(De)kolonialisme in de kunst

Oude meesters, nieuwe moraal

De collecties van de ‘wereldmusea’ van het Westen hebben definitief hun onschuld verloren. Kunstenaars, kunstkenners en schrijvers met een Afrikaanse achtergrond leiden de dekolonisatie die ten langen leste ook in museale kringen wordt voltrokken.

Ontdekkingsreiziger in Dilolo, Democratische Republiek Congo, 1931 © G. De Witte, 1931 / KMMA Tervuren

De laatste Europese kolonies werden zo’n halve eeuw geleden zelfstandig, een wingewestje hier of daar uitgezonderd. Maar de naweeën van het kolonialisme spelen nu opeens weer heftig op. Dan gaat het over de oorlogsmisdaden die koloniale legers indertijd hebben begaan, of, zoals nu, over roofgoed waarmee in Europese musea wordt gepronkt. Afrikaanse regeringen dienen hun aanspraken in bij het voormalig moederland. Kunstenaars en kunstkenners van directe of indirecte Afrikaanse herkomst, uit de ‘zwarte diaspora’, weten nu een discussie af te dwingen. Zij moeten van die koloniale uitstallingen niets hebben. En opeens zien die er ook voor het westers oog heel anders uit.

Het is allemaal erg ongemakkelijk.

8 december ging met enig geruis in het Belgische Tervuren het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika opnieuw open als het AfricaMuseum, na een periode van vijf jaar waarin het ingrijpend werd verbouwd, fors uitgebreid en radicaal anders ingericht. Het museum was in 1910 neergezet als triomfantelijk praalpaleis voor het uitstallen van de buit die Leopold II had weggeroofd uit de Congo. In de loop van de twintigste eeuw zakte het koloniale museum geleidelijk weg in knusse vergetelheid en in de laatste decennia verzonk het ten slotte in een verstikkende schaamte. Het werd een van de meest gênante bezienswaardigheden in Europa. En dat zegt nogal wat.

Maar wat was er veel te zien!

Met de algehele renovatie moeten het gebouw en de collectie worden opgevijzeld naar de smaak, de moraal en de gevoeligheden van het heden. Het valt nog te bezien of dat is gelukt.

Op diezelfde 8 december vond in de hoofdstad van Senegal, Dakar, een historische inhuldiging plaats. Daar werd een enorm cultuurcentrum geopend, een geschenk van China, ontworpen en gebouwd door Chinezen: het Museum van Zwarte Beschavingen. Dat bouwt voort op initiatieven van de eerste president van het vrije Senegal, Léopold Senghor, en op het gedachtegoed over de zwarte civilisatie van zijn toenmalige rivaal Cheikh Anta Diop. Toen was de idee van een zwarte beschaving een uitdaging, een culturele onafhankelijkheidsverklaring. De Europeanen hadden zwart Afrika immers bezet en geplunderd onder het voorwendsel dat ze daar de beschaving zouden brengen waaraan het de zwarten zo smartelijk ontbrak: de blanke beschaving. Een museum voor de zwarte beschavingen zet daar ruim vijftig jaar later met zoveel woorden alsnog en onmiskenbaar een antikoloniaal contrapunt bij. De eregast bij de opening was ditmaal niet een Fransman, maar een Chinees, uit het donorland.

Een maand geleden verscheen een rapport over de teruggave van roofkunst in Europese musea dat was besteld door de Franse president Emmanuel Macron. De auteurs zijn de Franse Bénédicte Savoy en de Senegalees Felwine Sarr van wie bekend is dat zij een tamelijk radicale positie innemen over dit in museumkringen wel zeer heikele onderwerp. Zij doen dan ook een aantal verstrekkende aanbevelingen en dringen aan op ruimhartige restitutie. Al op de dag van verschijning kondigde Macron aan dat het huidige Benin (het voormalige Dahomey) 28 stukken terug zou krijgen die ooit ontvreemd waren uit het koninklijk paleis en dat hij in beginsel bereid was onrechtmatig verworven kunstschatten aan de landen van herkomst terug te geven. Inmiddels hebben Kameroen, Senegal en Ivoorkust hun aanspraken op de teruggave van geroofde stukken al bekend gemaakt.

