Oude vrouw met vloerkleed op de rug

Eind september las dichteres Fleur Bourgonje voor op een poëziefestival in Sarajevo, in de jaren negentig doelwit van Servische agressie. Ruïnes, witte kruisen: wat vermag de poëzie?

In 1992, tijdens het beleg van Sarajevo, is het volgende beeld de wereld over gegaan: op de puinhopen van een straat waar op 27 mei om vier uur ’s middags een aantal granaten insloeg tussen mensen die in de rij stonden om brood te kopen, zit de cellist Vedran Smailoviç in ogenschijnlijk opperste concentratie Albinoni’s Adagio in G groot te spelen. Dat hij gemakkelijk doelwit is van Servische sluipschutters lijkt hem niet te deren. Hij speelt uit eerbetoon aan de 22 slachtoffers. 22 dagen achtereen biedt hij de belegerde stad met haar radeloze bevolking troost en schoonheid, stelt hij de moed en de moraal van de enkeling tegenover de zedeloosheid van een leger. Als hij al spelend door een kogel of granaat zou zijn getroffen, zou hij, vermoed ik, zijn strijkstok tot aan zijn dood hebben vastgehouden als was het zijn wapen. Het wapen van de weerloze: kunst, muziek.

Het zou kunnen dat het Poëziefestival, georganiseerd door het Italiaanse Casa della Poesia, uit dit beeld en deze gedachte is voortgekomen. Eind september was het de tiende keer dat een internationaal gezelschap van dichters naar Sarajevo reisde om de bevolking van de met kogels doorzeefde stad gedichten aan te bieden en naar in Bosnië ontstane gedichten te luisteren. Het was de finale, het sluitstuk van een cyclus, want de alom gehavende muren zijn of worden bepleisterd, het culturele leven bloeit op, de wederopbouw van de stad is in volle gang. Wat blijft zijn de ruïnes die dienst doen als monument, de hagelwitte graven tegen de heuvels, de sinistere vluchttunnel onder het vliegveld en even ondergronds het onverwoordbare trauma, de stille verbittering.

Wat vermag de poëzie?

Met die vraag als vrijwel enige bagage ging ik op weg naar het Kamerni Teatar. En, vroeg ik me ook af, is wat de poëzie vermag overal hetzelfde; hebben oorlog en vrede, armoe en welvaart, beschaving en barbarij daar invloed op? Eigenlijk wist ik het antwoord wel. Maar ik heb een aard die de twijfel niet schuwt en een levenservaring die zich heeft gevormd in verschillende culturen. Ik weet weinig echt en voorgoed zeker. Wat ik zeker meen te weten blijkt soms van even korte of lange duur als de omstandigheden waarin de zekerheid is ontstaan. Maar er was op de eerste avond geen tijd voor het koesteren van vragen. In een zaal met zwarte wanden barstte de poëzie simultaan in drie talen los: de dichters droegen voor in hun moedertaal terwijl op een scherm de vertalingen in het Servisch en Italiaans werden geprojecteerd en vier achtergrondmuzikanten hun muziek zo nu en dan ongeremd naar de voorgrond stuurden om de taal te ondersteunen. Ik hield al snel mijn hart vast. Ik dacht aan mijn eigen gedichten die geen saxofoon zouden verdragen en niet op konden of wilden tegen trom en tamboerijn. Maar het woord was aan de Amerikanen, die hadden geen moeite met het opgelegd krijgen van accenten en de toonzetting van hun pleidooi voor een wereld zonder geweld, zonder kindsoldaten, zonder zich verrijkende bankiers en wapenhandelaars. Ze hadden geschoolde, dramatische stemmen waarmee ze als rechtgeaarde volgelingen van Allen Ginsberg en zijn Howl het universele onrecht te lijf gingen, dus ook de belegering van Sarajevo en de genocide van Srebrenica. Luid applaus. De Engelse dichter bracht rust en ook de Italiaan hield het bij het min of meer alledaagse, het gewone. Maar de Chileense bracht met een herinnering aan de staatsgreep en Salvador Allende opnieuw de gemoederen in beroering: om mij heen werd gehuild en ‘bravo!’ geroepen.

