Edmund White, My Lives

Oude man in onderbroek

Edmund White

My Lives

Bloomsbury, 360 blz., € 22,50

Wat moet een schrijver van sterk auto biografisch getint proza die de pensioengerechtigde leeftijd op zich af ziet komen? Gewoon maar doorgaan? Zo simpel is dat niet, want het ligt voor de hand dat hij tegelijkertijd de bodem van zijn voorraad opgedane ondervindingen nadert, als hij over die bodem niet al aan het schrapen is geweest. Wat dus te doen? In zijn jacht op materiaal kan hij gaan bungeejumpen, of wildwaterkanoën op de Amazone, maar hij kan ook gewoon zijn memoires schrijven. Dat laatste is wat Edmund White (geboren in 1940 in Cincinnati, Ohio) heeft gedaan.

White dankt zijn bekendheid aan romans die als fictionele autobiografie gebaseerd waren op zijn leven als homoseksueel. Zijn boek A Boy’s Own Story bevatte het relaas van een gevoelige en begaafde jongeling, zoon van gescheiden en nogal harteloze ouders, worstelend met zijn verlangens en met noties als schuld en schaamte – alles in de weinig opwindende jaren vijftig. Het werk opende een tetra logie, waarvan het laatste deel, The Married Man, de held naar Parijs voerde. Daar en in andere oorden waar hij zijn gedoemde romances beleeft, zoals Venetië, vindt men decors en coulissen die terugkeren in de werkelijkheid van My Lives, want de Amerikaan White komt vaak in Europa en woonde in de jaren tachtig en negentig over wegend in Parijs.

Verlost van de noodzaak zijn belevenissen te sublimeren tot de strenge vormen van een roman kan een autobiograaf on bekommerd openhartig zijn. Een thema waar mee Edmund White voortdurend terugkeert, is fellatio. Al op bladzijde 5 vernemen we dat de auteur als jongen van elf of twaalf in staat was zijn eigen penis te likken. Later zuigt hij mannen af als onderdeel van een transactie, waarbij de ontvanger van het zaad de leverancier betaalt. In zijn jeugd was White naar een psychiater gestuurd die zijn moeder liet weten dat de jongen «niet te redden» was. Toch kwam er een collega op de proppen die de jeugdige Ed moest helpen uit te vinden «wie hij werkelijk is». Als object van psycho analytische therapieën is White als vanzelf een freudiaan geworden, zodat hij zich als vijftienjarige zorgen maakt: «Ik schijn maar niet uit de normale homoseksuele ontwikkelingsfase te komen.» Omdat hij van jongs af aan de ambitie heeft schrijver te worden en alles leest waarop hij de hand kan leggen, rijst onvermijdelijk de vraag of een mentale verbouwing tot hetero eigenlijk wel zo’n goed idee is. Vernietigt hij daarmee niet datgene wat hem naar het schrijverschap drijft?

Ongunstige beschrijvingen van zijn jeug dige alter ego zijn meestal waar nemingen die hij toeschrijft aan anderen. Zo voelde hij zich een «neurotische sissy» bij zijn vader of diens vader, allebei racis tische conservatieven. Voor zijn iets oudere zus Margaret was hij naar eigen zeggen een bleke bebrilde zonderling alsmede «an egghead and nerd and pansy». Bij de paar ge legenheden dat White heteroseksueel ge slachts verkeer uitoefende, was seks vooral een streling van zijn ego: zijn voornaamste erotische interesse lag daarin dat hij zich voorstelde hoe zijn partner hem waarnam. En zo toont hij zich op méér plaatsen in zijn memoires ge obse deerd door een ego «dat altijd weggleed in een poel van zelfhaat». Aan de lezer de taak een evenredige mate van be langstelling voor dit kokette «kijk mij eens» overeind te houden. Gelukkig zijn er veel mo menten waarbij onvervalste zelfspot en een soort schrille humor dit vergemakkelijken, zoals wanneer de auteur een nieuwe minnaar zoekt en achter zijn computer zit als «een oude man met een buik die in de bolling van zijn T-shirt hangt, uren en uren in zijn onderbroek» en zijn boodschappen («Geachte heer, ik zou graag de slaaf van een jong meestertje willen zijn») de wereld in zendt «als elektronische flessen».

De thematische opzet van deze memoires (hoofdstukken over «My Shrinks», «My Blonds», enzovoort) komt in de plaats van een chronologische. Soms moet de lezer daarom de levensloop van de auteur als een legpuzzel in elkaar passen. Een ander gevolg is dat de schrijver zich nogal eens herhaalt, zoals met het bericht dat in 1985 werd vastgesteld dat hij hiv-positief is. Veel van White’s vrienden zijn aan aids gestorven. Zoals de Fransman Gilles Barbedette, die de auteur benaderde met de mededeling dat hij diens werk wilde vertalen, doch in plaats daarvan diens leren jack aan kreeg en moest dulden dat White hem «master» noemde en aan zijn been begon te friemelen. Barbedette, als uitgever nadien een belangrijk Euro pees pleitbezorger van White, krijgt hier een aandoenlijk en ge voelig portret.

In White’s memoires komen allerlei vormen van deviant seksueel gedrag aan de orde. Zo vernemen we over de bijna tachtig jarige echtgenote van de romancier Alain Robbe-Grillet dat ze «sjieke literaire paren» martelt in de kerker van haar Nor man dische kasteel. Dit wordt achteloos ge meld, in het voorbijgaan; echte wellust reserveert de auteur voor de beschrijvingen van zijn eigen ondervindingen als homo en masochist. Toch lijkt My Lives eerst en vooral het voortbrengsel van een authentieke exhibitionist.