Over aids en apenieren

Aids komt van apen, zoveel lijkt zeker. Maar hoe kwam het bij de mensen? Door een haastige onderzoeker die levende apenieren gebruikte voor het maken van een poliovaccin? De medische wereld wil er niets van weten. Een geschiedenis van intimidaties, halve waarheden en gerommel met weefselmonsters.
DE ‘ENGELSE ZEEMAN’ die in 1959 als eerste aan aids zou zijn overleden, blijkt volgens recent onderzoek toch geen aids te hebben gehad. En blijkt overigens ook geen zeeman te zijn geweest. In Engeland was het groot voorpaginanieuws. De Nederlandse kranten volgden met een sober berichtje. Geen woord over de frauduleuze manipulaties met de stoffelijke resten van de ‘zeeman’. Kwam dat omdat hij het belangrijkste argument was tegen een voor de medische wetenschap zeer bedreigende hypothese over de oorsprong van aids?

Over de herkomst van het Human Immunodeficiency Virus (HIV) is een meerderheid van de belangrijkste onderzoekers het eens. De dodelijkste varianten van het virus kunnen worden herleid tot een gemeenschappelijke voorouder die omstreeks veertig jaar geleden in Centraal Afrika, het huidige Zaire en Rwanda om precies te zijn, zijn weg naar de bloedbaan van de mens heeft gevonden. Een ander vrijwel zeker gegeven is dat het virus afkomstig is van apen. Meer dan de helft van alle apesoorten in Afrika is besmet met het aan HIV verwante Simian Immunodeficiency Virus (SIV). En van elk van die soorten is iets minder dan de helft van de apen drager van dat virus.
WAT IS ER VEERTIG jaar geleden in Zaire gebeurd? Is iemand door een aap gebeten? Of was er sprake van een ongelukje bij een of ander stamritueel waarin apebloed werd gebruikt?
De toenmalige Congo was in 1957 het werkterrein van Hilary Koprowski, Amerikaan van Poolse afkomst, die in zijn hoofdkwartier Camp Lindi bij Stanleyville (het tegenwoordige Kisangani) de laatste dierproeven deed met een vaccin tegen polio dat uiteindelijk 325.000 Congolezen kregen toegediend. Het vaccin van Koprowski is omstreden, niet omdat het op apenieren werd aangemaakt, maar omdat de effectiviteit was verhoogd door gebruik te maken van levende poliovirussen. Anders dan Jonas Salk, die voor zijn poliovaccin uitging van dood virus, overigens ook op apenieren gekweekt, koos Koprowski weliswaar verzwakt, maar levend virus. De vrees bestond dat het verzwakte virus later zijn kwaadaardigheid zou kunnen terugkrijgen. Maar gesteund door de Belgische autoriteiten in de kolonie zette Koprowski zijn plannen door, vastbesloten om zijn naam te verbinden aan de uitbanning van de ziekte. Vast staat dat de fijngemalen apenieren die Koprowski als voedingsbodem gebruikte voor het kweken van poliovirussen, wemelden van de apevirussen. Koprowski’s vaccin bestond uit niets meer dan de vloeistof uit het met polio besmette nierweefsel. Een filter moest de bacterien tegenhouden, maar de gaatjes mochten niet zo klein zijn dat de poliovirussen niet konden passeren. Wat er verder aan virussen in het vaccin terecht kwam, laat zich raden.
NADAT HALVERWEGE de jaren tachtig bleek dat het aantal seropositieven in Zaire hoger was dan waar ook ter wereld en er bovendien in een bloedmonster uit 1959 van een man die aan tuberculose leed HIV-antilichamen waren gevonden, was er alle reden om Koprowski’s vaccin aan nadere inspectie te onderwerpen. Maar vanaf dat moment neemt het verhaal een bizarre wending. Er volgden intimidaties, ontkenningen, halve waarheden, een stroom van nieuwe hypothesen, maar allemaal zonder overtuigend bewijs. Er was zelfs sprake van fraude met weefselonderzoek.
