Ja, ja, decadentie, crisis

Ouwe rakker, nieuwe jas

The Great Gatsby heeft overal in de popcultuur zijn sporen achtergelaten. Maar dat wil nog niet zeggen dat het verhaal actueler is dan ooit, zoals alom wordt beweerd.

Een van de meest memorabele momenten in de nu al klassieke film Spring Breakers van Harmony Korine is een Gatsby-scène. De met diamanten geplamuurde gangsterrapper Alien raast in zijn blote bast door zijn slaapkamer terwijl hij zijn twee giechelende gasten – barely legal, in bikini op bed – zijn bezittingen toont:

This is the fuckin’ American dream. This is my fuckin’ dream, y’all!

All this sheeyit! Look at my sheeyit!

I got… I got SHORTS! Every fuckin’ color.

I got designer T-shirts!

I got gold bullets. Motherfuckin’ VAM-pires.

I got Scarface. On repeat. SCARFACE ON REPEAT. Constant, y’all!

I got Escape! Calvin Klein Escape! Mix it up with Calvin Klein Be. Smell nice? I SMELL NICE!

Met enige fantasie doet het denken aan de passage uit The Great Gatsby waarin de titelheld zijn liefde Daisy rondleidt door zijn landhuis, na haar jaren niet gezien te hebben. In de slaap­kamer opent hij zijn kasten, pakt een stapel van zijn peperdure overhemden, ‘puur linnen, dikke zijde, het fijnste flanel’, en gooit ze één voor één de lucht in, zodat ze de verrukte Daisy om de oren vliegen. Jay Gatsby mag dan schijnbaar meer gentleman zijn dan de obscene rapper, maar de taferelen hebben eenzelfde gekte, en eenzelfde decadentie. Boven beide scènes hangt een onheil, de val die we onvermijdelijk asso­ciëren met hoog vliegen, te dicht bij de zon. Bij Gatsby begint het buiten ineens te waaien, zodat de balkondeuren gesloten moeten worden. Bij Alien lijkt het er even op alsof de vuurwapens die als trofeeën aan zijn muren hangen tegen hem gebruikt zullen worden door zijn bezoek.

Alien is slechts een van de vele afstammelingen van F. Scott Fitzgeralds archetypische selfmade man die de Amerikaanse cultuur ons blijft voorschotelen. Denk aan Batman Bruce Wayne, exorbitant rijk en schimmig over zijn zelf gecreëerde dubbelrol; Tony Soprano, die zijn bourgeoisimperium, net als ‘bootlegger’ Gatsby, bekostigt met duistere zaken; en Mad Men’s Don Draper natuurlijk, wiens identiteit even artificieel is als de reclames die hij maakt. Het echte leven brengt bovendien ook nog steeds genoeg Amerikaanse dromers voort: zie alleen al de kandidaten van MTV Cribs, in hun kathedralen van ‘goede smaak’.

Heeft Nederland ook Gatsby’s? Onze literatuur, in elk geval, is dichter bevolkt met kneusjes en ongelovers. De Hollandse held is Frits van Egters, Maarten Koning, Inni Wintrop of Jörgen Hofmeester. James Gatz, zoals hij eigenlijk heet, belichaamt toch vooral een aspect van Amerika, waar de romankunst altijd meer interesse heeft getoond in grote rijkdom. Aan The Great Gatsby uit 1925 wordt dan ook gerefereerd, ondanks de bescheiden omvang, als The Great American Novel die, zoals Jonathan Franzen het eens formuleerde, ‘in vijftigduizend woorden de centrale fabel van Amerika vertelt’.

Dat de kernfiguur talloze malen is gereïncarneerd, geëvolueerd en gemuteerd in de populaire verbeelding moet het voor een filmer een ingewikkelde opgave maken om het origineel opnieuw leven in te blazen. Het is niet de eerste keer dat dat gebeurt; de roman werd vier keer eerder verfilmd (redelijk verdienstelijk in 1974 met Robert Redford en Mia Farrow). Vreemd is dat niet, want het boek smeekt om beeld en geluid: het bevat genoeg kleur, glamour en jazz om tien films mee te vullen. Toch blijft steeds de vraag of het wel mogelijk is om het fijnzinnige mysterie van Fitzgeralds pagina’s op het scherm te krijgen. Zo ook na het zien van de poging waarmee regisseur Baz Luhrmann vorige week het filmfestival van Cannes opende.

