Oud ijzer

Christine Otten, In wonderland. € 19,90

Medium otten

We spreken van een ‘politiek klimaat’ omdat het continu verandert, met de media en de kiezers als hoge- en lagedrukgebieden. Halverwege de jaren negentig was er de shock over de door de commissie-Van Traa aangetoonde buitengerechtelijke methoden die de politie gebruikte om verdachten op te sporen; na 9/11 heerste er een gevoel dat je vooral geen vragen moest stellen over hoe de overheid te werk ging: als je niets te verbergen had, hoefde je je ook geen zorgen te maken, toch?
Het was al weer bijna vergeten, die tijd van RaRa eind jaren tachtig, begin jaren negentig, waarin activisten soms gewelddadig tegen de overheid opereerden. Twee jaar terug laaide het debat erover weer op, toen de aanval werd ingezet op Wijnand Duyvendak en consorten door rechtse media als Elsevier en GeenStijl, die riepen dat 'links’ rekenschap moest afleggen over het 'foute actieverleden’.
Deze scheve parallel tussen twee tijdvakken is bij uitstek het terrein van de romanschrijver, die door iets over één periode te zeggen ook iets over een andere zegt. De beste papieren voor zo'n werk heeft schrijfster Christine Otten, die in 2004 naam maakte met het geslaagde boek De laatste dichters (shortlist Libris). In september '94 werden zij en haar man, de journalist Hans Krikke, uit hun bed gelicht door justitie. Agenda’s en persoonlijke brieven moesten worden ingeleverd. Bewijs tegen Krikke kwam er nooit. In een interview met Trouw legde Otten uit waarom ze nu, zestien jaar later, met deze autobiografische roman kwam: 'Het was al met al een indrukwekkende gebeurtenis, maar na verloop van tijd was die voor mij ook wel afgerond, opgeborgen, klaar. Een paar jaar geleden raakte ik in gesprek met een redacteur van m'n uitgeverij die deze affaire helemaal niet bleek te kennen. Maar toen zij ervan hoorde, zei ze onmiddellijk: daar moet je een boek over schrijven (…) Er zitten natuurlijk ook waanzinnig veel interessante aspecten aan.’
In het begin van In wonderland speelt Otten met die aspecten, heel triviaal, heel menselijk. De hoogzwangere ik-persoon Caroline, modejournaliste, zit in de woonkamer terwijl boven agenten door haar slaapkamer gaan. Naast haar staat de rechter-commissaris, zwijgend. Het is een ongemakkelijke situatie. De rechter-commissaris knoopt een praatje aan - u woont hier mooi - zij biedt hem koffie aan. Hij vraagt wat ze leest, als ze hem zijn koffie aangeeft raken hun handen elkaar - Caroline schrikt ervan op, ineens de menselijke confrontatie die haar uit de abstractheid van de situatie rukt.
De band tussen Caroline en de rechter-commissaris vormt de rode lijn van In wonderland. Zoveel jaar na dato is Caroline’s man Herman gevraagd mee te werken aan een film over zijn ervaringen met justitie. Door de heropleving van het terrorisme is hun geschiedenis weer actueel geworden; voor Herman en Caroline (en hun vroegwijze dochter) betekent dat dat ze de affaire nog eens moeten herbeleven. Caroline zoekt contact met de inmiddels gepensioneerde rechter-commissaris, Van Loohuizen, om het verhaal recht te krijgen. Hun gesprekken leveren een vreemde spanning op, met een Van Loohuizen die steeds net te intiem wordt - zowel hij als Caroline zoekt vergeving, maar beiden durven dat niet tegen elkaar uit te spreken.
Voor Otten was de affaire 'afgerond, opgeborgen, klaar’, en zo leest het ook. Ondanks de grote woorden weigert het trauma van Caroline en Herman ingrijpend te worden. Otten vertelt permanent te veel - wat alle personages denken en voelen - alsof ze niets aan de lezer wil overlaten. Om het angstgevoel van Herman en Caroline nog vetter aan te zetten laat Otten ze ook nog eens beroofd worden. Alsof het niet allemaal genoeg was. Dat kan een surplus aan fantasie zijn van de schrijfster, of het kan zich werkelijk zo hebben afgespeeld. Dat is altijd het probleem met het bespreken van autobiografische verhalen - misschien is het wel echt gebeurd. Maar ik kom in literatuur liever een geloofwaardige onmogelijkheid tegen dan een ongeloofwaardige mogelijkheid.
Op haar best is Otten wanneer ze in de zijlijntjes van haar verhaal zit, als ze Caroline naar haar man laat kijken terwijl hij een sigaret opsteekt, en ze daarin zijn klassenbewustzijn denkt te zien. Het is niet zo zeer een rake observatie, maar eerder het hardop denken van een vrouw die haar man probeert te begrijpen. Of wanneer Herman naar de tekstanalyses kijkt die justitie van zijn werk heeft gemaakt; opeens voelt zijn eigen taal volkomen oneigen aan.
Die laatste observatie is opmerkelijk, want het is juist de taal die In wonderland onvergeeflijk devalueert. In futloos proza jakkert Otten door haar verhaal heen: als mensen schrikken is het 'als door een wesp gestoken’, of ze voelen 'elektriciteit in hun aderen’. Ze komt niet boven ongeïnspireerde thrillertaal uit: 'Door zijn brillenglazen kijkt Herman Catz hem recht aan met zijn priemende donkerbruine ogen. Zijn blik is koud. Berekenbaar. Onkwetsbaar.’ Of: 'Een zaak was een zaak en hij dacht en voelde wat hij wilde.’ Of: 'Klein is een doorzetter, een terriër die zich ergens in vastbijt.’ Het is een harde conclusie: voordat ze begon te schrijven had Christine Otten met dit thema goud in handen, ze heeft het in oud ijzer veranderd.

CHRISTINE OTTEN
IN WONDERLAND
Atlas, 237 blz., € 19,90