öcalanistan

‘EEN EERLIJK proces voor een Koerd in Turkije is net zoiets als een eerlijk proces voor een jood in nazi-Duitsland’, zegt Kani Xulam, voorzitter van het American Kurdish Information Network (Akin) in Washington. De overdrijving is hem vergeven, want hij heeft alle reden om woedend te zijn. De ontvoering van Abdullah Öcalan door Turkse commando’s stelt Ankara in de gelegenheid een showproces rond de Koerdische leider te organiseren. Zijn buitenlandse advocaten worden geweerd. Turkse advocaten die zijn verdediging op zich zouden kunnen nemen, zitten in de gevangenis op grond van aanklachten die strijdig zijn met elementaire rechtsnormen. Als er niet snel een advocaat beschikbaar is, zal de Turkse staat hem er een toewijzen.

Uiteindelijk wil Ankara zijn verantwoordelijkheid voor de jarenlange burgeroorlog in het Koerdische zuidoosten van het land in de schoenen van de PKK schuiven. Het is echter de vraag hoe dit zal uitpakken. De regering-Ecevit hoopt op een ineenstorting van de hele Turks-Koerdische beweging, maar misschien resulteert een showproces tegen Öcalan juist in een solidarisering van de negen miljoen Turkse Koerden en een hernieuwde samenwerking met hun vijftien miljoen volksgenoten in de buurlanden Irak, Iran, Syrië en Armenië. Xulam benadrukt dat de PKK al enige jaren bezig was een ‘normale’ beweging te worden, niet langer gefixeerd op een onafhankelijk Koerdistan, maar bereid om te praten over beperkte Koerdische autonomie binnen Turkije. Die bereidheid lijkt nu bij alle Koerden de bodem ingeslagen. ÖCALAN WIST dat hij vroeg of laat voor de rechter moest verschijnen, maar hij wilde de gelegenheid aangrijpen om de Koerdische strijd in politiek vaarwater te leiden. Tijdens zijn vlucht van de afgelopen maanden vroeg hij onophoudelijk om een proces in een West-Europees land of voor een internationaal strafhof. 'Hij heeft zeker terreur en moorden op zijn geweten maar hij, en met hem alle Koerden die zijn beweging voorheen nooit hebben gesteund, eisen erkenning van de omstandigheden waaronder die werden gepleegd’, zegt Xulam. 'Ze eisen een politiek proces. Helaas wilde geen enkel Europees land hierop ingaan, ook uw land niet. Het is volkomen hypocriet van de Europese Unie om te verlangen dat hij een eerlijke kans krijgt voor de Turkse rechter.’ Eigenlijk was Öcalan al veroordeeld vóór zijn gevangenneming in Nairobi. Zijn beweging, de Koerdische Arbeiderspartij (PKK), is in een aantal westerse landen verboden. De officiële reden is het vermoeden dat de PKK zich schuldig maakt aan systematische afpersing en liquidaties. De aanwijzingen hiervoor zijn echter mager en hoewel Koerden net als alle volken overvallen, moorden en chantage bedrijven, wordt vaak te snel de conclusie getrokken dat de PKK erachter zit. De systematische criminaliteit van de PKK is een Turks propaganda-thema dat helaas is overgenomen door veel Europese politici en veiligheidsdiensten. En hoezeer PKK-leden zich ook mogen hebben misdragen, het is helemaal niet zeker dat Öcalan hiervoor altijd verantwoordelijk was. Hij stond echter op de lijst van internationale terroristen van het State Department. Voor de Turkse veiligheidsdienst MIT en haar jongste bondgenoot, de Mossad, was dat een vrijbrief om herhaalde aanslagen op zijn leven te plegen. 'Eigenlijk wilde Turkije helemaal geen proces, het wilde Öcalan gewoon vermoorden’, zegt dr. Vera Beaudin Saeedpour, leidster van het Onderzoekscentrum van de Koerdische Bibliotheek in Brooklyn, New York. 'Toen ze hem uit Syrië hadden verdreven, wilden ze voorkomen dat hij zijn proces zou krijgen in een democratisch land, want dan zouden zowel de smerige Turkse oorlog tegen de Koerden als de Amerikaanse medeplichtigheid aan die oorlog breed worden uitgemeten. Dat is de ware reden voor zijn ontvoering.’ NAAR HET SCHIJNT was Washington inderdaad van begin af aan betrokken bij de jacht op Öcalan. Op 9 oktober vorig jaar werd hij verdreven uit Syrië, dat hem sinds 1980 onderdak had geboden. Terwijl Turkije dreigde met oorlog als Damascus hem niet uitwees, oefenden de Amerikanen achter de schermen druk uit. Toen Syrië hem ten slotte op het vliegtuig had gezet, werkten Amerikaanse diplomaten en agenten met hun Turkse collega’s samen om Öcalan elke vluchthaven te ontzeggen, zo onthulde een Amerikaanse functionaris in The New York Times. Duitsland, Italië, Nederland en Griekenland werden onder druk gezet om hem niet op te nemen. Uiteindelijk parkeerden de Grieken hem, in afwachting van zijn opname door een Afrikaans land, in hun ambassade in Nairobi. Nairobi is het Afrikaanse zenuwcentrum van CIA en Mossad, en dankzij de medewerking van de Keniase politie, die in strijd met het volkenrecht dreigde de Griekse ambassade te bestormen, was Öcalans gevangenneming een fluitje van een cent. Vervolgens ontspon zich een pr-actie waarop de experts nog jaren zullen studeren. De westerse media lieten zich hiervoor gewillig misbruiken, waarbij CNN de trend zette. 