Opheffer

Over angst, verdriet en heldendom

Wanneer moet je moedig zijn en wanneer niet? Wanneer moet je een held zijn en wanneer niet?

Moed vereist een welbewuste naïviteit. Je moet je ogen sluiten voor het gevaar dat op de loer ligt. Je cijfert jezelf dan weg. Dus moet je je ego geweld aandoen: het spijt me, het doel heiligt niet alleen de middelen, maar het doel is zo heilig dat ik mezelf moet verachten. Ik ben minder waard dan het doel!

En dat geldt ook voor heldendom. Heldendom vereist een zekere mate van asociaal gedrag. Het spijt me, lieve kinderen, maar ik moet iets doen, waarmee ik ook jullie misschien in gevaar breng. En als jullie er geen gevaar bij lopen, dan bestaat toch op z’n minst het gevaar dat jullie moeten treuren om mij. Het is niet anders.

Zijn er zulke nobele doelen?

Voor mijn ouders wel. Voor mijn grootouders ook.

Van alle kanten was mijn familie moedig. Het waren helden. En aan dat heldendom ontleenden ze ook zekere rechten – vooral thuis. Zij hadden een offer gebracht, daar hadden wij, kinderen, rekening mee te houden.

«Ja, pap.»

«Ja, mam.»

Het is het wezen van dat tegenwoordig zo verdoemde begrip «respect».

Respect moet je verdienen. Wie een held is heeft die verdienste binnen. En dus verdient een held ons respect.

Spreek een held niet tegen.

Een held heeft altijd gelijk.

Een held heeft voor ons geleden.

Een held heeft door zijn lijden ervoor gezorgd dat wij niet meer hoeven te lijden.

Een held is als Jezus, een held is als God. God komt thuis, geeft mamma, die andere heldin, een kus, schopt zijn schoenen uit, zet zijn stinksokken op tafel en begint met commanderen. Hij schreeuwt tegen zijn vrouw, zijn kinderen; het wordt gerechtvaardigd door het heldendom, terwijl je niet eens precies weet waar dat heldendom uit bestaat.

Was het goed om je leven in de waagschaal te leggen?

Was het goed om moeder te dwingen hetzelfde te doen?

Welke opvattingen lagen eraan ten grondslag om je tegen de Japanners te verzetten?

Was dat ook de opmerking: «Die Jappen zijn een onbetrouwbaar volk, tot niks in staat, erg slap… en dus sadistisch…»

Het heldendom kon niet ter discussie worden gesteld. Het respect ook niet.

Er kleefde aan het ouderlijk heldendom nog een nadeel: ik zou nooit een held kunnen worden. Immers, de held en de heldin hadden ervoor gezorgd dat er geen oorlog meer was, en wanneer anders dan in een oorlog zou ik held kunnen zijn?

«Je bent een slappeling!»

«Waarom, pap?»

«Omdat je niet in dienst gaat.»

«Ik ben afgekeurd.»

«Je hebt je laten afkeuren.»

«Ik geloof niet in oorlog.»

«Dan spraken we nu allemaal Duits, en lazen we allemaal De Telegraaf, en waren je moeder en ik in Indië omgekomen.»

«En bestond ik niet…»

«En bestond jij niet, ja!»

«… om er last van te hebben…»

Maar de wereldgeschiedenis rukt soms een tegel uit het gebouw waardoor er een zuil omvalt – en die zuil komt dan vlak naast je neer. Met een knal!

En dus spreek ik me uit! En dus pik ik bepaalde zaken niet! En dus memoreer ik doden (of een dode) die zijn (of is) gevallen. En dus formuleert mijn strottenhoofd woorden die van angst zijn gemaakt, ik overschreeuw mijn verdriet, ik sla om me heen – als een held. Je bonkt met je kop tegen de muur van je eigen onmacht… Je onmacht ook om een held te zijn.

«Denk aan je kind.»

«Gedraag je verantwoordelijk.»

«Hang nu niet de held uit.»

En tegelijkertijd word je bedreigd.

«Ik hoor te veel enge verhalen over jou… Stop nu met schrijven… Stop nu… Je hoeft geen held te zijn… Jij moet niet de volgende zijn.»

Dus stop ik…

Nee, ik stop niet…

Dus stop ik wel…

Nee… ik weet het niet.

Soms word je tot held geschopt!

Kent u helden die moe zijn? Kunt u me daarmee in contact brengen?

Ik ben zo moe – en zelfs geen held.

Een reeks van doden kijkt vanuit de hemel op mij neer en roept: «Hou je rug recht. Val ze aan. Als jij het niet doet, doet niemand het.»

«Ik schijn de verkeerde tactiek te hebben. Ik moet beschaafder zijn, roept men», zeg ik met overslaande stem in mijn geest.

«Nee, nee, nee!» roepen de doden, «denk je dat wij de oorlog met beschaafd handelen zouden hebben gewonnen?»

«Maar er is geen oorlog!»

«Er is wel oorlog… Er is wel oorlog… En jij bent onze held… Jij moet onze held zijn.»

Ik loop over straat langs een middelbare school, en ik hoor mijn naam fluisteren. «Vriend van Van Gogh…»

Het zijn niet de vriendelijkste jongens die dat zeggen. Het zijn de jongens die ik vrees.

Ik draai me om.

«Ik was inderdaad een vriend van Van Gogh… Ik wou dat ik nog zijn vriend was… Maar hij is laf vermoord… Weten jullie waarom?»

Eén jongen wil wat zeggen, wat niet vriendelijk is, maar wordt door zijn collega’s weggetrokken.

Mijn hart klopt in mijn keel – dat wil ik niet!