Professor Daniel Vangroenweghe, als cultureel antropoloog en historicus verbonden aan de Universiteit van Gent, kan erover meepraten. Eind volgend jaar verschijnt van zijn hand een boek over aids in Afrika. Tijdens zijn nu drieeneenhalf jaar durend onderzoek ondervond hij van de medische instanties massieve tegenwerking. Vangroenweghe: ‘Ik vind overal gesloten deuren. De meeste virologen wijzen mijn bevinding af, gewoon uit beroepseer. Ik kan absoluut het bewijs niet rondkrijgen dat mijn hypothese over het vaccin van Koprowski waar is. Het vaccin kan besmet zijn geweest met SIV, maar hoe kun je nu uitvinden of SIV van apen kan overgaan op mensen?’
Volgens een rapport uit 1992 hielden veel aidsresearchers toen al minstens vier jaar rekening met een mogelijke besmetting van het poliovaccin met HIV of een verwant virus. Er is geen nader onderzoek naar de bewaarde vaccinmonsters gedaan, omdat iedereen bang was dat er paniek of een schandaal zou losbarsten.
De eerste die aan de bel trok, was dr. Eva Lee Snead. In 1987 opperde zij in een radioprogramma dat besmetting van poliovaccin met het apevirus SV40 een verklaring kan zijn voor het ontstaan van aids. Antistoffen tegen SV40 zijn gevonden in bloedmonsters van personen die volgens de Salk-methode tegen polio zijn gevaccineerd. Onder de luisteraars bevond zich de medicijnenstudent Louis Pascal, die voldoende van biologie af wist om te begrijpen dat SV40 niet de oorzaak kon zijn.
Pascal ontdekte dat de regio met een van de hoogste aantallen aidspatienten, Centraal Afrika, samenviel met het gebied waar in de periode van 1957 tot 1960 325.000 mannen, vrouwen en kinderen zijn gevaccineerd met het Chat Type 1-poliovaccin. Hij achterhaalde een publikatie van Albert Sabin in de British Medical Journal van 14 maart 1959, waarin de prominente onderzoeker meldde een onbekend celdodend virus in Koprowski’s Congo-vaccin te hebben ontdekt. Pascal stuurde zijn bevindingen naar een aantal onderzoekers en naar de wetenschappelijke tijdschriften Nature, The Lancet en New Scientist. Een wetenschapper stuurde bericht van ontvangst, de anderen reageerden niet. Van de tijdschriften kreeg hij het stuk terug, al dan niet voorzien van een regeltje commentaar.
BLAINE ELSWOOD, een aids-activist werkzaam aan de Universiteit van Californie in San Francisco, kwam onafhankelijk van Pascal tot dezelfde conclusies en schreef samen met de medische onderzoeker Raphael Stricker een gedegen wetenschappelijk artikel, dat eerst door de British Medical Journal werd geweigerd en later na talloze wijzigingen in een ingekorte versie als ingezonden brief werd afgedrukt in Research in Virology, voorzien van een afwijzend redactioneel commentaar. Elswood zocht andere wegen en ontmoette de freelance journalist Tom Curtis, die zich zonder aarzelen op het onderwerp stortte. Zijn verhaal in Rolling Stone van 19 maart 1992 betekende een doorbraak en geldt nog steeds als een major piece in het polio-aidsdebat. Zijn vraaggesprek met Koprowski is historisch vanwege de onbevangenheid waarmee de bejaarde medicus (78) op de vragen inging. Sindsdien is Koprowski voor niemand meer te spreken.
Toen Curtis aan Koprowski vroeg of het Congo-vaccin het aidsvirus onder mensen heeft verspreid, wees die het idee af met een diepe lach. Toen Curtis de vraag herhaalde, lachte Koprowski opnieuw, nu langer en harder. Curtis vroeg toen waarom het onredelijk is de vraag te stellen of het Chat Type 1-poliovaccin via de apenieren die voor de vervaardiging zijn gebruikt, met HIV kan zijn besmet. Koprowski: 'U bent bezig een dood paard te slaan. Naar mijn mening is het een zeer theoretische kwestie die… er verder niet toe doet.’
Op een andere vraag van Curtis antwoordde Koprowski: 'Waarom heeft u het steeds over Afrika? Waarom kijkt u niet naar het enorme aantal andere landen waar precies hetzelfde materiaal is gebruikt? Waarom heeft het daar geen HIV-epidemie veroorzaakt?’