'De Koerdische rebellenleider is opgepakt en wordt overgebracht naar een streng bewaakte gevangenis van de Turkse staatsveiligheid’, meldde Atlanta die eerste avond op een toon alsof Öcalan zojuist de president vermoord had. De regie van het aansluitende spektakelstuk was geniaal. We zagen een trotse premier Ecevit die verklaarde dat hij verheugd was over de vangst van deze 'misdadiger’ die 'in de laatste veertien jaar dertigduizend doden op zijn geweten’ had. Xulam mocht als Koerdische woordvoerder in de Verenigde Staten een paar vragen beantwoorden. 'Daarna werd ik weggeschoven om nooit meer in beeld te komen’, aldus Xulam. 'Het was Ecevit voor en Ecevit na.’ In navolging van CNN toonden alle journaals in de wereld vervolgens het videofilmpje van het Turkse leger waarop te zien was hoe de versufte en mogelijk platgespoten Öcalan in het vliegtuig door zijn bewakers werd getreiterd ('Je bent zeker wel blij dat je naar je land terug mag?’). Het filmpje was speciaal vervaardigd en doorgestuurd naar Atlanta en andere tv-stations om rond de klok te worden uitgezonden en Koerden in de hele wereld woedend te maken. Geen enkele redactie waarschuwde de kijkers voor dit opzetje, al is het de vraag of het iets had uitgemaakt. In meer dan twintig landen ondernamen Koerden wraakacties waardoor ze in de ogen van velen hun verblijfsrecht verspeelden. Het werd een week van bezette ambassades, chargerende ordetroepen en menselijke fakkels, afgewisseld met statements van geschokte burgemeesters, scheldende winkeliers en uit hun bed gebelde ministers. 'KURDEN-KRIEG in Deutschland’ kopte Der Spiegel, terwijl het Türken-Krieg had moeten zijn. Tenslotte zijn het de Turken die het 'Koerden-probleem’ sinds jaar en dag naar Europa exporteren, niet de Koerden zelf. De Duitse overheid voerde sinds 1995 nota bene overleg met de PKK met het oog op een normalisering van de beweging, maar de bestormingen en gijzelingen veroorzaakten ogenblikkelijk de oude reflex bij gezagsdragers en het grote publiek. Kanselier Schröder drong aan op massadeportaties en ook zijn minister van Binnenlandse Zaken Otto Schily (ooit advocaat van de Rote Armee Fraktion) toonde zich een voorstander van totale repressie. In de meeste Europese landen was de reactie overeenkomstig. Intussen werden Koerdische actievoerders door Turkse, Amerikaanse en lokale veiligheidsmensen gefilmd en gefotografeerd zodat de Europese vertakkingen van de PKK des te beter in kaart konden worden gebracht. Ankara zegevierde op alle fronten. Intussen ging het Turkse leger de afgelopen week met door Navo-landen geleverde helikopters, pantserwagens en nachtkijkers wederom tekeer in de Koerdische gebieden in Zuidoost-Turkije en Noord-Irak. De aandacht van de media was nihil. De PKK heeft weliswaar eigen cameraploegen in het gebied, maar beschikt helaas niet over een hotline met Atlanta. De Turkse staat weert buitenlandse journalisten en de Turkse media zijn praktisch gelijkgeschakeld. Daarentegen kregen we plaatjes van zorgelijke staatslieden in Rambouillet, waar Kosovaren met de dreiging van Navo-bombardementen als ruggesteun onderhandelen over de toekomstige status van hun volk en provincie. 'Geen enkel land heeft het recht om zijn nationale minderheden te vertrappen’, zei mevrouw Albright achter een katheder, op hetzelfde moment dat het Turkse leger Koerdische dorpen in puin schoot. HET IS HET oude liedje, schreef de dramaturg en scenarioschrijver Harold Pinter in The Guardian: als Koerden in Irak of Iran wonen, noemen we hen vrijheidsstrijders. Wonen ze in Turkije, een Navo-bondgenoot, dan noemen we hen 'terroristen’. 