Ons hotel heet Astra. Het bevindt zich op een steenworp afstand van de plek waar op 28 juni 1914 de Habsburgse troonopvolger Frans Ferdinand en zijn vrouw Sophia door Gavrilo Princip werden doodgeschoten. Dat schot werd het startschot voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Sinds mijn schooljaren heb ik in mijn hoofd een plaatje gehad van die fatale gebeurtenis: een grote brug over de Miljacka, een ratelende koets getrokken door op z’n minst vier paarden, een mensenmenigte waaruit zich een dwaas of fanaat losmaakt zoals we dat regelmatig dwazen en fanaten zien doen. Maar nee, de brug is klein, de rivier smal, even smal als de straat waar de menigte te hoop liep, maar groot was het netwerk van de terroristen die de aanslag pleegden op het vorstenpaar dat niet in een koets maar in een open auto rondtoerde. Ik ben een paar keer op de plek des onheils gaan staan, bij mezelf herhalend: hier, op deze paar vierkante meter, brak een van de meest gruwelijke oorlogen uit. De eerste keer lag er op die plek een, dacht ik, slapende hond, een dag later poseerde er een bruidspaar voor een fotograaf terwijl dezelfde hond, een beetje opgeschoven en dood, op de vuilniskar wachtte. Aan de overkant van de rivier wordt een armetierige draaimolen telkens nieuw leven ingeblazen door een man met een soort stopcontact in zijn hand; als hij op een knop drukt begint het rad met paardjes en uitgeholde reuzenpompoenen te draaien, als hij geen zin heeft gebeurt er niets. Verderop is een terras waar de vaders ondertussen bier drinken uit een glas waarin een goudvis zich thuis zou voelen. Weer verderop een nieuwe moskee waar, vanaf de minaret, de oproep tot gebed klinkt.

Wat vermag dan de poëzie?

Op de tweede avond was ik aan de beurt en ik wist het antwoord niet. Hoewel ik begon te schrijven in Zuid-Amerikaanse landen waar in die jaren de bevolking geterroriseerd werd door de machthebbers, heb ik geprobeerd het domein van de kunst en dus ook van de poëzie gescheiden te zien van het domein van religie, wetenschap en politiek. Het werd me niet altijd gemakkelijk gemaakt, ik twijfelde. Pablo Neruda heb ik in het grootste stadion van Chili kort voor de staatsgreep van Pinochet niet zijn melancholieke liefdesgedichten maar de pathetische ode aan zijn continent, Canto General, horen declameren; het publiek juichte. De Argentijnse dichter Juan Gelman heb ik gedichten zien voordragen die hij schreef nadat zijn zoon en schoondochter samen met zoveel andere jongelui door doodseskaders werden vermoord en ik raakte ontroerd van de doodse stilte erna.

Toen de Uruguayaan-in-ballingschap Mario Benedetti in het stadion van Medellín voorlas, bleek het publiek zijn gedichten over verzet, hoop en solidariteit uit het hoofd te kennen: de teksten gonsden het hele stadion door. Volgens Primo Levi hadden de gevangenen in het concentratiekamp het meest aan poëzie die ze uit hun hoofd konden leren, gedichten met een duidelijk rijm en ritme en een boodschap die hen als een toegeworpen touwladder redde van wanhoop en apathie.

Ik las een tekst voor over een oude vrouw die met haar enige bezit, een op haar rug gebonden vloerkleed, voor een niet benoemde oorlog uit vlucht, steeds verder van haar vertrouwde omgeving vandaan, tot ze ten slotte onder haar last bezwijkt.

Luid applaus. Daarna zes meer ingetogen, minder direct te herleiden, ‘belangelozer’ gedichten. Kalm applaus. Na mij kwam een Syrische dichteres, daarna een Griek, een Bosniër, en tot slot een Spanjaard. De bijval van het publiek – jong en oud, iedereen heeft de belegering van de stad meegemaakt – bewoog op het ritme van het maatschappelijke engagement, het begaan zijn met het lot van vervolgden en onderdrukten, en met verzet.