Daar zat wat in. Waarom zijn de minstens tweeduizend Belgen die in de toenmalige Congo woonden en werkten en die precies hetzelfde vaccin toegediend hebben gekregen, niet ziek geworden? Dit feit is absoluut in het voordeel van Koprowski, evenals het ontbreken van aanwijzingen dat er onder de maximaal drieduizend Polen die ook met het Chat Type 1-vaccin zijn behandeld, aids is ontstaan.
Toen Vangroenweghe die laatste kwestie in Polen wilde onderzoeken, stuitte hij overigens op een muur van onwil bij de gezondheidsinstanties. 'Het is onvoorstelbaar. Ik heb tien brieven in het Pools laten vertalen, ik heb niks vernomen. Ik heb er mensen naar toe gestuurd. Ze komen nergens binnen. Het is te gek.’
Vangroenweghe stelt wel vast dat het vaccin in Polen op een andere manier is toegediend dan in Centraal Afrika. De Polen kregen het in de vorm van een capsule; bij de Congolezen werd het met een naald in de keel gespoten. En daarmee komt een ander twistpunt aan de orde. Kan het HIV via de mond in de bloedbaan terechtkomen? Volgens Koprowski en andere deskundigen is dit uitgesloten omdat het HIV de passage door de maag niet overleeft. Dat is waar. Maar wat wel kan is dat het virus via de longen of wondjes in de mond tot de bloedbaan doordringt. Wie bovendien weet hoe Koprowski en zijn medewerkers precies te werk zijn gegaan, moet concluderen dat besmetting op deze manier alleszins mogelijk was. Vangroenweghe: 'Het vaccin werd in literflessen aangeleverd. Op de fles zat een naald die diep in de keel werd gebracht. Door twee keer te duwen werd een, twee cc vaccin in de keel gespoten. Diep in de keel. Waarom? Om er zeker van te zijn dat die kinderen het niet uitspuwden. Het is goed mogelijk dat er kwetsuren zijn ontstaan doordat kindertjes nu eenmaal niet stilzitten. Als er SIV in heeft gezeten, kon het op die manier in de bloedbaan komen.’
Wat tegen de poliohypothese pleit, is de vermoedelijke herkomst van de apenieren die voor de partij Chat Type 1 zijn gebruikt. Vangroenweghe is er zeker van dat het gaat om Indiase makaken (rhesusapen). In Rolling Stone verklaarde Koprowski aanvankelijk dat zijn medewerkers de nieren van groene meerkatten gebruikten. Na de verraste mededeling van interviewer Curtis dat Salk en Sabin rhesusapen verwerkten, liet Koprowski weten het voor de zekerheid te zullen checken. Bij de volgende ontmoeting moest hij bekennen geen enkel document te kunnen vinden waarin wordt beschreven welke apesoort werd gebruikt. De nieren die door Wistar, de firma die Koprowski’s vaccin fabriceerde, zijn gebruikt, werden volgens hem kant en klaar aangeleverd.
Koprowski meldde tegenover Curtis dat zich restanten van het Congo-vaccin in de vriezers van Wistar bevinden. Die opmerking betreurde hij meteen. Toen de interviewer onmiddellijk voorstelde de monsters te laten onderzoeken, bespeurde hij onzekerheid in de reactie van Koprowski. 'Ja…’, aarzelde hij, 'maar ik weet echt niet hoeveel SIV er in werkelijkheid in apenieren aanwezig is… Ik heb grote twijfel of het zijn weg kan vinden in de epitheelcellen van de nier.’
HIV en SIV gedijen niet in niercellen, dat staat vast; ze richten zich op de zogenoemde lymfocieten en macrofagen, cellen die in het bloed zitten en daardoor wel degelijk ook in nieren kunnen voorkomen. 'Iedereen die door middel van cinematografische tijdopnamen naar een primaire (direct van apen afkomstige) niercellencultuur heeft gekeken, zal talloze macrofagen hebben gezien die als stofzuigers over de epitheelcellen bewegen’, verklaarde een voor de gelegenheid door het blad Science geraadpleegde wetenschapper.
