Ouderwets graaien naar afrika

‘De mouwen opgestroopt!’ riep Joseph Désiré Mobutu toen hij in 1965 de macht greep in Zaïre. Hij werd begroet als een authentieke zwarte leider die zijn postkoloniale veelvolkerenstaat op eigen kracht buiten het sovjetkamp hield en opstuwde in de vaart der ontwikkelingslanden. In werkelijkheid waren het westerse mijnbouwfirma’s, militaire adviseurs en wapenhandelaren die Mobutus mouwen en op den duur ook zijn broek ophielden.

Het hoog oplaaiende grensconflict met Ruanda is een nieuwe fase in de desintegratie van Zaïre die onder zijn regime in gang is gezet en waarschijnlijk eindigt met de opdeling van het land. De rijkste natie van Midden-Afrika bleef weliswaar het ‘reëel bestaande socialisme’ bespaard, schrijft de historicus Basil Davidson, maar het 'reëel bestaande kapitalisme’ van Mobutu bracht de bevolking tot de bedelstaf. Een land, zo groot als West-Europa minus Scandinavië, kan niet eeuwig teren op de export van koper, kobalt en industriediamanten, zeker niet als de elite die export gebruikt om haar Zwitserse bankrekeningen te spekken. De laatste jaren trok Mobutu steeds vaker de etnische kaart om het land te verdelen en zodoende te kunnen blijven heersen. Hulpverleners constateerden dat de middelpuntvliedende krachten steeds sterker werden - vooral door buitenlandse wapenleveranties - en dat het bindend vermogen van de traditionele netwerken afnam. Maar zolang de opbrengst van de mijnbouw voldoende was om zijn clan en de strijdkrachten in stand te houden, was er geen reden om boeren, vrouwen en coöperaties te steunen bij hun pogingen tot economische en sociale ontwikkeling. Nu is het land leeggeplunderd en onbestuurbaar. Officieel is 95 procent van de bevolking werkloos. Bijna iedereen overleeft volgens het système D ofte wel 'Débrouillez-vous!’ ('Zoek het zelf maar uit!’).
Hele volken en provincies volgen dit devies. Zo ook de Banyamulenge, die met steun van Ruanda de wapens hebben opgenomen. Door de grensgevechten zijn meer dan een miljoen mensen op de vlucht geslagen. Als hongerige Zaïrese of wraak beluste Ruandese troepen zich van de vluchtelingen en hun laatste voorraden meester maken, is de ellende niet te overzien, maar behalve de hulpverleners maakt niemand zich daar werkelijk druk om. Mobutu is stervende aan prostaatkanker, zijn ministers hebben het te druk met het smokkelen van kobalt en het in zijn eer aangetaste Zaïrese leger wil alleen maar wraak nemen op Ruanda. De Europese Unie acht een humanitaire interventie onmogelijk, de Verenigde Staten wachten op een 'initiatief’ van het Rode Kruis en de Veiligheidsraad put zich uit in bezorgde verklaringen.
Alleen voor de strategisch belangrijke grondstoffen komt het 'wereldgeweten’ in het geweer. Frankrijk wil samen met België en Zuid-Afrika een interventie op touw zetten, terwijl Washington een interventiemacht van louter Engelstalige Afrikaanse soldaten wil samenstellen. Voor het geval Zaïre uiteenvalt of grondstoffenrijke provincies als Kasaï of Katanga zich afsplitsen, willen ze hun invloed alvast veiligstellen. Het kolonialisme mag dan dood zijn, de scramble for Africa gaat onverminderd door.