'Telkens wanneer in de Britse pers de naam Öcalan valt, gaat hij vergezeld van het getal van “dertigduizend doden in veertien jaar.” De PKK heeft zeker gedood en heeft ook gruwelen bedreven, maar het leeuwendeel van deze dertigduizend doden komt voor rekening van het Turkse leger. Jarenlang heeft zich in Turkije iets afgespeeld waar we met onze neus bovenop stonden, maar we lezen er weinig over in de pers en onze regering zwijgt terwijl de handel met Turkije bloeit’, zo schreef Pinter. Er valt veel af te dingen op de beschuldigingen aan het adres van de PKK die zijn vervat in het dossier dat de Turken vorig jaar ter ondersteuning van hun uitleveringsverzoek naar Italië stuurden. Öcalan en de PKK zijn allerminst brandschoon, maar Ankara wil liefst al zijn eigen slachtoffers op hun rekening schrijven, met name de slachtoffers die vielen na de escalatie van de strijd in 1992. In dat jaar ontwikkelde de PKK een ongekende activiteit in de nasleep van de Golfoorlog. Omdat de Iraakse Koerden een eigen enclave in Noord-Irak kregen, kon de PKK vandaaruit direct Turkije binnenvallen. Ankara werd totaal verrast, niet alleen door de slagkracht van de PKK, maar ook door de populariteit van de beweging onder de Koerdische bevolking. De Turkse staat antwoordde met een hardheid die sinds zijn genocide op de Armeniërs niet meer was vertoond. Duizenden Koerdische dorpen werden platgebrand of 'geëvacueerd’, honderdduizenden inwoners namen de vlucht. Zelfs de Turkse minister voor Mensenrechten Köylüoglu sprak in 1994 van 'staatsterreur’, een term die hij onder druk van het leger weer moest intrekken. Bij de campagne werd gebruik gemaakt van het gehele repertoire van Amerikaanse counterinsurgency-technieken. De Turkse guerrillabestrijding dateert niet voor niets van 1952, het jaar waarin Turkije toetrad tot de Navo. Afdelingen van het Turkse leger werden sindsdien getraind door Amerikaanse experts in guerrillabestrijding. Het CIA-handboek Counterinsurgency Warfare: Theory and Practice (1964) van David Galula werd hiertoe in het Turks vertaald. Het handboek beschrijft technieken die de Verenigde Staten zelf in Vietnam, Afrika en Latijns-Amerika toepasten en die door Amerikaanse experts werden gedoceerd op de beruchte School of the Americas: marteling, sabotage, overvallen en psychologische oorlogvoering. Eén techniek was het aanwakkeren van geweld tussen Koerden en Koerdische groeperingen, waarvoor de PKK verantwoordelijk werd gesteld. Met name het systeem van Koerdische 'dorpswachters’, die namens het Turkse gezag op hun medeburgers moesten toezien, leidde tot grote onderlinge animositeit. Daarnaast pleegden Turkse eenheden moorden voor rekening van de PKK. 'Inderdaad is de strijd van de PKK nogal eens ontaard in moordpartijen’, zegt Saeedpour, 'wat wil je met zulke leermeesters?’ DE TURKSE praktijken zijn van binnenuit beschreven door Mickael Suphi, in 1967 in België geboren uit Turkse ouders. Suphi ging in 1987 naar Turkije om er zijn militaire dienstplicht te vervullen. Hij werd ingelijfd bij een marteleenheid, waaruit hij walgend deserteerde. Na een vlucht door Europa, achtervolgd door Turkse veiligheidsagenten, stelde hij zijn ervaringen te boek in Faraç: relaas uit de Turkse folterkamers (1994). Hij schrijft dat sinds 1984 een speciale afdeling van het leger belast is met de bestrijding van de Koerden, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen strijders en non-combattanten: 'Deze afdeling is omgeven door een waas van geheimzinnigheid. De leden zijn geen verantwoording schuldig aan de lokale politie. Soms dragen ze een uniform. Dikwijls treden ze gemaskerd op. Velen spreken Koerdisch en dragen de Koerdische kledij. En in tegenstelling tot gewone soldaten mogen de leden van deze speciale brigade lange haren, een baard of een snor dragen en zich kleden in jeans of andere burgerkledij.’ Een geval uit 1986, waarbij zo'n eenheid een minibusje met twaalf Koerdische inzittenden overhoop schoot en de schuld aan de PKK gaf, is ondanks hevige Turkse tegenwerking door mensenrechtenorganisaties tot op de bodem uitgezocht. Uiteraard is Ankara er alles aan gelegen om zulke bezwarende feiten te verdoezelen. Na de schok van de afgelopen week ziet Saeedpour echter ook bemoedigende signalen: 'De westerse landen leren nu door schade en schande dat ze iets moeten ondernemen tegen de Koerdische genocide, anders wreekt zich dat bij hen thuis. Maar ook de eenheid onder Koerden is geweldig toegenomen. De Iraakse Koerden, die lang tegen de PKK gekant waren, eisen nu een eerlijk proces voor Öcalan. Koerden in Iran demonstreren massaal met spandoeken waarop staat: “Öcalan, we steunen je.” In Turkije is de mobilisatie totaal. Koerdistan staat op de agenda en niemand kan er meer omheen.’