De Australische Luhrmann, die met zijn Red Curtain Trilogy – Strictly Ballroom, Romeo + Juliet en Moulin Rouge – blijk gaf van een voorliefde voor aan hysterie grenzende theatraliteit en epische romantiek, pakt met zijn Gatsby even groot uit als altijd. Groter zelfs, want we krijgen het bombast, de confetti, de champagne, de zijden overhemden, de charleston dansende benen, het hele geëxplodeerde kleurenpalet letterlijk op ons af geslingerd in spectaculair geschoten 3D.

Op één opmerkelijke keuze na (waarover later meer) is de vertelling trouw aan die van Fitzgerald. Het is het begin van de jaren twintig en verteller Nick Carraway (Tobey Maguire) verhuist van het kalme midwesten naar de roaring oostkust, waar hij een eenvoudig huisje betrekt in het villaland van Long Island. Wanneer hij zijn nicht Daisy (Carey Mulligan) en haar edelman Tom Buchanan bezoekt, rolt hij de wereld van de schathemelrijken in. Daisy blijkt jaren geleden betrekkingen te hebben gehad met Nicks buurman, de mysterieuze playboy Gatsby (Leonardo DiCaprio), die tout New York naar zijn extravagante tuinfeesten laat komen. Als Nick op een dag een feestuitnodiging ontvangt en naar Gatsby’s paleis komt, wordt hij ingezet om zijn gastheer weer te herenigen met Daisy, de jeugdliefde om wie het de grote Gatsby nog steeds allemaal te doen is. Langzaam ontdekt Nick ondertussen meer over het verleden van zijn nieuwe vriend, die zich uit bittere armoede blijkt te hebben opgericht.

De nadruk ligt waar Luhrmann hem steeds weer legt: op die epische, fatale romantiek, ook al staat die in dit geval voor meer dan alleen de liefde. Jay Gatsby is wat dat betreft zijn ideale personage: zijn fantasie kent geen beperkingen, hij heeft, in de woorden van Nick Carraway, ‘an extraordinary gift for hope, a romantic readyness such as I have never found in any other person’. Zijn Daisy, die mooi is en vrouwelijk en kwetsbaar, maar ook wel iets weg heeft van een pak blanke vla, idealiseert hij volkomen. Ook de verteller verbaast zich erover dat er nooit een moment lijkt waarop zij niet aan zijn dromen voldoet – ‘not through her own fault, but because of the colossal vitality of his illusion’ (hoe prachtig de taal van Fitzgerald).

Het kolossale vuur van zijn illusie, dat is waar Luhrmann mee heeft gewerkt. Hij heeft het zichtbaar en voelbaar willen maken en hij heeft daarbij geen middelen gespaard: gigantische choreografieën, pompende pophiphopjazzhouse-remixen, derde dimensie. De Rolls ­Royce’s rollen als Lamborghini’s, de pakken shinen als Prada, de billen bewegen als Beyoncé. Alles om een hedendaags publiek de droom van Gatsby zo intens mogelijk te laten ervaren. Ruimte voor veel meer is er niet. Die sensualiteit is natuurlijk verleidelijk, van tijd tot tijd zelfs verrukkelijk, zoals bijna elk kostuum, en bijna elke blik van Leonardo DiCaprio. Maar een groot deel van al dat vertoon zal toch vooral aanslaan bij dezelfde doelgroep die de akelig commerciële zaagbeat van de feestsoundtrack kan waarderen: middelbare scholieren. Nick Carraway zegt het in Fitzgeralds boek: ‘He invented just the sort of Jay Gatsby that a seventeen year old boy would be likely to invent, and to this conception he was faithful to the end.’

