Kokoschka

Oude wilden

Tien jaar lang moet Oskar Kokoschka (1886-1980) de tijd van zijn leven hebben gehad. Hij was net afgestudeerd aan de Weense Kunstgewerbeschule toen hij Adolf Loos leerde kennen, de grote modernist. Loos introduceerde hem in hippe intellectuele kringen. Hij liet zijn vrienden door Kokoschka portretteren, en als ze ’t niet mooi vonden, kocht hij de doeken zelf.

Medium kunst 14

Dat gebeurde meer dan eens, want Kokoschka schilderde woest en nietsontziend, gefascineerd door ‘het aura van de mens in de ruimte’ en niet diens gewone voorkomen. Veel van Loos’ vrienden kwamen er bekaaid vanaf, gereduceerd tot krampachtige kobolden, kaal en/of scheel, met verwrongen handen, in donkergroene decors, maar kennelijk had Kokoschka daarmee een ingang naar hun geestelijke persona gevonden, net als Freud. Dat was de Zeitgeist, en dus steeg zijn ster.

In 1913 ontmoette Kokoschka de weduwe Mahler, waar hij een heftige en nogal bizarre relatie mee begon. Alma schreef: ‘Nooit tevoren heb ik zoveel kramp, zoveel hel, zoveel paradijs mogen smaken.’ Toen werd het oorlog en daarin werd Kokoschka voor zijn kop geschoten. Hij herstelde, maar Alma dumpte hem voor Gropius, en de wereld – en de kunst – zou nooit meer helemaal hetzelfde zijn.

In de zeer verzorgde tentoonstelling in Rotterdam is een opmerkelijk interview te zien dat de kunstenaar in 1966 voor de Duitse televisie gaf. Hij is dan een vriendelijke reus van tachtig. Hij spreekt met emotie over worsteling en werk en over Alma, over hoe hij in de jaren dertig op drift raakte, in Londen verzeilde, armoede kende, maar ook hoe hij in de jaren veertig en vijftig in Oostenrijk iets van de artistieke dynamiek probeerde te herstellen. Het opvallende is natuurlijk dat Kokoschka – anders dan Picasso – zijn hele leven het intense expressionisme van dat eerste decennium trouw was gebleven. Dat ís niet een stijl die je makkelijk je hele leven in lichterlaaie kunt houden. Jonge wilden zijn er plenty, maar oude wilden?

Van de werken in Rotterdam vond ik vooral die uit het eerste decennium van de twintigste eeuw fascinerend, en af en toe werkelijk groots. Kokoschka is in die jaren een geweldige schilder. Hij bouwt met verf op en breekt tegelijkertijd af, hij geeft zorgvuldig vorm en laat die vorm dan onmiddellijk in de steek, schildert er dun overheen, zet je op het verkeerde been, alles ten dienste van zinderende, avontuurlijke onzekerheid, graaiend naar dát wat van binnen rondwaart. Bij sommige portretten werkt dat geweldig; het is zelfs fenomenaal in zijn zelfportret uit 1913 uit het moma, in groen, grijs, zwart en rood, de extra smalle grote kop met zware kaak en gesperde ogen: een jonge Titiaan, hypernerveus.


. Museum [Boijmans Van Beuningen, Rotterdam](boijmans.nl%20), t/m 19 januari.(lees ook het artikel van Cyrille Offermans over Kokoschka)

Beeld: Thomas Hackl/ Collectie Nordico Stadtmuseum / Fondation Oskar Kokoschka, Vevey / 2013, Prolitteris