György Konrad, Het verdriet van de hanen

Oude meester

György Konrad
Het verdriet van de hanen

De Bezige Bij, 358 blz., 24,50

Door de straten van Boedapest slentert een oude wijze man die mijmert over zijn voorbije leven. Nu en dan neemt hij de gratis bus, gaat een café binnen. Als hij zin heeft, neemt hij de trein naar zijn geliefde Hegymagas, een dorpje vlakbij het betoverende Balatonmeer, waar hij door de weiden wandelt, vanuit de tuin de helrode zon ziet ondergaan en zich terugtrekt in zijn werkkamer om er in alle stilte te schrijven. Dat doet hij liever dan een eerbaar genootschap voor te zitten of obligate toespraken te houden. Veel boeiender vindt hij het om naar doodgewone dingen te kijken, om zijn laatste levensdagen intens te ondergaan en zijn ultieme indrukken neer te pennen. De voorbije jaren was de Hongaarse schrijver György Konrad bijzonder actief. In 2001 en 2003 verschenen zijn autobiografieën Geluk en Zonsverduistering, die door velen beschouwd werden als zijn literaire testament. Maar zoals hij in zijn leven al zo veel mensen verraste, zo doet hij dat nu weer met Het verdriet van de hanen. Zijn hoofdpersonage is een zekere Kalligaro, maar dat is een handigheidje van de auteur om over zichzelf te spreken met weer een autobiografie als resultaat. Terwijl zijn twee vorige werken een chronologische volgorde hebben, overstijgt hij nu dit genre en krijgt zijn getuigenis de vorm van een filosofisch traktaat over de zin en onzin van zijn leven, over de gebeurtenissen in zijn land en over diegenen die hem dierbaar waren. Het geheel is een lyrische, soms melancholische tekst ,waarin de oude meester blijk geeft van een groot inlevingsvermogen en tegelijk van zijn scherpe bewustzijn van de relativiteit van een mensenleven. «Een komeet is over het huis gevlogen, over vierduizend jaar komt hij weer terug», schrijft hij tot tweemaal toe.

Het leven is een voortdurend gevecht tegen de inkrimping van je levenscirkel, aldus de auteur, en drie zinnen later heeft hij het over een «chronisch tijdgebrek». Zijn favoriete bezigheid is wandelen, liefst op zijn eentje «in het gezelschap van zijn vroegere ik en af en toe een blik werpen op de persoon die hij ooit is geweest». Ondanks alles wat hij heeft meegemaakt, de vernielzucht van de nazi’s, de brutaliteit van het communisme en de verwoestende effecten van het wilde kapitalisme, is Kalligaro geneigd het leven goed te noemen. Dit getuigt van een bovenmenselijke mildheid, want de geschiedenis was niet mild voor hem. Zo rakelt hij enkele zaken op die diep in zijn geheugen gegrift staan. Zoals de dag waarop het Rode Leger Boedapest binnentrok, de fascisten verjaagde en hij niet langer moest vrezen dat iemand hem «bijna voor de grap» neerschoot omdat hij jood was. Of dat iemand die meer dan honderd man in dienst had door de communisten als kapitalist werd aangeduid en geliquideerd. Of dat de overheid een lege woning tegenover de zijne vorderde om hem via het raam in de gaten te houden en af te luisteren. En dat ook onder de communisten plots joden verdwenen, die men dan nooit meer terugzag. Soms slaat zijn mildheid toch om in een vlijmscherpe aanklacht. Zoals tegenover de «denkers» in Hongarije die hun huik naar de communistische wind hadden gehangen en zich na de val van de Muur «teleurgesteld» noemden. Voor hen heeft hij geen medelijden: «Wie zich had laten beetnemen was een onbenul.» Konrad komt tot de stelling dat het meest gewaagde avontuur van de twintigste-eeuwse intelligentsia «het radicale etatisme» was, met een almachtige staat als gruwelijk instrument.

De auteur moet niets hebben van provincialisme, nationalisme en romantisme, daarvoor kent hij te goed de geschiedenis van de twintigste eeuw. Zo houdt hij zich ver van het cultuurpessimisme dat wantrouwig staat tegenover de stad en de moderniteit. De stad vormt een concentratie van vrijheidsverlangen, zeker in tijden van onderdrukking en bezetting. Zo heeft hij het ook niet begrepen op rechtse bewegingen die na de ommekeer in 1989 in Hongarije de kop opstaken met voordien onbekende revolutionairen en die nu antisemitische leuzen «brullen». Die overgang naar het kapitalisme maakte de auteur niet minder kritisch, integendeel. Met afschuw ziet hij hoe mensen opgejaagd leven en werken ten bate van economische groei. «Ze haasten zich om een rustpunt te vinden», zegt hij cynisch. «De tijd van hevige verlangens is voor hem voorbij, hij heeft geen sensationele boodschap voor de wereld», zegt Kalligaro, maar ook hier is Konrad te bescheiden. Niet alleen zijn leven, maar vooral zijn geschriften die steevast getuigen van zijn geloof in de mens en zijn unieke en onvervreemdbare rechten maken hem sensationeel.

In het laatste deel verwijst de auteur verschillende keren naar zijn lichamelijke aftakeling en het feit dat hij «genoeg» geleefd heeft. Het lijkt alsof deze literaire reus zich nog één keer opricht om te waarschuwen. Het verdriet van de hanen is een indrukwekkend pleidooi voor de vrijheid en waardigheid van de mens. Al zou het niet verwonderen als de schrijver met de melancholische blik en de milde lach ons in het ootje neemt en weer aan zijn werktafel zit, afgesloten van de buitenwereld, dromend van een betere wereld, en nieuwe hanenpoten neerschrijft.