Koprowski gooide het vervolgens over een andere boeg. 'Als wetenschapper had ik niet de intentie om met Tom Curtis in debat te gaan toen hij zijn hypothese over de oorsprong van aids presenteerde’, begint Koprowski zijn finale verweer in het tijdschrift Science. De ingezonden brief laat een andere Koprowski zien dan de charmante, rondborstige senior met wie Curtis had gesproken. Curtis heeft er, aldus Koprowski, niets van begrepen. Hij weet het verschil niet tussen vaccin en polioviruskiemen. Het vaccin is het eindprodukt en daarvan zijn volgens Koprowski geen monsters meer voorradig. Er zijn alleen enkele flesjes met weefselkweken aanwezig, die mogelijk de poliovirussen bevatten die in de periode van 1957 tot 1960 zijn gebruikt voor de produktie van het vaccin. Ook de test van Sabin, die een onbekend celdodend virus vond, betreft volgens Koprowski niet het Congo-vaccin, maar de poliovirussen die als kweekmateriaal dienden. Voorts heeft hij geen enkele twijfel meer over de apen: het waren makaken. Zijn betoog is opgetuigd met cijfers over de betrekkelijk lage percentages seropositieven in de landelijke gebieden waar hij werkzaam was. En hij maakt een heftig punt van de 'onjuiste situering’ van het merendeel van de vaccinaties in het Kivu-district in plaats van in de Ruzizi-vallei (de Ruzizi-vallei ligt in het Kivu-district - dd).
Koprowski dwong Rolling Stone tot publikatie van een artikel waarin zijn beste bedoelingen worden benadrukt en vermeld wordt dat hij honderdduizenden mensen voor verlamming en mogelijk overlijden heeft behoed. En waarin tevens wordt verklaard dat een commissie van zes eminente wetenschappers, die door Wistar naar aanleiding van het verhaal in Rolling Stone is samengesteld, na een meer dan zes maanden durend onderzoek tot de conclusie is gekomen dat de kans op verspreiding van een aidsvirus door het Congo-vaccin 'extreem klein’ is. Met name het overlijden in 1959 van een Engelse zeeman aan aids, terwijl die voor zover bekend geen contact met het Congo-vaccin heeft gehad, sluit volgens de commissie met 'bijna volledige zekerheid’ uit dat het vaccin de oorsprong van aids is geweest.
OVER HET CONGO-VACCIN dat nog in het Wistar Instituut ligt opgeslagen, schreef Pascal eind vorig jaar: 'Als het om kweekmateriaal gaat, zullen tests waarschijnlijk een negatief resultaat te zien geven. Dit is een van de weinige punten die Koprowski tegen Curtis heeft gescoord. De lezer mag beslissen of het wat uitmaakt.’ Niettemin adviseerde het samengeraapte Wistar-panel van experts om de oude monsters van het vaccin te laten testen. Ze bevalen daartoe twee laboratoria aan: CDC in Atlanta en de World Health Organization, twee van de felste tegenstanders van de vaccintheorie. Tot op heden is er niets van vernomen.
De slepende kwestie deed de betrokken reputaties natuurlijk geen goed. De 'Wistar Six’ heetten ze al snel, zodra de rol van het eminente panel ter sprake kwam. Zo'n gebrek aan respect kwam de saamhorigheid uiteraard niet ten goede. En inderdaad, na de publikatie in Rolling Stone stond er een dissident in hun gelederen op: dr. David Ho.
Ho, directeur van het Aaron Diamond Aids Research Centre in New York City en hoogleraar in de geneeskunde en de microbiologie aan de New York University School of Medicine, ontzenuwde namelijk de mythe van 'patient zero’ David Carr, wiens veronderstelde HIV-besmetting voor het Wistar-panel 'het afdoende en onweerlegbare bewijs’ was dat de poliovaccinatie niet de oorzaak van aids kan zijn geweest.
De 25-jarige leerling-drukker David Carr verkeerde in een redelijk goede algemene conditie toen hij in december 1958 last kreeg van benauwdheid, nachtzweten, gewichtsverlies en vermoeidheid. Op zijn huid verscheen een bruinachtige, schilferige uitslag, in februari 1959 gevolgd door een pijnlijke anale zweer en een tweede zweer tussen zijn neusgat en bovenlip. Op 8 april werd hij naar het Royal Infirmary in Manchester gebracht, maar wat de dokters ook deden, niets hielp. De benauwdheid en het gewichtsverlies verergerden en hij stierf op 31 augustus 1959, officieel aan longontsteking, een 'opportunistische’ infectie die profiteerde van een verzwakt afweersysteem.
