Albertina Soepboer, Zone

Oud totem

Albertina Soepboer

Zone

Contact, 48 blz., ¤ 14,50

Albertina Soepboer is de Denny Landzaat van de Nederlandse poëzie. Ze heeft, net als de middenvelder van voetbalclub AZ uit Alkmaar, talent, want anders schrijf je geen regel op als: «toost maar rood op die halve vrijdagmiddag in de regen», en geef je het gedicht waar die regel in voorkomt niet de voelbaar trieste titel De laatste pizza mee. De Quatro Stagioni krijgt daarmee de lading van een laatste avondmaal. Tezelfdertijd verzandt Soepboer, net als de middenvelder van AZ, in gemakzucht door in hetzelfde gedicht regels als: «Ik dans met Nadie. Ze glimlacht./ Vandaag smelten we onze benen» op te pennen en te laten stáán. Landzaat kan dat ook. Dan neemt-ie de bal aan, speelt ’m achter het standbeen langs, maakt een dubbele schaar en schiet het leer vervolgens met een rollertje in de benen van zijn directe tegenstander. Het is om waanzinnig van te worden, als kijker. Als lezer word je af en toe wanhopig van het feit dat Soepboer blijkbaar zó verliefd of toegenegen was dat ze «Vandaag smelten we onze benen» als een op z’n minst draaglijke regel heeft geïnterpreteerd, terwijl in werkelijkheid zelfs de meest notoire zondagsdichter er zijn neus voor opgehaald had. De regel «toost maar rood op die halve vrijdagmiddag in de regen» wordt daarmee de welbekende vlag op de modderschuit. En plotseling ga je dan ook twijfelen over de kwaliteit van dat groeibriljantje.

Neem deze regel uit een gedicht met wederom een erg sterke titel, Recept om het te stillen:

Het recept komt uit het hart:

de bief met bloedader

dichtbruine thee

én… stop! We hebben een goede titel, en drie in-het-café-bij-de-derde-Westmalle-uit-het-hoofd-voor-te-lezen-zinnen. Een welgemeend recept, wat dat ook moge zijn, bestaande uit een «bief met bloedader». En «dichtbruine thee». In die eerste dimensie is het al mooi. Je ziet de lap dood rund met de witte meanderende spiertjes in het vriesvak van de C1000 liggen. En Soepboer associeert door naar de sufgetrokken thee bij oma. Thee waar zo lang een theezakje in heeft liggen wellen dat het de gedaante van koffie heeft aangenomen. Maar dan laag twee: de bief met bloedader ís het hart! Nu wordt het plotseling iets ritueels, iets kannibalistisch, er staat orgaanvlees op het menu, brrr! En dan laag drie: het woord «bloedader» dat je kunt doorassociëren naar een «bloeddorstige dader», hetgeen weer terugrefereert aan het openingsgedicht in de bundel, Zone 1, waarin een vrouw tegen haar zin hard wordt genomen:

Haar nagels lieten het

afweten. Hij spleet haar open en bloed welde trots. Oud totem.

En ook die regels zijn zo schoon als die zondagmiddag waarop Denny Landzaat zijn talent de sporen gaf, de bal met links aannam, een lichaamsschijnbeweging maakte en met rechts van dertig meter afstand de rechterbovenhoek van het vijandelijke doel invulde. Nagels die het laten «afweten» leggen het slachtoffer een ijzingwekkend verwijt op. De verledentijdsvorm «spleet» voegt, waarschijnlijk onbedoeld, iets puberaals ranzigs toe. Het bloed dat «trots» welt is een geplaatst feminien statement. En «Oud totem», om dergelijke woordsamenstellingen houd ik van poëzie en in dit gedicht is het de ultieme wraakexercitie richting een dader. Niemand kan op tegen een dergelijke vervloeking. «Oud totem» – het is winti, of voodoo. Of misschien is het berusting, is het een bedlegerig «Oud totem», een vermoeide uitzichtloze verzuchting. Of het is moralistisch, een «another one bites the dust»-stieten.

Het gedicht In de United Sardines Factory ten slotte is Denny Landzaat ten voeten uit:

Een man drinkt koffie uit een kaneelkleurig kopje

belt iemand op.

Omdat ik denk aan de koppen van dode sardien

bestel ik een broodje tonijn.

De man verheft zijn stem.

De zee komt tot stilstand.

Zo kun je niet dromen.

Besneeuwde daken aan de andere kant.

De man schraapt zijn keel, schor nu.

Dit hier kun je aanraken.

Dat weet hij. Ik bestel thee.

«Zo kun je niet dromen» is, als je ’m uit de context licht, een absolute T-shirt-regel. «Omdat ik denk aan de koppen van dode sardien/ bestel ik een broodje tonijn» is zeker bij eerste lezing grappig en geslaagd. Maar wat «De zee komt tot stilstand» daar dan weer moet? En het nabije «Besneeuwde daken aan de andere kant»? Het zal misschien terugslaan naar de achtergebleven resten branding bij eb aan de kust van Holwerd, aan de Waddenzee, waar Albertina Soepboer is geboren, maar dan is het zo’n regel in de categorie «daar moet je bij geweest zijn».

De overige regels in bovenvermelde tekst zijn «oké», maar terecht wordt die kwalificatie door dichters als aanmatigend ervaren. In Zone spreekt een dichter die het «het» onvoldoende durfde op te schrijven en het «dat» onvoldoende durfde te schrappen maar liet staan. Misschien wilde ze te graag «Poëzie» schrijven. Misschien was er te weinig tijd. De redacteur had griep. Zijn kinderen zwommen af. Hoe dan ook: zoals Landzaat vaak een dijk van een wedstrijd wil spelen en om reden van die paralyserende mentale zelfkastijding fáált, lukt het Soepboer niet om ondanks al het zichtbaar aanwezige talent een goede dichtbundel af te leveren.