Recentelijk heeft een aantal Europese musea, waaronder de vier instellingen die samen zijn gegaan in het Nederlandse Nationaal Museum van Wereldculturen (NMvW), na jaren overleg in beginsel overeenstemming bereikt met Nigeria over samenwerking, uitwisseling en uitlening van kunstwerken met het Koninklijk Benin Museum in Nigeria. Het Wereldmuseum wil dezer dagen eigen richtlijnen voor restitutie publiceren.

In Berlijn raken de gemoederen verhit over de inrichting van het gloednieuwe Humboldt Forum aan de Spree, waar onder andere de collecties uit het oude volkenkundige museum worden ondergebracht. Bénédicte Savoy heeft daar als adviseur net als de meesten van haar collega’s haar ontslag ingediend. Er wordt rondom het nieuwe forum gedurig gedemonstreerd en geprotesteerd tegen de koloniale inslag van de exposities in aanbouw. Daarbij klinken de echo’s door van het kortstondige en rampzalige Duitse verleden in Afrika, rampzalig voor de gekoloniseerden.

Net als België was Duitsland een laatkomer in de wedloop om de verovering van Afrika. In Namibië oefende het Duitse leger alvast voor de volkerenmoord en roeide het de Herero uit tot vrijwel de laatste mens. De herinnering aan die koloniale massamoord werd overdekt door de nawerking van de rampen die de Duitsers later nog aanrichtten. Maar door de huidige controverses rondom de Afrikaanse oude kunst zijn ook die gruwelmoorden weer actueel. Het is dan ook maar de vraag of het Humboldt Forum met de voorgenomen inrichting inderdaad zal opengaan als gepland, in 2019.

Het gaat opeens hard met de Afrikaanse kunst die eens ‘primitief’ heette, ooit ‘nègrerie’, soms ‘inheems’, dan ‘tribaal’, later ‘etnografisch’, toen ‘primair’ en sinds kort ook wel ‘subaltern’. De Europeanen, want die waren de nieuwe bezitters en dus de naamgevers, zijn er altijd verlegen mee geweest. Nooit verlegen genoeg.

Eén term voor die kunst ligt volkomen voor de hand, maar wordt bij mijn weten nooit gebruikt: ‘oude kunst’, oude kunst uit Afrika, Oceanië en precolumbiaans Amerika. Precies zoals er oude Europese en oude Aziatische kunst is. Net zoals er oude meesters in Europa waren, zo werkten oude meesters in die staatloze samenlevingen, in culturen niet van het schrift maar van de spraak en van het geheugen. Die kunstenaars zijn vrijwel allemaal anoniem gebleven (van vrouwelijke meesters is weinig of niets bekend).

Net als de oude kunst van Europa wordt ook de oude kunst van Afrika niet meer gemaakt, maar wel nog steeds net zo vrijelijk gekopieerd of heimelijk vervalst. In Europa moesten de modernisten zich radicaal afzetten tegen de oude meesters om de Europese kunst verder te ontwikkelen. In Afrika moeten eigentijdse kunstenaars afrekenen met de oude Afrikaanse kunst om daarop met een contemporaine Afrikaanse kunst te kunnen voortbouwen. Voor de oude kunst worden miljoenen neergeteld, maar op de internationale kunstbeurzen is nog steeds maar weinig vraag naar de Afrikaanse kunst van deze tijd. Vandaar dat veel kunstenaars in Afrika en de diaspora genoeg hebben van de zaligverklaring van uitsluitend de oude kunst uit Afrika en van de onverschilligheid jegens hun eigentijdse uitdrukkingsvormen. Zij zien daar een vorm van sentimenteel artistiek neokolonialisme in.

