Oude, oude recensenten

Ik heb geen last van gevoelens van eenzaamheid, maar soms wordt me zo’n gevoel opgedrongen.

Bijvoorbeeld als het gaat om literaire recensenten.

Als ik het goed heb, maken sommige schrijvers zich boos over het teveel aan oudere recensenten. Die oudere recensenten zijn rond de vijftig. Hoe kunnen die een eerlijk oordeel leveren over twintigers?

Mag ik even wijzen op mezelf?

Ik ben boven de zestig.

Oud en eenzaam.

Een van mijn boeken werd onlangs gerecenseerd door een meisje van toen net twintig.

Ze vond er niet veel aan.

Voor het eerst gebeurde er met mij iets wat ik niet voor mogelijk had gehouden – en waarover ik eigenlijk niet moet schrijven, maar dat doe ik toch.

Ik vond de kritiek zo slecht – slecht geformuleerd en uiteraard slecht doordacht – dat ik er niet chagrijnig van werd. De enige voor wie ik me enigszins schaamde was mijn uitgever. Die had tijd, geld en moeite in mijn boek gestoken en, ofschoon er mooie vier-sterrenrecensies (en een enkele vijf) waren verschenen, had ik nu twee dunne sterretjes waardoor mijn boek in het grote heelal vol stralende sterren onopgemerkt zou blijven. Wéér had ik een boek gemaakt waarop de uitgever moest toeleggen.

Dat de recensie me nu niet raakte, kwam door het leeftijdsverschil dat aanvoelde alsof ik dronken aan het laatste wat lelijke meisje in het café had gevraagd: ‘Zullen we bij mij thuis nog wat drinken?’, waarop ze antwoordde: ‘Ik wil alleen met knappe, leuke jongens mee.’

Eigenlijk schrijf je toch ­omdat je door niemand begrepen wordt

Maar nu maken jonge auteurs zich boos over oudere recensenten.

Door een toeval – mijn dochter is redacteur bij een uitgeverij – hoor en lees ik de laatste tijd veel over jonge schrijvers. Mijn dochter neemt steeds boeken voor me mee.

Ik merk dan twee zaken op: ik ben alles behalve zuur over de laatste generatie auteurs, maar ook: sommige jongens die nu razend populair zijn, zeggen me niks. Ik hou bijvoorbeeld van David Pefko en Joost de Vries, maar ik hou niet van Heerma van Vossjes al zie ik die om de dag in de krant staan. Ik heb echt geprobeerd ze te lezen. Maar ik kom er niet doorheen. Ik zou ze dus nooit recenseren.

Wat me ook verbaast aan de artikelen over de oudere recensent is de wens die er blijkbaar bestaat om door je eigen leeftijdgenoten beoordeeld te worden. Dat heb ik zelf nooit gewild. Ik wilde beoordeeld worden door Reve, Van het Reve of Hermans die ik als mijn vaders beschouwde. Reve en Van het Reve hebben mij gelezen – uit bescheidenheid laat ik achterwege wat ze ervan vonden. Hermans las eerst een paar columns van mij voordat ik hem mocht interviewen.

Eigenlijk was dat kinderachtig van mij. Maar net zo kinderachtig om beoordeeld te willen worden door een leeftijdgenoot omdat die me beter zou begrijpen. (Eigenlijk, denk ik, schrijf je toch omdat je door niemand begrepen wordt. Maar dit terzijde.)

Je boek is voor iedereen. Voor de twintigjarige trut en voor de zestigjarige brombeer.

Toen ik Gerard Reve bezocht en klaagde over recensenten zei hij dat hij de laatste jaren nooit een goede recensie kreeg, maar ‘hoe slechter de kritieken zijn, hoe beter mijn boeken verkopen’.

‘Hoe komt dat, Gerard?’

‘Nou, veel huisvrouwen denken dan toch stiekem: als het zo slecht is, zullen er wel weer allemaal vieze passages in staan, over mannen die het met vrouwen doen van het manlijk geslacht. Daar worden vrouwen in het algemeen heel geil van. Wist je dat? En die vrouwen kopen dan mijn boek en ik stel ze nooit teleur.’

Gerard had nog een mooie: ‘Toen ik kritieken schreef, wist niemand wie ik was. Toen ik met het schrijven van kritieken stopte, werd ik even later wereldberoemd.’

Oude, oude recensenten