Omdat het om een uitzonderlijk geval ging, schreven de artsen dr. Trevor Stretton, dr. John Leonard en de patholoog- anatoom van het ziekenhuis een uitgebreid verslag voor het vaktijdschrift The Lancet. De patholoog-anatoom dr. George Williams besloot bovendien meer weefselmonsters uit het lichaam te nemen en te bewaren dan gebruikelijk is. In totaal meer dan veertig, uit vrijwel elk orgaan van Carr. Elke in paraffineblokken verpakte serie orgaanweefsels kreeg een apart nummer, waarna alles werd opgeslagen op de afdeling pathologie van de Universiteit van Manchester.
De dood van David Carr bleef een mysterie tot de drie geneesheren begin jaren tachtig een overeenkomst zagen met de eerste beschrijvingen van een nieuwe, geheimzinnige ziekte. Had de patient aids? Er lag een voetnoot in de medische geschiedenis in het verschiet. Ze schreven in 1983 naar The Lancet. De leerling-drukker David Carr (wiens naam niet meer werd genoemd) heet nu een man die tussen 1955 en 1957 bij de marine is geweest, heeft gevaren en niet gehuwd was (waarmee werd gesuggereerd dat hij wellicht homoseksueel was en het virus overzee heeft opgelopen). Vanaf dat moment zou Carr in de literatuur voortaan de 'British sailor’ heten.
Omdat de onderzoekers absolute zekerheid wilden hebben, werd na de eerste positieve uitslag een tweede, 'blinde’ test voorbereid. De virologen dr. Gerald Corbitt en zijn assistent Andrew Bailey kregen van dr. Williams twaalf weefselmonsters in aparte, gecodeerde buisjes; zes waren van David Carr, de andere zes van een eveneens 25-jarige man die in hetzelfde jaar bij een verkeersongeluk om het leven was gekomen. Bailey, die met de praktische uitvoering van de test was belast, kreeg twee keer dezelfde uitslag: vier monsters waren HIV-positief, de overige acht negatief. Alle positieve monsters kwamen van David Carr: nier, beenmerg, milt en keel. Hersenen en lever waren negatief.
TWEE JAAR NA DE publikatie van het opzienbarende nieuws in The Lancet van 7 juli 1990 vroeg prof. David Ho aan de onderzoekers uit Manchester toezending van weefselmonsters, omdat hij zelf proeven wilde uitvoeren. Voor de specialist Ho was het ontleden van de volledige DNA-sequentie een koud kunstje. Inderdaad kwam het DNA overeen met de gedeeltelijke analyse van Corbitt en Bailey. De geisoleerde virussen waren identiek. Toch klopte er iets niet. Raadpleging van Gerald Myers, directeur van de HIV Sequence Database in het Los Alamos National Laboratory, versterkte Ho’s vermoeden dat het ging om een besmetting van buitenaf. Volgens de wetenschap dat het DNA van het snel evoluerende virus per jaar met ongeveer een procent verandert, zou er een verschil van dertig procent moeten zijn met de virusstammen die rond 1990 over de wereld circuleerden. En dat was niet het geval. 'Het is niet te onderscheiden van een 1990-virus’, onthult dr. Ho in The Independent.
Maar er was meer mis. Het kon ook geen gewone besmetting zijn, zo bleek uit verder onderzoek. In het weefsel waren hele zwermen virus aanwezig. De kleine onderlinge verschillen duidden erop dat er een zich actief replicerend virus aan het werk was. Een full blown HIV-infectie dus.
Ho gaf in een fax aan de onderzoekers uit Manchester uiting aan zijn 'grote verontrusting’ en vroeg om toezending van de oorspronkelijke, onaangeroerde weefselmonsters, in plaats van de bewerkte stukjes weefsel. Maanden later, in februari 1994, ontving hij een partij van negen weefselmonsters in de originele paraffineverpakking. Tijdens de daarna volgende proefnemingen met de gevoeligste tests wachtten hem twee schokkende ontdekkingen: er was geen spoortje HIV in te vinden, en het DNA week af van het DNA van de eerder toegezonden monsters. Ergo: de orgaanweefsels waren afkomstig van twee verschillende personen. Aan de veroudering van bepaalde DNA-fragmenten was bovendien te zien dat de eerste monsters van recenter datum waren dan de tweede partij.
