Opheffer

Oud worden

Ik heb mijn moeder nooit, maar mijn vader wél ouder zien worden.
Dat was nadat hij op zijn 65ste gepensioneerd was. Hij had zich daar erg op verheugd.

Medium opheffer 39 11 oud

Op het niets doen tot de dood hem zou komen halen.
Die deed daar toen nog elf jaar over, en ik merkte dat mijn vader, ondanks zijn kinderen en kleinkinderen, naar hem uitkeek.
‘Waar denk je aan?’
'Aan niets’, zei hij.
Hij was een regel die hij had gelezen bij Simon Carmiggelt in het avondblad en onmiddellijk tot de zijne had gemaakt, want het was waar. Mijn vader dacht aan niets, want elke andere gedachte deed hem pijn. Was zijn leven gelukt of mislukt? Hij twijfelde daarover, want wat zet je op de weegschaal: het succes van je kinderen en kleinkinderen, of je carrière, de som van je gedachten en overwegingen, de zaken die je wilde maar hebt nagelaten?
Hij wist het niet.
Hij las humanistische filosofen, want hij vond steun bij een woordspelerige zin die hij zelf had verzonnen: 'De zin van het leven is dat er zin moet zijn.’ En dan ging hij ons uitleggen dat wanneer je ergens zin in had dat ook nog eens zinvol was, dat je dan tevreden kon terugkijken op je daden.
Maar hij kwam er niet uit.
De oorlog zat hem dwars. Net als bij mijn moeder. En ze konden elkaar niet helpen.
Mijn vader was in Indië rechter geweest en had daarom ook in het kamp op verzoek recht moeten spreken.
Maar in het kamp was geen wetboek van strafrecht.
Welk recht gold?
Mijn vader zat er dertig jaar na de oorlog nog mee.
Hoe hij destijds precies heeft geoordeeld, weet ik niet. Wat de zaken waren waarover men zijn oordeel vroeg, is ook onbekend.
Wel zei hij soms na de avondmaaltijd: 'Stel, iemand heeft een medegevangene in krijgsgevangenschap zwaar verwond en bestolen. Zo erg dat voor het leven van de medegevangene wordt gevreesd. Mag je de dader, die ook een krijgsgevangene is, dan uitleveren aan de Japanners terwijl je het vermoeden kunt hebben dat hij dan doodgemarteld zou worden?’
'Heb jij dat meegemaakt, pap?’
'Nee, ik heb er wel over gehoord.’
En hij vertelde dan dat het een andere, Engelse rechter, was overkomen, die ook in het kamp zat.
Waarom zou mijn vader daarover liegen; hij loog nooit.
Hij had het denken erover na de oorlog uitgesteld tot zijn pensioen, maar toen kwam het zijn vrije tijd verpesten.
Hij stelde soms een vraag. Zomaar. Aan niemand in het bijzonder.
'Wanneer je op je dertigste een beslissing hebt genomen die je op je zestigste betreurt, kan die beslissing je dan alsnog worden kwalijk genomen?’
'Natuurlijk’, zei ik, waar ik nu spijt van heb. (En vraag me af: kan wat ik toen zei me nu worden kwalijk genomen?)
'Maar je weet toch nooit hoe je dertig jaar later denkt?’ antwoordde hij dan.
'Je bent altijd zelf verantwoordelijk voor je daden en daar moet je de consequenties van trekken. Dat heb je ons zelf geleerd’, discussieerde ik verder.
Ik wilde van hem winnen, namelijk. In alles.
Hij ging dan weer aan niets denken, en werd ouder.
Oud worden is juist de doodsangst verliezen, maar gekweld worden door twijfelingen.
In elf jaar tijd kon hij niet meer de juiste antwoorden vinden. Of hij was bang voor wat hij zichzelf moest zeggen.
Dan maar weer aan niets denken en niets doen.
Mijn vader kreeg een paar hartaanvallen, maar leek na een tijdje daarvan altijd goed op te knappen. Hij zei dat ik, met mijn manier van leven, me ook moest voorbereiden op hartaanvallen. Hij gebruikte het meervoud.
Tot die ene hartaanval kwam die hij niet overleefde.
Ik heb overigens nooit van hem gewonnen.