Die houding werkt nu door in het museumbeleid, hier en ginds. In het Amsterdamse Tropenmuseum is de collectie Oceanische kunst discreet verhuisd naar de bovenste verdieping. In de grote hal staan de monumentale totempalen er wat ontheemd bij tussen de hoogst eigentijdse licht- en geluidseffecten waarmee de leiding een nieuw en jong publiek wil werven. De nadruk verschuift naar exposities over hedendaagse samenlevingen buiten het Westen en naar eigentijdse kunst uit de Derde Wereld.

Beeld dat verwijst naar besnijdenisrituelen voor jongens, provincie Bandundu, Democratische Republiek Congo © Huysmans-Wuyts / KMMA Tervuren 

Dat sluit naadloos aan op de voornemens van Hamady Bocoum, directeur van het nieuwe Museum van Zwarte Beschavingen in Dakar: hij liet ons afgelopen mei zijn imposante nieuwe gebouw zien dat toen nog helemaal leeg was. Ik vroeg hem of hij van plan was een ruime selectie te tonen van de magistrale collectie Afrikaanse oude kunst die grotendeels ligt opgeslagen in het afgetrapte Musée Théodore Monod, een eind verderop. Nee, met die ‘subalterne’ kunst had hij helemaal geen haast. Levende Afrikaanse kunstenaars zouden in zijn museum de voorrang krijgen. Hij wilde daar ook hedendaagse culturele en maatschappelijke ontwikkelingen zichtbaar maken.

De huidige koloniale kunstcollecties in de westerse hoofdsteden zijn een éclatant geval van heling in het groot

Op het moment dat de oude Afrikaanse kunst bereikbaar lijkt te gaan worden voor een Afrikaans publiek, begint bij de museumdirecties de belangstelling wat te tanen.

Het programma van Hamady Bocoum voor het museum in Dakar is in het museum van Tervuren al uitgevoerd. De oude Centraal-Afrikaanse kunst is te bezichtigen in een enorme vitrine waar de fraaiste stukken dicht opeengepakt zijn uitgestald. Er is geen enkele moeite gedaan om die beelden afzonderlijk in hun ongenaakbare kracht te tonen als de oude meesterwerken die ze zijn. In de vleugel gewijd aan het Afrikaans ceremonieel in de opeenvolgende levensfasen wordt telkens een imposant kunstwerk getoond, ditmaal dus in een etnologische context.

Op een paar kruispunten in het museum zijn eigentijdse Afrikaanse beelden te zien. Die moeten zich bewijzen tussen de koloniale kitsch enerzijds en de oude kunst anderzijds. Te zijner tijd komen er vast wel nog betere werken van levende kunstenaars.

In de centrale hal stond vroeger een sculptuur van een zwarte man die met ijzeren nagels tussen de vingers klaar stond om een hulpeloos op de rug liggende zwarte te bespringen en hem het hart uit te rukken. Hij droeg daarbij een mallotig katoenen kapje met luipaardprint. Om zulk inheems geweld te bedwingen waren de Belgen de Congo binnengetrokken. Een ander beeld stelt een Moorse slavenjager voor die juist twee inboorlingen buitmaakt. Deze en andere aanstootgevende beelden zijn nu bijeengezet in een soort hal van de schande. Het oude gebouw mocht als rijksmonument niet worden aangetast en alles wat er nagelvast was is ongemoeid gelaten. Vier vergulde beelden staan nog in hun hoge nissen in de voormalige toegangshal, met hun bijschriften: ‘België schenkt zijn steun aan de Congo’; ‘België schenkt de welstand aan de Congo’; ‘België schenkt de beschaving aan de Congo’.

Het vierde beeld is getiteld ‘de slavernij’ en stelt ook al een donkere slavenhandelaar voor.

