‘oudeman bier, ja?’

Zestien jaar geleden had ik een Vietnamese buurman. Phu Phân behoorde tot de zogenaamde bootvluchtelingen, dat wil zeggen Vietnamezen die met bootjes en vlotten het communistische regime in hun land ontvluchtten. Phu had in het voormalige Zuid-Vietnam een eigen garagebedrijf gehad. Met vier kinderen en een schoonzoon was hij gevlucht; zijn vrouw en nog drie andere kinderen had hij achter moeten laten. Soms vertelde hij in steenkolen-Engels over de ontberingen van de reis, over zijn gehalveerde gezin en over de welstand waarin hij vroeger had geleefd. Phu’s mond bleef dan altijd glimlachen, maar zijn ogen werden vochtig. Hij had veel last van hoofdpijn en sliep nauwelijks.

Het ‘integreren’ ging Phu moeilijk af. Vooral de Nederlandse taal kreeg hij maar niet onder de knie. Terwijl zijn kinderen al een aardig mondje Hollands brabbelden, brak Phun het zweet uit wanneer je hem in het flatportaal staande hield voor een praatje. Het beperkte vocabulaire dat hij machtig was, verhaspelde hij meestal: van het woord 'vrouw’ maakte hij 'brouw’, en 'allemaal’ werd 'oudeman’. Om de verwarring die hij hiermee stichtte - 'Oudeman bier, ja? Jouw brouw ook?’ - moest hij zelf ook vaak lachen, maar Phun voelde heel goed aan dat de toekomst in Nederland vooral aan zijn kinderen was. Aan zijn dertienjarige zoon Hung bijvoorbeeld, die mijn collectie Pim Pandoers verslond en daardoor vermoedelijk de eerste Vietnamees was die Bas Baanders’ verwensing 'Grietjansammernappels!’ kende.
Een paar jaar geleden kwam ik Phu’s zoon Hung tegen op een winterse zaterdagmiddag in de binnenstad van Nijmegen. Hij stond samen met een paar andere Vietnamezen in zo'n kraampje waar je Aziatische lekkernijen kunt kopen. We hadden elkaar ruim tien jaar niet meer gezien. Trots vertelde hij dat hij inmiddels op de heao zat en als bewijs toonde hij een economieboek waarin hij, tussen het bakken en verkopen van de loempiaatjes door, ijverig studeerde. Met zijn vader ging het goed, al had hij nog steeds geen werk. Toen we hartelijk afscheid hadden genomen, holde hij me achterna met een grote zak loempia’s die hij met een grijnzend 'Grietjansammernappels!’ overhandigde.
Ik moest aan Hung en zijn vader Phu denken toen ik vorige week wat gemengde kranteberichten las over de integratie van allochtonen. Een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau bracht goed en slecht nieuws over minderheden. Er dreigt een tweedeling onder de Nederlandse migranten te ontstaan. Er is een groeiend kansrijk deel, bestaande uit vooral Surinamers en Antillianen/ Arubanen, dat behoorlijk is opgeleid en goed Nederlands spreekt. Daarentegen zijn Turken en Marokkanen er nauwelijks op vooruitgegaan. Vooral voor de oudere, langdurig werkloze Turkse en Marokkaanse mannen ziet de toekomst er steeds somberder uit. Ze zijn laag opgeleid en beheersen het Nederlands slecht. Opmerkelijk is echter de demarrage van Marokkaanse meisjes: die moeten, in tegenstelling tot hun macho broertjes, ’s avonds thuisblijven en maken dus ijverig hun huiswerk. En als ze gaan studeren, ontlopen ze daarmee ook nog een gedwongen huwelijk.
Een ander rapport, dat ook vorige week verscheen, constateerde dat allochtone kinderen bezig zijn hun achterstand op school in te lopen. Opnieuw zijn het de meisjes die het ’t best doen: ditmaal Surinaamse meisjes. Hoewel staatssecretaris Netelenbos zich blij met dit resultaat toonde, bevatte het rapport ook een kritiek op het fusiebeleid waartoe de overheid scholen al jaren dwingt: allochtone kinderen doen het beter op kleine scholen (welke kinderen trouwens niet?). En een andere, meer verborgen kritiek op de politiek viel te lezen in het SCP-rapport: de arbeidsparticipatie van allochtonen is nauwelijks bevorderd door het overheidsbeleid. Degenen die een baan hebben, waren er zonder dat beleid ook wel gekomen.
Wat uit dit alles geconcludeerd zou kunnen worden, is dat het succes van allochtonen ook in hoge mate van henzelf afhangt. En die conclusie staat haaks op de stelling die minderhedenprofessor Rinus Penninx nog enkele weken geleden in dit blad verkondigde: 'Of bepaalde groepen allochtonen het in een samenleving redden, hangt niet zozeer af van de allochtonen, maar van de houding van de betreffende samenleving.’ Eigenlijk vind ik dat een zeer neerbuigende gedachte. Maar misschien moet je zulke dingen wel zeggen als je al twintig jaar 'in minderheden doet’, of zoals Jan Willem Duyvendak hoogleraar bent in de 'multiculturele samenlevingsopbouw’. Persoonlijk zou ik liever Hema-worsten in Vietnam verkopen, maar goed, ieder zijn vak.
Onlangs moest ik van mijn werkgever een vragenformulier invullen. De hamvraag luidde of bij mijn vader en moeder Neêrlands of uitheemsch bloed door d'adren had gevloeid. Dit in het kader van de Wet-Beaa (bevordering evenredige arbeidsdeelname allochtonen). Uit schaamte voor mijn twee blanke, autochtone ouders heb ik het formulier niet ingevuld. En behalve de mevrouw die de toiletten poetst, werken er geen allochtonen bij ons.
Wanneer Hung over een paar jaar hoogleraar economie is, heeft hij dat niet aan de Wet-Beaa of aan die positieve-discriminatieflauwekul te danken, maar uitsluitend aan zichzelf. Op zo'n jongen kan zijn vader trots zijn. Inderdaad: oudeman bier, ja!