Oud zeer

Een salomonsoordeel in de wedloop tussen Elsbeth Etty en Regina Grüter over de vraag wie de officiële dr. L. de Jong-biografie gaat schrijven. Nadat historica Nanda van der Zee, die door De Jong zelf was geïnviteerd om zijn levensverhaal op te schrijven, zich terugtrok vanwege haar principiële bezwaren tegen de zogeheten Ara-verklaring, ging de race zoals bekend tussen Etty en Grüter. Uitgever Geert van der Meulen van de SDU laat weten dat er inmiddels een modus vivendi is gevonden: Etty schrijft de biografie van de rijksgeschiedschrijver, terwijl Grüter zich zal concentreren op een boek over De Jong en zijn Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie (Riod). Van der Meulen: ‘De zaak is tot tevredenheid van alle partijen, inclusief De Jong, geregeld. Er moet alleen nog een financiële hobbel worden genomen. Beide schrijfsters zullen toch een jaar of vijf moeten worden vrijgesteld voor dit werk, en dat betekent dat er al snel een half miljoen voor elk zal moeten worden uitgetrokken. Daar zullen dus fondsen voor moeten worden benaderd.’ Beide boeken zullen onafhankelijk van elkaar worden gepubliceerd, aldus Van der Meulen, al zal er ‘hier en daar wel wat overlap in komen’.

Presser-biografe Van der Zee weigerde een verklaring van het Algemeen Rijksarchief te ondertekenen waarmee werd bedongen dat de beheerder van het De Jong-archief, in casu het Niod (voorheen Riod) recht kreeg om haar onderzoek vooraf te lezen en zo nodig te censureren. Uitgever Van der Meulen zegt dit ‘heel principiële besluit te respecteren’. Bij Etty en dr. L. de Jong-prijswinnares Grüter, vertelt Van der Meulen, heeft hij dergelijke weerstanden niet aangetroffen. Het feit dat de Leidse onderzoeker René Marres onlangs de kachel aanveegde met Grüters proefschrift over Friedrich Weinreb (zie De Groene van 20 oktober jl.) heeft de SDU niet kunnen bewegen de kandidatuur van Grüter te heroverwegen. Van der Meulen: 'Grüter heeft een prima proefschrift gegeven en ik verwacht niet anders dan dat ze ook met haar boek over het Riod al even onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek zal leveren.’
Het boek van Marres heeft - waar het in Nederland tot dusver ijzig stil bleef - in Duitsland inmiddels wel tot het heropleven van de Weinreb-discussie geleid.
Afgelopen weekeinde vond er op het Duitse eiland Reichenau in de Bodensee onder auspiciën van de in Zürich gevestigde Friedrich Weinreb Stiftung een drukbezochte twee daagse conferentie plaats waarin de belevenissen van Weinreb ten tijde van de Tweede Wereldoorlog nog eens onder de loep werden genomen. Het drukbezochte congres werd ingeluid met de vertoning van de uit 1973 stammende film Eigentlich hatte ich Angst van de Duitse regisseur Christian Mansfeld, een voor de ZDF en de Oostenrijkse ORF gemaakte bewerking van Weinrebs oorlogsmemoires Collaboratie en verzet. Mansfeld had indertijd tijdens een vakantie in Spanje van Nederlandse toeristen over de Weinreb-affaire gehoord, en draaide na drie maanden onderzoek in Nederland een aangrijpend docudrama in elkaar. De film, geheel op locatie in Den Haag opgenomen, leidde indertijd nog tot grote consternatie van Nederlandse zijde, zo vertelde Christian Schneider van Thaurosverlag, de uitgever die nu al meer dan veertig boeken van Weinreb op de markt heeft gebracht (waaronder in 1990 de vertaling van Collaboratie en verzet onder de titel Die lange Schatten des Krieges). De film werd in 1973 niettemin uitgezonden, zij het dat een lang interview met Weinreb zelf, dat aan het slot van Mansfelds film was opgenomen, door de ZDF tot één minuut werd geknipt. Deze lacune werd bij de hervertoning in Reichenau moeiteloos gecompenseerd door de vertoning van een bijna twee uur durend marathoninterview met Weinreb, vlak voor zijn dood in 1988, waarin hij uitgebreid en in extenso terugblikt op zijn leven tijdens de oorlog.
Beide films bleken aangrijpende documenten. Weinrebs oudste dochter Hermine Milgram, die de verfilmde episode van het leven van haar vader als kind zelf meemaakte, vertelde na de vertoning van Mansfelds film zeer getroffen te zijn geweest door de authenticiteit ervan. De psychologe, schrijfster van het boek Antwoord aan Jung, vertelde dat de familie nog vaak wordt geconfronteerd met de beroering rondom Weinreb. 'Mijn vader heeft in de oorlog zo'n zeshonderd mensen kunnen redden, maar de meeste mensen heeft hij niet kunnen redden. Dat heeft ook in joodse kringen in enorme haat geresulteerd, die metterjaren alleen maar groter en pathologischer schijnt te worden. Het boek van Regina Grüter is ook zo'n uitdrukking van die blinde haat. Gelukkig zijn er nog genoeg mensen die weten wat mijn vader allemaal voor hen gedaan heeft. Zelf was hij ervan overtuigd dat hij ooit zou worden gerehabiliteerd, hij had er echter geen zin meer in om daar zelf nog voor te vechten. Dat moesten anderen maar doen. Misschien dat het boek van Marres een stap in die richting is.’
Op geheel eigen wijze zorgt historicus Cees Fasseur voor de preservering van zijn wetenschappelijke onafhankelijkheid, zo blijkt uit een interview dat NRC Handelsblad zaterdag 13 november plaatste met de Wilhelmina-biograaf, die in het jaar 2000 zijn licht zal laten schijnen over Wilhelmina’s leven vanaf 1918. 'Ik weet niet waar ik de eer aan dank dat ik nu als enige het persoonlijke archief van Wilhelmina en Hendrik mag bestuderen’, vertelt Fasseur in de NRC. 'Waarschijnlijk aan mijn uitgebreide Haagse netwerk. Het wakend oog van Beatrix ervaar ik niet als een last. Ik weet dat ze het eerste deel gelezen heeft, maar bespreek dat niet met haar. Dat zou mij te veel beïnvloeden.’ Chapeau voor zoveel gietijzeren wetenschappelijke autonomie natuurlijk. Alleen: hoe komt Oranjeklant Fasseur erbij dat Beatrix afstamt van de Vader des Vaderlands Willem de Zwijger, zoals hij in de NRC aanvoert ter rechtvaardiging van zijn uitbundige pro-monarchale sentimenten? Weet hij dan niet dat deze heilige bloedlijn toch echt definitief ten einde kwam met de ongelukkige dood van de officieel kinderloze Willem(III in 1702? Toch maar even het archief uit en de encyclopedie erbij pakken, professor!