Oude spoken

Koos van Zomeren, Die stad, dat jaar. € 19,95

Uit Koos van Zomerens roman over de SP blijkt dat de partij in het mes dreigt te lopen van haar eigen geschiedenis die ze gelooft volledig overwonnen te hebben. Het wordt tijd dat ze kennis neemt van haar eigen verleden, ter lering en ter vermaak

Mag ik dit verhaal beginnen met een bekentenis? Ik was tien jaar lid van de SP. Dat was in de even onnozel wrede als achteraf lachwekkende maoïstische jaren, toen de partij uitsluitend kaderleden had, stoere revolutionairen dus die altijd verkouden waren van het colporteren door weer en wind. En ik dacht dat niet alleen ik, maar dat de hele SP van die ernstige flauwekul af was. Dat wilde ik althans geloven, totdat ik het nieuwste boek van oud-kameraad Koos van Zomeren las over ‘De Partij’, die hij tot 1975 diende als intellectueel in – als ik het me goed herinner – manchesterpak. Sindsdien vrees ik, om het in goed socialistisch jargon te zeggen, dat er nog een soort spook rondwaart in de gelederen van de SP (bij mij heeft het spook zich intussen verplaatst naar wat de partij ooit kleinburgerlijk zelfgeneuzel noemde).
Hoe dat spook heet? Dat is nog eens niet zo makkelijk te zeggen. Wellicht valt het nog het best te omschrijven met wat in de jaren zeventig heette ‘de angst voor de vrijheid’. Het zijn dure woorden, en bij monde van een oud-SP’er klinken ze al gauw wraakgierig. En toch wil ik ze handhaven, al is het maar om een instrument te hebben om de oude partij te vergelijken met de nieuwe, waar opvallend vaak de rijen sluiten en waar de angst voor de vrijheid net iets te vaak is af te lezen van het gezicht van fractieleidster Agnes Kant, nu ze uit de slagschaduw van Marijnissen moet treden.
En daar heb je het al. Ik heb deze laatste zin nog niet opgeschreven, of het woordje verrader komt naar boven drijven. Heeft ze het al niet moeilijk genoeg, zegt tegelijkertijd een nuchtere stem in me – het zijn tenslotte de tijden van Wilders en van een electoraal krimpende SP. Dat tegen de vooruitgang gerichte gezeur – zo benoemt mijn oude zelfdisciplinerende partijtaal het –, is dat nou nodig? (uit betrouwbare bron weet ik dat dit zo ongeveer de denkwijze in de SP is, de partij sluit als een oester bij ook maar enige kritiek op Kant, de omgang van de PVDA met Mariëtte Hamer is ermee vergeleken een wonder van openbaarheid). En toch moet ik verder, laten we maar zeggen, ter wille van wat vroeger de zuivering van de partij genoemd werd, een ritueel dat vanzelfsprekend te allen tijde zonder aanzien des persoons geschiedde (‘in de partij kennen we geen vrienden, alleen maar kameraden’, zei Koos van Zomeren ooit tegen een aanvankelijk onwelwillende partijgenoot, die vervolgens gesticht zijn opdracht – overplaatsing vanuit Nijmegen naar een kale partijmissiepost – volbracht).
In de SP leven namelijk, naast allerlei nieuwe, ook oude vormen en gedachten voort. De nieuwe zegeningen zijn al vaak beschreven. Ze komen neer op een opmerkelijke vermenselijking, om niet te zeggen, ver-brabanderisering, onder leiding van Jan Marijnissen, die van een onsympathieke, eenzelvige, naar binnen gerichte partij een nog altijd ietwat eenkennige naar buiten gerichte partij maakte: een partij zogezegd voor allen en voor één. In de praktijk zou het grotendeels neerkomen op een partij voor allen en van één, Jan Marijnissen, ook al ontkennen de partijleden zulks tot op heden, geheel volgens de heersende mores, in één koor. Die massieve collectiviteit is een voorbeeld van een oude vorm die maar niet af wil sterven. En zo zijn er meer. Tot ver in de jaren negentig aten partijraadsleden demonstratief een boterhammetje met tevredenheid in het bijzijn van kapitalistische broodjes zalm declarerende collega’s van andere partijen. Dat is de aandoenlijke kant. Maar minder onschuldige reflexen zijn er ook, bijvoorbeeld: het ‘demonstreren moet’-paradigma dat partijkopstuk Harry van Bommel vanzelf achter onheuse leuzen schreeuwende antizionisten doet aanlopen. En dan is er ook het verwante, diepgewortelde anti-Amerikaanse sentiment in de SP, door Van Zomeren zo treffend beschreven dat je bijna zou denken dat de onmenselijke oorlog in Vietnam nog altijd niet voorbij is. Eens fout, altijd fout, geldt er kennelijk voor Amerika, want wat hoorde ik een week na Nine Eleven een partijlid zeggen? Juist, dat het neerstorten van deze bolwerken van het imperialisme toch ook een machtig gezicht was geweest.