Aan de overkant van de straat is een reisbureau: Insider. In de vrije uren ben ik er al een paar keer binnengestapt. De eigenaar wil me een trip aansmeren. Mostar? Dubrovnik? Stadswandeling? Of ben ik er zo een die naar Srebrenica en het kerkhof van Potocari wil? Zestig euro. Of de tunnel onder de landingsbaan van het vliegveld, de geheime aanvoerroute voor de hulpgoederen, tegelijkertijd geheime vluchtgang voor mensen die de belegerde stad wilden verlaten? Twaalf euro. Of wellicht een tour naar de meest verwoeste wijk, naar de intact gelaten ruïnes van hele woonblokken? 25 euro, mevrouw.

Ik wil nu niets zien. Van de belegering die van 1992 tot 1995 duurde – naar schatting vijftienduizend doden waaronder duizenden kinderen, daarnaast 56.000 gewonden – hebben zich genoeg beelden in mijn geheugen gegrift. Over de vluchttunnel heb ik een documentaire gezien die zo beklemmend was dat ik de tv uit moest zetten. Wat in Srebrenica gebeurde weet ik van ooggetuigenverslagen en uit kranten; het Joegoslavië-tribunaal brengt nu hopelijk de ware toedracht aan het licht. Nee, ik hoef niets meer te zien. Maar aan de mensen die deze dagen om mij heen zijn vraag ik zo nu en dan: ‘Wat is jullie mening over Srebrenica? Over Dutchbat?’ en na een korte aarzeling krijg ik als antwoord: ‘Het waren jonge jongens, die soldaten. Wisten zij veel. Ze gehoorzaamden aan bevelen: wapens neerleggen, terugtrekken. Het was de lafheid van de legerleiding en de politici. Het was de schurkachtigheid die bij elke oorlog hoort.’

Wat vermag de poëzie, waar, en waarom?

Op de laatste avond van het festival kreeg een Turkse dichteres in het opnieuw uitverkochte theater als eerste het woord. Ze las ingehouden, bijna streng; uit de Italiaanse vertaling begreep ik dat haar gedichten niet over onderdrukking en verzet gingen, maar over wat sluimert in de krochten van een ziel. Ik was onder de indruk van haar voordracht. Naast me werd gefluisterd: ‘Zíj heeft geen retoriek nodig, she is a real poet’, maar dat bleek niet uit de reacties. Daarna klonk wel bravogeroep voor de door de muziek opgezweepte aanklacht van een Amerikaan tegen de politiek van zijn land in andere landen van de wereld: Vietnam, Chili, Irak, Afghanistan. Hij noemde de goeden en kwaden bij naam, sloeg met zijn stem de maat van het applaus. Als laatste trad een dichter uit Zagreb op. Zijn teksten waren humoristisch hoewel ze over trieste zaken gingen. Zijn voordracht straalde ironie uit, het slotakkoord was geen klarinetstoot maar een uitbundige lach. Daarmee werd hij, leek het, de lieveling van het publiek. Hij werd omhelsd.

We worden meegenomen, een heuvel op, naar de taqia – plek van scholing en bezinning – van een soefi-gemeenschap. Barrevoets lopen we door de gewijde ruimtes. We mogen niet aanwezig zijn bij de rituelen: het herhalen van een in trance brengende mantra en de derwisj-dans. Wat we over ons uitgestort krijgen is een les over de vergeving van zonden, onthechting aan het aardse, het kosmische contact met God.

Wat vermag hier in hemelsnaam de poëzie?

Ik weet het niet. Ik ben geen theoretica, in discussies over taal blijf ik vaak sprakeloos. Ik luister, lees en schrijf, dat is alles. Maar wat ik vermoed is dat in welk geteisterd land ook een bijna schreeuwende behoefte aan herkenning en troost geleidelijk dempt en overgaat in de onuitgesproken vraag naar delicatere, minder eenduidige beelden; dat wanneer woede en verdriet verstillen, ook de taal verstilt; dat klank en ritme waarin nog het geratel van geweren doorklinkt worden vervangen door – of vermengd met – klank en ritme die niet de maatschappij maar de dichter eigen, hoogsteigen zijn. En juist daarom verrijken. Verruimen. Bevrijden misschien.


Van Fleur Bourgonje verscheen onlangs bij De Arbeiderspers de dichtbundel De lichtstraat