Beter is de arrogantie, de hypocrisie en de massieve loochening van de werkelijkheid niet te verbeelden en te verwoorden. Ik heb wel eens voorgesteld – en ik was de enige niet – om het hele museum te laten zoals het was en er een gigantische tent overheen te zetten. Bij de entree zou een bordje staan: ‘Museum van het museum Tervuren’. Ik ben daarvan teruggekomen. De dubbeldakse ironie zou een deel van het publiek helemaal niet storen in zijn bewondering voor de pracht en de praal, de macht en de weelde van Leopolds geschenk aan de Belgische natie. De zwarte beelden zouden op zijn best met gepast medeleven zijn bekeken.

De Congo-Vrijstaat was particulier bezit van Leopold II. Volgens de betrouwbaarste schattingen was bij de overdracht van de privé-kolonie aan België in 1908 het aantal Congolezen gehalveerd ten opzichte van het beginjaar 1885, toen er zo’n twintig miljoen geleefd moeten hebben. Die tien miljoen kwamen om door ziekte, honger, uitputting en dwangarbeid bij de rubberwinning, foltering en executie. Bij de opening van het museum waren de vitrines over de verovering en de onafhankelijkheidsstrijd van de Congo nog niet klaar. Dat lijkt me veelbetekenend.

De heroriëntatie die zich nu her en der min of meer gelijktijdig en gelijkgericht voltrekt in museale kringen past in een opkomende beweging: dekoloniseer de musea. Om dat te bereiken is het nodig om eerst aan te tonen hoe door en door koloniaal die musea nu nog zijn. Daarbij lopen kunstenaars, kunstkenners en schrijvers uit Afrika en de Afrikaanse diaspora voorop. Langzamerhand is dat besef ook doorgedrongen tot de conservatoren en bestuurders van die musea (mede omdat er nu ook wel eens stafleden zijn met een Afrikaanse achtergrond).

Een heel groot deel van de collecties Afrikaanse oude kunst is onrechtmatig verworven. Zelfs van de voorwerpen die aan de veroveraars ‘verkocht’ of ‘geschonken’ zouden zijn, is niet goed vast te stellen of dat niet gebeurd is onder pressie, gegeven de wel zeer ongelijke machtsverhoudingen in de koloniale samenleving. Daarin gaan ook missie en zending – bevlogen verzamelaars met heel eigen, ‘geestelijke’, dwangmiddelen – helemaal niet vrijuit. De huidige koloniale kunstcollecties in de westerse hoofdsteden zijn een éclatant geval van heling in het groot. Hier, in Europa, zei niemand er wat van. En daar, in Afrika, waren ze het schijnbaar vergeten. Dat is nu aan het veranderen. Het is pijnlijk om het onder ogen te moeten zien, maar het is niet anders.

Daartegen kan worden ingebracht dat alle aanspraken na één of anderhalve eeuw rechtens ruimschoots verjaard zijn. Dan hadden de benadeelden maar eerder moeten komen met hun eisen. Het spoor terug van de huidige collectie naar de makers en eerste eigenaars is meestal niet meer te volgen. Er gold daarginds en indertijd geen individueel eigendomsrecht naar Europees model. De kunstschatten waren misschien wel van niemand in het bijzonder, of van iedereen in de gemeenschap. Wie kan daar nu na vijf, zes generaties nog aanspraak op maken? Mij dunkt, meest gerechtigd is de regering van het gebied waar de voorwerpen vandaan komen (dat laat nog heel veel interpretaties open).

Wanneer die beelden of maskers hun rituele werk gedaan hadden werden ze door de gebruikers veelal afgedankt voor nieuwe exemplaren die ook niet lang meegingen. Westerse musea hebben die vaak uiterst kwetsbare en vergankelijke kunstvoorwerpen met de grootste zorg en toewijding bewaard en beschermd. Ze werden daar grondig bestudeerd en gedetailleerd beschreven. Onder die westerse blik werden ze eerst getransformeerd tot onderzoeksobject en vervolgens ook ondergebracht in een andere exclusief westerse categorie: het kunstwerk. Ze kwamen zodoende niet alleen in gespecialiseerde volkenkundige musea terecht, maar ze werden ook als hoge kunst tentoongesteld in de zalen van universele musea zoals het Louvre, het British Museum of het Metropolitan Museum of Art.