Waar dit alles vandaan komt, kunnen we bij Van Zomeren lezen. En ik nodig al mijn in de partij verkerende ex-kameraden uit zijn boek ter hand te nemen, want er is veel uit te leren, over het verleden en het heden, en over wat die twee met elkaar te maken hebben. Want wie denkt dat de SP pas sinds Marijnissen de partij is van één man en een voorhoede kan hier wat opsteken.
Welbeschouwd vertelt Van Zomeren drie verhalen. Beschreven wordt het partijleven in de stad Nijmegen en op het partijcentrum, Dominicanenstraat 11, ‘Ons Huis’, waar men in plat Nijmeegs met een Zware Van Nelle tussen de lippen krantjes vouwde en meezong met de Zangeres zonder Naam op Hilversum Drie. Depersonificatie, oftewel bevrijding van het burgerlijke ik, door van de fabriek naar de wijk, naar de vergadering, naar de scholing te lopen, blijkt de kern van dit verhaal – echte SP’ers hadden toen, net als nu, nooit een moment voor zichzelf; een partij met een vergelijkbaar groot aantal burn out-getroffenen is waarschijnlijk niet te vinden. Dan is er het verhaal van de fictieve figuur Bert Staal, feitelijk Van Zomerens betere ik, die hoe links ook niet voor ‘De Partij’ valt en die op het moment suprème, als men hem lid wil maken, zijn vrijheid weet te behouden door erop te wijzen ‘dat hij wel in God gelooft’ (iets wat tegenwoordig bij de SP geen probleem meer is, de God van Huub Oosterhuis lijkt er Marx te hebben vervangen). Ten slotte is er de biografie van Daan Monjé, de ‘geniale pijpfitter’, een middelmatige ex-CPN’er van middelbare leeftijd die het tot Stalinheid bracht in de studentenpartij die de SP toen was.
En om deze Monjé gaat het. Hij is namelijk de sleutel tot de oude SP, een figuur ook die, hoewel partijstichter, het antivoorbeeld voor de SP nieuwe stijl zou moeten zijn. Met zijn ‘onberispelijk geknipte en in ordelijke golven achterovergekamde zwarte haar’, zijn ‘verzorgd snorretje’ en zijn ‘suède schoenen met spekzolen’, lijkt hij nog het meest op een ‘ietwat fatterige Oost-Europese boekhouder’, schrijft Van Zomeren. Hij hield er ook een heel eigen evolutietheorie op na, waar in de partij serieus over gediscussieerd werd; niet de aap, maar de hond zou het dichtst bij de mens staan, want in tegenstelling tot de aap was de hond – Monjé dacht daarbij vooral aan zijn eigen teckel, Tosca – zindelijk te maken.

