van Otto von Habsburg, in zijn jeugd voluit: Zijne Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid Frans Josef Otto Robert Maria Anton Karl Max Heinrich Sixtus Xavier Felix Renatus Luwdig Gaetan Pius Ignaius, Keizerlijke Prins, Aartshertog van Oostenrijk, Koninklijke Prins van Hongarije, gaat meer dan vijfhonderd jaar terug, toen de Habsburgse monarchie gevestigd werd. Zijn enumeratie van namen laat zien dat het bloed van alle rooms-katholieke koninklijke families van Europa door zijn aderen vloeide. Bij leven ontmoette hij ook nog eens alle groten der aarde, van Paul von Hindenburg, die hem in geuren en kleuren over de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 vertelde, tot Franklin Delano Roosevelt (‘Een groot mens. Hij had één grote zwakte: hij was een pokerspeler’) tot Charles de Gaulle ('Een man van eergisteren en overmorgen’), waardoor je kunt zeggen dat hij de geschiedenis zelf verbeeldde.

Otto van Oostenrijk, zoals hij zichzelf tijdens de Tweede Wereldoorlog in Amerika zou noemen, werd in 1912 geboren, vóór de Eerste Wereldoorlog, toen er nog geen vuiltje aan de lucht leek in het Habsburgse rijk, dat elf landen omvatte en zich van Zuid-Duitsland uitstrekte tot Bohemen, van Hongarije tot het voormalige Joegoslavië. Een Weense krant verwelkomde de pasgeboren prins als toekomstig heerser, die 'volgens de menselijke berekeningen geroepen zal worden om Europa door de twintigste eeuw te leiden’. Hij was bijna twee jaar oud toen, met de moord op Frans Ferdinand in Sarajevo, zijn vader Karl plotseling troonopvolger werd. Hij was vier toen zijn vader keizer werd van de veelvolkerenstaat, waar, zoals betgrootvader Karel V placht te zeggen, 'de zon nooit onderging’. Er bestaat nog een aandoenlijke foto van de jonge Otto bij de kroning: zijn ouders in keizerlijk ornaat met gekroonde hoofden, hij een jongetje met blonde lokken in een hermelijnen pakje, een grote witte veer op z'n hoofddeksel.

Verder dan kroonprins zou hij het niet brengen. De oorlog brak uit, aan het eind daarvan verloor Karl I zijn troon en stierf hij in 1922 ballingschap op Madeira. Otto kreeg toen van zijn moeder, Zita van Bourbon-Parma, te horen dat hij moest overnemen wat zijn vader niet meer kon. Het personeel werd geacht hem voortaan met Majesteit aan te spreken. En al was de familie bij wet niet meer welkom in Oostenrijk, Otto werd klaargestoomd voor het keizerschap. Hij leerde de talen van het Rijk spreken, en studeerde politieke en sociale wetenschappen in Leuven. De kroon zou nooit op z'n kop komen, en volgens zijn vrienden had hij daarmee leren leven. Zoals hij in 2009 in een interview met De Groene Amsterdammer zei: 'Het keizerschap is heel wat anders. Het is een gevoel van verplichting. Een verplichting naar zijn omgeving heeft een boer precies zo als een heerser.’

Het leven van Otto von Habsburg heeft in het teken van die verplichting gestaan. Hij was niet het soort troonpretendent dat lijdzaam in een zonovergoten rijkeluisoord wacht op betere tijden, hij heeft zich, verstoten of niet, altijd politiek voor Oostenrijk ingezet, en voor Europa als geheel. Wat wil je, zei hij zelf graag grappend, als je erfelijk belast bent met honderden jaren politieke bemoeienis. Hij verzette zich tegen Hitlers annexatie van Oostenrijk in 1938, niet alleen omdat hij al vroeg Mein Kampf had gelezen en een weerzin had tegen de nazi’s, maar ook vanuit de overtuiging dat een land dat niet heeft teruggevochten zich na de oorlog moeilijk kan herstellen. Hij ging zelfs zo ver voor te stellen dat hij de stoel van de Bundeskanzler zou overnemen om de verdediging te leiden.

Niet voor niets noemde Hitler zijn triomfmars naar Oostenrijk 'Operatie Otto’ en veroordeelde hij de aartshertog bij verstek ter dood. Otto vluchtte door Europa, week uit naar Washington, waar hij bevriend raakte met Roosevelt, Churchill leerde kennen en er achter de schermen voor ijverde dat Oostenrijk niet achter het IJzeren Gordijn zou verdwijnen. Hetzelfde probeerde hij voor Hongarije, maar zonder succes.

Na de oorlog hield hij zich aanvankelijk in leven als publicist en gaf hij lezingen. Hij trouwde met de prinses Regina van Sachsen-Meiningen, die hij leerde kennen toen zij als verpleegster in een vluchtelingencentrum werkte. Samen met haar betrok hij de Villa Austria bij Pöcking, in Beieren. Hij zag in 1961 af van de troon en stortte zich in de Europese politiek, als een van de leidsmannen van de Paneuropese beweging. In 1979 werd hij voor de CSU gekozen voor het Europees Parlement, waar hij zich inzette voor een zo groot mogelijk verenigd Europa. Hij bleef er twintig jaar in zitten, werd als oudste lid 'father of the house’ genoemd. Zijn meest symbolische - en ook wel invloedrijke - daad was het mede-organiseren van de 'pan-Europese picknick’ op de grens tussen Oostenrijk en Hongarije in de zomer van 1989. Zijn dochter knipte het prikkeldraad door en in de paar uur dat het IJzeren Gordijn open was reden 661 wachtende DDR-burgers in hun Trabantjes naar de vrijheid.

Als europarlementariër voltooide hij als het ware zijn Habsburgse taak. Zoals Mister Europe, zoals hij als politicus werd genoemd, het tegen De Groene zei: 'Ik denk in termen van volken, niet van staten. Inderdaad, zoals je zegt: door mijn afkomst bén ik Europa. Maar Europa zijn we allemaal, wij maken er allen deel van uit. De Europese Unie is pas rond als álle Europeanen erin verenigd zijn.’