Economie

Oude vragen

In de economie doet de wetenschapper zelden iets ‘voor het eerst’. Het zijn juist de oude vragen die telkens opnieuw gesteld moeten worden.

‘Wat heb je nu eigenlijk ontdekt?’, wordt mij regelmatig gevraagd als ik mijn onderzoek uitleg. De vraagsteller komt vaak uit de bèta-hoek. Hij wil iets horen dat erg lijkt op een nieuw enzym of een nieuw gen dat ik ontdekte, maar dan in de economie – en bovendien dat ik de eerste was die dat deed, anders is er geen claim to fame. Helaas. In de economie doe je bijna nooit iets als eerste. Wie dat wél denkt, heeft meestal te weinig gelezen.

De druk om je te conformeren aan het natuurwetenschappelijk model is er intussen wel. Zo is er nu een subdiscipline neuro-economie, in navolging van de algemene breinfascinatie. Nog recenter is de microbiota-economie: je darmflora bepaalt je keuzegedrag.

Allemaal reuzespannend voor wie ervan houdt, maar sommige oude vragen worden in dit geweld wel eens vergeten. Neem productiviteit. Gaat een werknemer die eerst twintig tafels per dag produceerde er nu dertig maken, dan is de hoeveelheid output per eenheid input, en dus de arbeidsproductiviteit, met de helft toegenomen. Geen nieuw concept: Adam Smith schreef er al over. Maar over welk soort output hebben we het eigenlijk? Is alles wat gemaakt en aangeboden wordt resultaat van productieve processen?

Datgene waar je geen concepten voor hebt, bestaat niet

Adam Smith had daar een duidelijke opvatting over: alleen wie goederen produceert is productief. Priesters, rechters en lakeien bijvoorbeeld zijn dat niet. Dus ook goochelaars, schoenpoetsers, rechters, consultants, ja zelfs verzekeraars en bankiers – we houden blijkbaar van hun diensten want ze verdienen er goed aan, maar even goede vrienden: iets zelf produceren doen ze niet. Zij kunnen leven van hun werk alleen omdat anderen productief genoeg zijn om in hun eten, kleding en andere behoeften te voorzien. Zo dachten de klassieke economen.

De huidige neoklassieke economen hebben het productiviteitsbegrip opgerekt. Als iets bedacht of gemaakt en dan verkocht wordt, is het dus geproduceerd. En wordt er meer van verkocht met dezelfde inputs, dan is dus de productiviteit gestegen. Waar die gedachte toe kan leiden maakte ik onlangs nog mee bij een voordracht waarin de geweldige stijging van de productiviteit van banken tot 2007 besproken werd. Die productiviteit werd gemeten als leningen (de output) gedeeld door de uren van de medewerkers (de input). Schiet het eerste door het dak maar het tweede niet, dan meten neoklassieke economen dus met droge ogen dat de productiviteit toeneemt. Einde verhaal. Dat we hier een schuldenbubbel en geen productiviteitsgroei zien is een ander verhaal. Dat past niet in het neoklassieke productiviteitsdiscours en werd dus eerst vergeten en daarna (na een vraag) ontkend. Dat is de kracht van retoriek: datgene waar je geen concepten voor hebt, bestaat niet.

Buiten de opgeruimde biotoop van de neoklassieke econoom, in de echte wereld, blijft echter de vraag: krijg je door de groei van de financiële sector meer toegevoegde waarde, en dus een groter bruto binnenlands product? Of: hoe groot zou onze economie zijn, zonder de twijfelachtige toevoeging van het bankiers-bbp (en dat van andere financiële dienstverleners)? Jacob Assa, statistisch medewerker bij de Verenigde Naties in New York, deed er een gooi naar. Hij construeerde een nieuw ‘reëel’ bbp, geschoond van de kwestieuze bijdrage van de ‘FIRE’ (finance, insurance and real estate) sector. Hou je vast. Zonder financiële sector zou de Nederlandse economie zeven procent kleiner zijn (en veertien procent als je ook de vastgoedsector wegneemt). De Britse, Amerikaanse, Ierse en Australische economieën verliezen iets in dezelfde orde van grootte. Zwitserland wordt gedecimeerd, Luxemburg verliest een kwart van het bbp. De meeste andere ontwikkelde economieën zouden zo’n drie tot vier procent kleiner zijn. Leuke weetjes, en nuttig ook. Want de volgende vraag is: werd dit ‘reële’ bbp nu groter of kleiner door de financiële expansie van de afgelopen decennia?

Assa zal veel kritiek over zich heen krijgen. Dat is juist goed: daardoor zullen belangrijke vragen weer gesteld worden. Is het niet nogal willekeurig om alleen financiële en niet andere diensten uit te sluiten? (Maar waarom dan ál die diensten als productief beschouwen?) Zijn bankiers en verzekeraars soms niet best nuttig? (Maar moeten we daarom pretenderen dat álles wat ze doen nuttig is?) Enzovoorts. Van zulk onderzoek komt de economie verder. Je hebt dan misschien geen breinkwab gelokaliseerd en geen darmbacterie bij de staart. Je hebt niets fundamenteel nieuws ontdekt. Je hebt alleen maar met oude ideeën en nieuwe cijfers nieuw licht op oude vragen geworpen. Veel mooier kan het in de economische wetenschap wat mij betreft niet worden.