Sport

Oud

Op het Europees Kampioenschap voetbal voor spelers onder 21 doet het Nederlands elftal het heel behoorlijk. De halve finale is al gehaald en veel mensen denken dat Jong Oranje kampioen van Europa gaat worden.

Het gaat goed omdat er een geweldige coach aan het hoofd staat van het elftal, zo zegt men. Foppe de Haan. Hij heeft van dit Nederlands jeugdelftal een echt team gemaakt. Dat zeggen ook de spelers. De bereidheid om voor elkaar te knokken is heel groot.

Foppe de Haan doet ook leuke dingen met zijn jongens: rondvaarten, Ali B laten meedoen, turnen, en vorige week leerden de jongens het Wilhelmus van hun trainer. Ster in wording Royston Drenthe kent de tekst inmiddels al aardig, ‘alleen dat laatste stukje is lastig. Maar ik blijf oefenen.’

Er wordt ook veel gelachen onder Foppe. De jongens houden imitatiewedstrijden, aangedreven door de ‘oud-Hollandse woordenschat’ van de coach, zo melden de media. De Haan zegt dingen als ‘ééntweehuppetee’ of ‘taktaktaktak’. En dat vinden de jongens mooi. Mooie oud-Hollandse woorden van Foppe. Spitsbroeders. Midhalf. Pingelen. Hup.

Foppe spreekt niet alleen oud-Hollands, hij denkt oud-Hollands. Zijn hele wezen is oud-Hollands. Foppe de Haan heeft een oud-Hollandse geesteshouding, wereldvisie. Een oud-Hollandse sensibiliteit die hij overdraagt op zijn jongens. En zijn jongens vinden dat fijn.

Deze generatie, die is opgegroeid met de Nintendo en zonder boeken, die voetbal kent als zwaar gedoteerde Champions League-spektakels in gesloten stadions die live worden uitgezonden in tachtig landen – die jongens dus, die hebben genoeg van ‘professionele overtredingen, het “product” voetbal, bewegende reclameborden, skyboxen, multifunctionele stadions, merchandisers en superslomo’s’.

Ze willen dolgraag, zo merken ze nu, terug naar vroeger, naar oud-Hollandse tijden en oud-Hollandse werelden. Toen de bal nog ‘het lederen monster’ heette en voetbalschoenen ‘kicksen’ waren, toen voor elkaar knokken geen uitzondering maar regel was.

’s Avonds roept Foppe de jongens bij elkaar. Hij gaat voorlezen uit De AFC-ers. Ze zijn net allemaal onder de douche geweest en hebben een brief naar huis geschreven – met pen en papier – en verkneukelen zich al.

Met natte haartjes, hun pyjama’s al aan, gaan ze in een kring rond Foppe zitten en luisteren muisstil hoe hij voorleest.

De jongens vinden het fijn bij Foppe. ‘Hij is een soort vaderfiguur’, zei Gianni Zuiverloon over hem. Hij is een goede vader, bij wie ze zich beschermd en veilig voelen. Die soms ook hard kan zijn, maar vaak leuke en spannende dingen met ze doet.

Als andere teams voor de televisie hangen, speelt hij oud-Hollandse spelletjes met de jongens. Dat scherpt de geest en is goed voor het teamgevoel. Mens-erger-je-niet, bijvoorbeeld. Pim-pam-pet. Bamzaaien. En er wordt gesjoeld van heb-ik-jou-daar. Jottem! Sjoelen!

Een brief van Royston Drenthe is gelekt naar het Vegetarisch Sportfront:

Lieve mama,

Hoe is het met u? Met mij gaat alles goed. Het is een jolige bende hier. Vanavond heeft meneer De Haan weer voorgelezen, uit Om het bruine monster ditmaal. Het was enig gewoon. We keken elkaar genietend aan.

Ik ben reusachtig aan de studie. Dat is goed, zegt de trainer. Vanmiddag had ik nog een gilbui, toen hij ‘ééntweehuppetee’ zei. Ik dacht eerst dat dat een nieuw systeem was, maar toen hij een ik-stuur-je-van-tafel-gezicht trok, wist ik dat ik er fiks naast zat. Ik heb geen standje gehad, hoewel ik toch een vlerk was. Maar ja, omdat ik zo’n leuke snuit heb mocht ik toch naar de fuif van overmorgen. En er is voor ons nogal wat te fuiven!

In de halve finale spelen we tegen de Engelsen. Zij zijn heel fier, geloof ik. Brrrr. Maar niet heus! We zijn drommels niet bang. Als we winnen komen we in de finale, goed hè? Ik tril nu al van opwinding.

Vorige week hebben we nog het Wilhelmus geleerd, uit ons hoofd, het Nederlandse volkslied, weet u wel? Meneer De Haan vindt dat wij dat allemaal moeten kennen, woord voor woord, ook voor later. Want als we straks in het grote Oranje gaan spelen, sta je wel met een mond vol tanden als voor de wedstrijd het volkslied komt en je kunt niet meezingen, of je zingt verkeerd. Ik vond het best moeilijk, vooral de laatste regels, maar ik blijf oefenen.

Enfin, overdag trainen we veel, en vaak rusten we ’s middags. Meneer De Haan is een bijzondere man. Hij is echt een kraan. Jongens van andere landen doen computerspelletjes of kijken dvd’s, maar wij niet. Ik ben heel goed geworden in pim-pam-pet. Ik sta bovenaan. Met sjoelen ben ik tweede.

Dáág.