Daarmee was het geval-Carr van een wereldontdekking veranderd in een raadsel. En dat is het nu nog steeds. Is er met de monsters gefraudeerd? En waartoe?
KOPROWSKI’S CLAIM dat zijn Congo- vaccin veilig was, kan slechts op hoop zijn gebaseerd. Pascal schrijft: 'Bij vaccins met levend virus, gekweekt op dierlijk weefsel, bestaan geen manieren om vreemde dierlijke virussen te elimineren zonder tegelijkertijd de niet-ziekteverwekkende virusstammen waaraan het vaccin zijn werkzaamheid ontleent, te doden.’
Nogmaals, er is geen onomstotelijk bewijs voor de besmetting van het Congo-vaccin met SIV (het latere HIV). Pascal houdt het op besmetting via de chimpansees die Koprowski in Camp Lindi hield voor experimentele vaccinaties. Uit de verslagen van Koprowski in de British Medical Journal leidt hij af dat er van de honderdvijftig chimpansees tenminste tien zijn gedood en ontleed. De omstandigheden ter plaatse zijn veel primitiever dan de condities in de tegenwoordige laboratoria. Ziedaar het mogelijke begin van de sluipweg die uiteindelijk naar de bloedbaan van de mens leidde.
Na de vaccinaties brak de oorlog uit. De Belgen ruimden het veld. De Verenigde Naties stationeerden onder meer zwarte, Frans sprekende Haitianen op de vacante plaatsen in het onderwijs. Bij de werving werd gelet op bepaalde persoonlijke kwaliteiten en omstandigheden. De onderwijzers moesten jong zijn, tussen de 22 en 35 jaar, en ongehuwd.
Vangroenweghe schat dat er enkele duizenden Haitianen door de VN zijn geengageerd, naast een aantal verwaaide Vietnamezen, Fransen en Libanezen. 'Ze moesten bij voorkeur celibatair zijn, anders moest men ook voor huisvesting van vrouw en kinderen zorgen.’ Vangroenweghe, die in Zaire antropologisch veldwerk heeft verricht, attendeert op een verschil in leefwijze tussen de Haitianen en de overwegend gehuwde Belgen die veelal in katholieke missieposten waren gehuisvest en onder wie veel meer sociale controle bestond.
Op grond van DNA-analyses van de virussen die op Haiti circuleren zijn Gallo en Montagnier, de ontdekkers van het HIV-virus, ervan overtuigd dat het eiland het tussenstation is geweest voor de verspreiding van HIV naar de westerse wereld. Het percentage seropositieven in Haiti behoort tot de hoogste ter wereld. De sprong van het aidsvirus van Afrika via Haiti naar Amerika kan worden verklaard door het vertier dat Amerikaanse homoseksuelen in die jaren zochten in Carrefour, het homokwartier van Port-au-Prince.
De cultureel-antropoloog Vangroenweghe wil de microbiologische bewijsvoering van Gallo en Montagnier toetsen aan de klinische realiteit. Hij wil weten of zich onder de Haitianen die in Zaire hebben gewerkt, gevallen van aids hebben voorgedaan. Maar elk onderzoek in die richting wordt op mysterieuze wijze belemmerd.
De systematische tegenwerking op alle onderdelen van het onderzoek naar de mogelijke besmetting van het Congo-vaccin is de sterkste aanwijzing dat er met het vaccin van de partij CHAT Type 1 iets grondig mis was. Mogelijk gevolg: miljoenen doden en in de verste verte nog geen geneesmiddel in zicht. Het is niet gering om daaraan schuld te moeten bekennen. Toch valt er niet aan een kritische beschouwing van de feiten te ontkomen. Daartoe moeten de betrokken instanties alle relevante gegevens voor onderzoek beschikbaar stellen. Niet in de laatste plaats om te voorkomen dat andere virussen die nu nog sluimeren door dezelfde fout worden geactiveerd.