Luhrmann is zo trouw aan die puberfantasie dat hij – ondanks het prima spel van zijn ster­acteur – alle diepgang verliest. Dat zou niet zo erg zijn als het oppervlak blijft fascineren, maar te vaak storen de smakeloze softfocus-flashbacks, de paarsroze luchten en de regelrechte Barbie-huizen. De naïviteit van de droom was ook overgekomen zonder deze Disney-esthetiek.

Kitsch overheerst ook in de manier waarop is geprobeerd om het schrijverschap een plaats te geven. Luhrmann laat Nick Carraway zijn verhaal op doktersadvies opschrijven in een alcohol­ontwenningskliniek – waar ook ­Fitzgerald een tijd verbleef – en legt zo een niet oninteressante link tussen auteur en verteller. Maar dat we Nicks klassieke handschrift zo nu en dan, synchroon met de voice-over en faded door de paarse luchten, de woorden van het boek zien vormen, is onhebbelijk gezapig.

Dat Luhrmann de klassieker toegankelijk heeft willen maken voor een nieuwe generatie is eerbiedwaardig. En hij is er onmiskenbaar in geslaagd het verhaal aantrekkelijk te maken voor jonge kijkers. Maar de parallellen tussen de jazz age en onze eigen tijd, die in de meeste besprekingen zo gretig worden opgesomd – ja ja, decadentie, crisis, zelfconstructie – en waarmee de regisseur zijn timing verantwoordt, worden helaas nergens in zijn film echt intrigerend.

Dat heeft er wellicht ook mee te maken dat die parallellen eigenlijk zo intrigerend niet zijn. Gatsby, zoals Fitzgerald hem schiep, en zoals Luhrmann hem eigenlijk best goed begrepen heeft, boeit meer als archetype, als historisch figuur, dan dat we ons nu zo met hem identificeren. Lezen we niet keer op keer dat onze Zeitgeist zich kenmerkt door een behoefte aan authenticiteit, een groeiende afkeer van al te glimmende buitenkanten? Dat maak de originele Gatsby, met zijn spekgladde leven en zijn kinderlijke geloof in The American Dream, juist een nogal tegencultureel figuur. Meer van deze tijd zijn zijn gedegenereerde nazaten, die we niet vieren, maar wantrouwen. Alien van Spring Breakers en de pooiers van MTV Cribs lijken me betere graadmeters voor hoe we ‘gatsby­isme’ tegenwoordig vooral beschouwen: als schrijnend, ordinair of domweg lachwekkend. De romantische, tragische heroïek is versleten. Batman wordt met elke film duisterder, Don Draper met elke aflevering sneuer en cynischer.

Deze regie mist de diepere aansluiting bij het nu die ze beoogt. Eigentijdsheid hoeft uiteraard geen criterium te zijn; op goede periodefilms is niets tegen. Wat The Great Gatsby zijn eeuwige allure geeft is de kwaliteit van het drama en de perfecte inbedding daarvan in de jaren twintig. Juist dat gaat verloren in het popconcert van Luhrmann.

De ongemakkelijke positie van Daisy als vrouw, bijvoorbeeld (in het boek heel effectief geaccentueerd door de autonome Jordan Baker, die in de film een opvallend voorkomen heeft, maar niet meer wordt dan een bijfiguur) verdwijnt naar de achtergrond door het geweld van ­Gatsby’s fantasie, net als de subtiele klassenissues, het racisme van Tom Buchanan en de charme, de tolerantie en het uitzonderlijke observatie­vermogen van Nick Carraway, die door Tobey Maguire toch vooral tot een bewonderend lulletje wordt gemaakt.

Leonardo DiCaprio kan zich zijn mooie vel uit spelen, maar wat hij mist is context. Om je echt in de Gatsby van Fitzgerald te kunnen ­inleven moet je je óf serieus verplaatsen in het Amerika van de jaren twintig, óf zeventien jaar oud zijn. Baz Luhrmann ging uit van het laatste. In elk geval maakte hij een consequente keuze.


The Great Gatsby draait nu in de bioscoop. Lees ook de kroniek van Gawie Keyser over Gatsby