Over bloot en Balkenende

COEN SIMON
WAAROM WE ONSZELF ZOEKEN, MAAR NIET VINDEN
Prometheus, 75 blz., € 9,90

In het boek Waarom we onszelf zoeken maar niet vinden staat het hedendaags beeld van het ‘zelf’ centraal.
Wat is dat eigenlijk, het ‘zelf’? Als je een eenduidig antwoord op die vraag wenst, heb je weinig aan Coen Simons boek. Volgens Simon is het zelf namelijk iets wat niet te vinden is en wat eigenlijk vooral bestaat uit de relatie met de wereld om je heen. Kortom, we hebben helemaal geen ‘innerlijke’ of ‘op zichzelf staande’ kern. Volgens Simon zijn veel mensen desondanks op zoek naar hun meest innerlijke zelf, een zoektocht waarop de zelfhulpbranche welig tiert.
Simon belooft korte metten te maken met die zelfhulpcultuur. In vijf essays neemt hij steeds een ander aspect van het ‘zelf’ onder de loep door een eigen ervaring als uitgangspunt van zijn denken te nemen. Die ervaringen betreffen vooral gebeurtenissen uit zijn kinder- of pubertijd. Zo beschrijft hij bijvoorbeeld dat hij als achtjarige jongen een keer een winterwortel boven een gootsteentje schoonschraapte, waarna de wasbak verstopt raakte. Toen zijn vader hem om opheldering vroeg, bleef hij ontkennen, maar zijn schaamte verried hem.
Deze anekdote neemt Simon als vertrekpunt om over het nut van schaamte na te denken.
Simons prozaïsche vertellen en filosofisch analyseren gaan soepel in elkaar over. Zijn essays lezen als inwendige monologen van een bedachtzaam romanpersonage dat graag vragen stelt bij de werkelijkheid. In die zin is dit onmiskenbaar een fijn boekje, dat prettig wegleest en aan het denken zet over onze huidige wijze van samenleven. Vanuit filosofisch perspectief ligt hierin echter ook een zwakte. Met het gemak van het vertellen en het aaneenrijgen van associaties gaat de precisie van Simon wel eens verloren.
Het gebruik van het woord ‘zelf’ dat de eenheid van wisselende waarnemingen en gedachten moet aanduiden, verschilt bijvoorbeeld van het ‘zelf’ met betrekking tot de vraag ‘wie ben ik?’ Het eerste zelf zou in dit geval een meer metafysische, universele definitie betreffen, terwijl bijvoorbeeld de vraag naar het zelf met betrekking tot de identiteit juist over de verschíllen tussen (groepen) mensen gaat. Simon maakt geen duidelijk onderscheid tussen dergelijke toch wel zeer uiteenlopende betekenissen van het zelf. Ook vraag ik me af of het idee van het zelf als een inwendige kern, waartegen Simon zich verzet, eigenlijk nog wel zo wijdverbreid is. Zowel binnen de filosofie (onder anderen Kierkegaard, Heidegger, Sartre, Derrida) als binnen de psychoanalyse (Freud, Lacan) wordt het zelf toch vooral beschouwd als iets wat nooit geheel met zichzelf samenvalt.
Ongetwijfeld zou het een veel saaier boek zijn geworden als Simon er wel voor zou hebben gekozen om het uiteenlopende gebruik van het zelf schematisch in kaart te brengen. Simon is een verteller, en denkt terwijl hij vertelt, dat maakt zijn essays juist zo sprankelend. Daarnaast richt Simon zijn speerpunten ook niet op het filosofisch gebruik van het zelf, maar op de hedendaagse zelfhulpcultuur.
Voor Simon is alle zelfhulp één pot nat. Toch bestaan er zeer verschillende zelfhulpboeken; zo zijn er zelfhulpboeken die zich op stromingen binnen de psychotherapie baseren, waarin veelal gedrag en gewoontes geanalyseerd worden. De cognitieve psychotherapie probeert bijvoorbeeld te achterhalen wanneer bepaalde denkgewoonten ontstaan. Meestal is dit in de kindertijd, wat volgens deze theorie betekent dat je een emotie die nog uit je kindertijd stamt aan vergelijkbare situaties in je latere leven blijft koppelen. In zelfhulpboeken die zich op dergelijke therapieën baseren, gaat het geenszins om het vinden van de ‘kern’ van het ‘ik,’ maar veeleer om het leren zien en analyseren van je eigen gedrag. Op een bepaalde manier komt dit eigenlijk zeer dicht bij wat Coen Simon zelf doet.
Zo weet Simon zijn schaamte na het schoonschrapen van de winterpeen te verbinden aan andere momenten waarop hij schaamte voelde of een gebrek aan schaamte opmerkte, zoals bijvoorbeeld bij Theo van Gogh die tijdens een interview zijn piemel uit zijn gulp haalt.
Van deze anekdote gaat Simon over op een betoog over ‘bloot’ en het verschil tussen cultuur en natuur, waarover hij opmerkt: ‘Cultuur kun je niet als kleren uittrekken.’ Om de cirkel rond te maken, raakt hij ook even aan het ‘innerlijk’ en ‘uiterlijk’ en brengt het als volgt terug op schaamte: ‘De huid, de grens tussen innerlijk en uiterlijk en tussen privé en publiek, kleurt rood.’
Moeiteloos weet Simon zijn persoonlijke observaties met een betoog over Balkenende’s normen en waarden, bespiegelingen over het collectieve zelf, films en bijvoorbeeld de uitvaart van André Hazes te verbinden. Dat maakt dit boek zeker de moeite waard.
Kortom, verwacht geen gedegen studie van het ‘zelf’ binnen de filosofie óf de zelfhulp, maar lees het boek als een verzameling prikkelende essays van een oorspronkelijk denker.