Zo steeg de cultuurhistorische waarde van de Afrikaanse, maar ook van de Oceanische en precolumbiaanse kunst in de loop van de vorige eeuw tot op grote hoogte; hoog genoeg om op één lijn gesteld te worden met de klassieke Europese en Aziatische kunst. In het Westen hoort bij ‘kunst’ ook een kunstmarkt waar cultureel kapitaal in financieel kapitaal wordt omgezet. Heel wat Afrikaanse oude meesterwerken zijn nu tonnen, zelfs miljoenen waard in de kunsthandel.

De landen van herkomst kunnen in veel gevallen een geldige, sterke aanspraak maken op de kunstwerken die daar vandaan komen. Naarmate er aan de verkrijging indertijd meer dwang en geweld te pas kwam, is die aanspraak sterker. Maar de westerse musea zijn niet helemaal rechteloos. (Laten we het over particuliere bezitters nog maar even niet hebben.) De musea in het Westen hebben die rituele gebruiksvoorwerpen getransformeerd tot iets nieuws: tot objecten van wetenschap en tot autonome kunstuitingen. Ook de handelswaarde van die kunst is een westerse waarde die nu wereldwijd geldt.

Knuppel afkomstig uit een l’otchihuti, heilige hut van de Soma Moko bij Balombo, Angola © R. Asselberghs / KMMA Tervuren

Gelukkig is een compromis mogelijk. Er bevinden zich in westerse musea een paar miljoen voorwerpen uit Afrika, Oceanië en precolumbiaans Amerika. Ruim negentig procent daarvan ligt in de depots. Er is genoeg voor een dozijn musea in de landen van herkomst. Dan nog blijven er in het Westen rijke collecties over. De conflicten zullen vooral gaan om de onvergelijkelijke pronkstukken die het aanzien van een museale collectie bepalen én om het behoud van een verzameling die in haar geheel een afspiegeling kan zijn van de enorme verscheidenheid van de buiten-Europese oude kunst.

Er blijft een bedenking: een land als Senegal heeft een museale traditie van meer dan anderhalve eeuw. (En heeft dus ook roofstukken in de collectie.) In sommige andere landen die ook aanspraak kunnen maken op restitutie bestaat een risico dat de collecties verwaarloosd worden of geplunderd door de plaatselijke machthebbers. De president van de Congo, Joseph Kabila, is al doende in Kinshasa een eigen museum voor Afrikaanse kunst te bouwen en heeft zijn aanspraken op Congolees kunstbezit alvast aangekondigd. Zijn staat van dienst wekt op z’n zachtst gezegd weinig vertrouwen. Als zo’n regime de kunstschatten in handen krijgt, zijn ze voor het Congolese volk voorgoed verloren.

Het is wellicht niet aan westerse instanties om de museale bekwaamheid en betrouwbaarheid in niet-westerse landen te beoordelen. Voor een westerse museumstaf die eigen stukken moet afstaan is dan geen ontvanger goed genoeg. Het is beter als een adviesorgaan van de Verenigde Naties of van de Afrikaanse Unie zo’n brevet van vertrouwen uitreikt.

Rest nog een bijgedachte. Waarom zouden bibelebontse landen alleen bibelebontse kunst mogen vertonen en niet-westerse landen alleen niet-westerse kunst? Kunst en wetenschap zijn universeel. Afrikanen zouden naast Afrikaanse kunstschatten ook oude Hollandse meesters of Franse impressionisten, Chinese kalligrafen of Griekse beeldhouwers moeten kunnen bekijken. Zet dus in enkele Afrikaanse hoofdsteden een klein maar universeel museum neer met een wisselende collectie in bruikleen. Dat gebeurt nu al op winstbasis met filialen van het Guggenheim en het Louvre in de oliestaatjes. Het kan dus als uitwisseling ook in Afrika.