En uitgerekend deze verschijning had de hele partij in zijn zak. Elk waardig partijlid, ook Van Zomeren, gaf zijn vrijheid op, om zijn goedkeuring, zijn absolutie te krijgen. En wat het allemaal nog erger maakt, hij was, schrijft Van Zomeren, ‘de enige die wél een visie had’, de enige die zelfstandig durfde te denken. Voor Monjé gold in zekere mate: het dialectisch materialisme is wat ik ervan maak; voor de rest was de leer heilig.
Hoe heilig leer en Monjé waren mocht ik op een keer ondervinden. En ik aarzel het voorval op te schrijven, want het betreft een van de spaarzame heldendaden uit mijn SP-tijd, die zich verder kenmerkte door de gebruikelijke aftandse geloofstrouw. Maar toch, om wille van de zaak, bij deze, mijn kleine heldendaad. Het moet ergens eind jaren zeventig zijn geweest toen er in de partij weer eens sprake zou zijn van enig ‘liberalisme’ (maoïstisch scheldwoord voor vrijdenkerij). Om dat te bestrijden werden er maandelijks landelijke zondagochtendscholingen gehouden in Rotterdam, waar per afdeling zowel de politiek secretaris (afdelingshoofd) als een gewoon kaderlid verwacht werd – deze laatste moest mee om zijn politiek secretaris op liberalisme te controleren. ‘Kameraden, neem een vel papier en schrijf een antwoord op de vraag: wie zijn onze vijanden’, sprak Daan Monjé ter plaatse tot de bijeengekomen op lullige klapstoeltjes heen en weer schuivende revolutionairen uit stad en land. ‘En kijk nou niet af bij je politiek secretaris, want dan kun je het wel eens fout hebben’, liet hij erop volgen. Het moet op dat moment zijn geweest dat ik, moe van de lange en idioot vroege treinreis naar de arbeidersstad, even mijn afgerichte zelf vergat, opstond en opperde dat het maar goed was dat niemand mee kon kijken op het blaadje van het Politbureau (het partijbestuur), want dan zou de hele partij er wel eens naast kunnen zitten. Een perfectere manier om de dialectisch materialistische banvloek over jezelf uitgesproken te krijgen bestond niet. ‘Bourgeoisgepraat’, sprak onder veler instemming een stem achter me, die bleek te komen van nota bene een dorpsgenoot, wiens katholieke familie, net als de mijne, was gedecimeerd door de roep van het socialisme en de SP (Daan deed vanzelfsprekend niets, hij wist dat anderen het werk zouden doen).
De SP was een klapmachine, gedomineerd door een bijna sensueel verlangen naar leiderschap en gehoorzaamheid. En dat ‘mechanisme’ is nog altijd aanwezig in de partij, getuige de meest recente crisis rond de zogenoemde afdrachtregeling, waarbij de afdeling Haarlemmermeer die meer geld wilde voor haar raadsleden op ‘de partijraad’ werd teruggefloten door lokale partijbestuurders uit het hele land, nog voordat de leiding zulks kon doen. ‘Toen ik was uitgesproken’, vertelde de afdelingsvoorzitter van Haarlemmermeer in een krant, ‘renden tien leden naar de microfoon om de bekende mantra uit te spreken’ (het dogma dat de verdiensten van een raadslidmaatschap geen persoonlijk, maar partijbezit zijn – jp). Dit voorbeeld zou nog met vele aan te vullen zijn: een traditie van oppositie lijkt in de SP niet of nauwelijks te bestaan.

Moet er nog meer gezegd: oude spoken verdwijnen kennelijk nooit helemaal. Ook al zegt Jan Marijnissen tegen Van Zomeren dat Monjé moest sterven opdat hij kon leven (wat ook waar is, de partij ging onder leiding van Marijnissen open, nadat Monjé was overleden), lastig feit blijft dat te veel partijleden zich – wellicht ongevraagd – gedragen als de beste jongens en meisjes van de klas (terecht merkt Van Zomeren op dat ‘we’ indertijd de mond vol hadden van een revolutie waarbij ‘we’ ons niets voor konden stellen, daarvoor waren ‘we’ simpelweg te braaf). Er is, bij alle verschil met vroeger, meer continuïteit. De SP gaat er, net als voorheen, fier op geen ‘kletscollege’ te zijn, geen woorden maar daden, luidt er nog altijd het parool (‘De SP doet het gewoon’, was lang een leus van de SP nieuwe stijl). Ook de ideologie ademt de geur van voorbije tijden. ‘Waarheid is datgene wat de vooruitgang dient’, zei Daan Monjé. ‘Wij denken hetzelfde, wij denken in ontwikkeling, Koos’, zegt Marijnissen tegen Van Zomeren tijdens een ontmoeting van twee oude kameraden.
Om in de geen tegenspraak duldende SP-speak van voorheen, dus in stijl, te eindigen: de partij dreigt in het mes te lopen van haar eigen geschiedenis die ze gelooft volledig overwonnen te hebben. Het wordt tijd dat ze kennis neemt van haar eigen verleden, ter lering en ter vermaak.

KOOS VAN ZOMEREN
DIE STAD, DAT JAAR: ROMAN MET AANTEKENINGEN
De Arbeiderspers, 352 blz., € 19,95